Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
In „de Nederlander" van Zaterdag 3 Januari j.I. lazen we het volgende bericht:
„Artikel 171 der Grondwet.
Door het hoofdbestuur der Christ. v Hist. Unie werd besloten eene commissie g te vormen uit de Unie, teneinde haar s te dienen van advies over het zeer a moeilgk vraagstuk van de predikants-o tractementen, met het oog op een moge p lijke aanstaande herziening van art. 171 j der Grondwet.
Thans kan worden medegedeeld dat de uitnoodiging tot het lidmaatschap dezer commissie werd aanvaard door de na te noemen leden der Unie: mr, J. Schokking, Leiden; mr. L. J. van Apeldoorn, Leeuwarden; ds. H. van Eyck van Heslinga, Berlikum; jhr. mr. B. M. de Jonge van Ellemeet, Assen; dr. B. O. Koolhaas, Utrecht; dr. P. J. Kromsigt, Amsterdam en jhr. mr. J. W. H. Rutgers van Rozenburg, Baarn."
Hieruit blijkt, dat ook de Christel. Historische Unie het vraagstuk van de finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat met ernst onder de oogen wil zien, om straks, wanneer de plannen van Minister de Vries mochton kunnen worden behandeld in 's lands raadzaal, met een zelfstandig voorstel in deze uit te komen. De Antirev. Staatspartij staat dan niet alleen met haar rapport; spoedig zal de Christ, Hist. Unie ook een rapport hebben en wellicht ook de Roomsche Staatspartg, gelijk ook de Vrgz. Dem. partg. enz.
't Verdient dan ook wel aanbeveling, om deze zoo moeilijke en ingewikkelde kwestie zoo breed mogelijk te behandelen en haar van alle kanten te bezien, daarbij strevende naar zooveel mogelijke overeenstemming tusschen de geestverwante politieke partgen.
Want zal er ooit een oplossing komen, dan zal het toch zeker moeten met onderling overleg en in overeenstemming met elkander !
Waar wg nu zoo gelukkig zijn geweest op onze buitengewone Bondsvergadering, 18 Dec. j.I. te Utrecht gehouden, een zoo breede en heldere uiteenzetting te mogen hooren uit den mond van mr. van Apeldoorn, daar verblgdde het ons ten zeerste dat prof dr. H, H, Kuyper, hoogleeraar in de Kerkgeschiedenis aan de Vrge Universiteit, niet alleen daarbg tegenwoordig was, maar dat deze zich opgaf om met den geachten referent van gedachten te wisselen, waardoor we aanstonds een fijn en hoogstaand debat kregen. Geen holle frases en bombastische woorden, waar men niets voor koopt in dezen tqd, maar degelijke redeneering en grondige argumenten.
Twee geestverwanten bleken het te zgn, mr. van Apeldoorn en prof. Kuyper, maar toch onderling verschillend in sommige beschouwingen en in conclusie. Zóo moet uit de wrgving der gedachten de waarheid aan den dag komen !
Nu kon uit den aard der zaak het debat niet al te lang duren en men dacht aan een debat in tweede instantie.
Toch zgn toen de hoofdlijnen getrokken wederzijds; waarna in de pers verder een rustig debat mocht worden verwacht,
In „de Heraut" is prof. Kuyper daarmee begonnen. Hij vindt — gelukkig! —• de zaak van zooveel gewicht, dat hier een breedere uiteenzetting van gedachten eisch is. En zoo nu is er hoop, dat bg het vele, dat we ter vergadering reeds hoorden, waarmee we zeer zeker ons voordeel kunnen doen, er nog méér komen zal, dat ons in deze kwestie kan oriënteeren.
Het gewicht van deze zaak voelend, willen we dan ook nu aanstonds prof. Kuyper dankzeggen voor zgn bereidwillligheid om over de zaak, die in 't geding is, nog eens te schrijven en wg nemen gaarne nü op déze plaats zijn eerste artikel over, in de hoop, dat straks ook mr. van Apeldoorn bereid gevonden zal worden schriftelijk van repliek te dienen, waarvoor de kolommen van „de Waarheidsvriend" hem bg voorbaat reeds gaarne ter beschikking worden gesteld.
Het eerste artikel van prof. dr, H.H, Kuyper luidt aldus:
Geen gunst maar recht.
I.
Hoezeer we in menig opzicht het betoog van mr. Van Apeldoorn met instemming gelezen hebben, toch, zoo merkten we op, schijnt de oplossing, n.l, dat de Staat alle uitkeering aan de Kerken zou doen ophouden zonder uitkeering van kapitaal, practisch onmogelgk, terwijl we ook het juridische standpunt van mr. Van Apeldoorn niet zonder bedenking achten.
Wat ons eerste bezwaar betreft, zoo behoeft dit wel geen breede toelichting.
Zal de flnancieele band tusschen Kerk en Staat worden losgemaakt, dan is het niet voldoende, dat de Regeering daartoe een voorstel indient, maar dan moet ook de Staten-Generaal dit aannemen. Zelfs zou daartoe Grondwetsherziening noodig wezen en voor zulk een Grondwetsherziening is eisch, dat er eerst Kamerontbinding moet plaats vinden en een nieuwe Kamer moet gekozen worden, voordat de voorstellen definitief worden aangenomen. De Kamer zou dit voorstel dus niet incidenteel kunnen afdoen, maar er zou een nieuwe Kamerverkiezing moeten plaats vinden, waarbg deze verbreking van den fioancieelen band tusschen Staat en Kerk het shibboleth zou worden.
Nu behoeft er wel geen oogenblik twgfel over te bestaan, dat zulk een voorstel van Regeeringswege, gesteld al dat de Regeering hiertoe overging, op zeer ernstig verzet stuiten zou in de beide
Kamers der Staten-Generaal. Van de Roomsche Staatspartij is bekend genoeg, dat zij van de bestaande subsidie zeker geen afstand zou willen doen zonder vergoeding. Al wat aan de Hervormde Kerk verbonden is, zou evenzeer met alle kracht tegen deze intrekking van Staatshulp zich verzetten. En al zouden allicht de socialisten en vrg zinnig-democraten zulk een maatregel toejuichen, de vraag zou wezen, of zulk een voorstel de meerderheid krqgen zou. En zelfs indien dit het geval was, zou men daarna bij de verkiezingen een zeer onverkwikkeiijken strqd krqgen. Reeds nu heeft bq meer dan eene verkiezing juist deze financieele quaestie nameloos veel kwaad gedaan. Van Christelijk-Historische en van Liberale zijde werd het telkens voorgesteld, alsof de Antirevolutionaire party het toelei op den ondergang der Hervormde Kerk en haar daarom van haar bestaansmiddelen wilde berooven.
En reeds nu werd door een president-Kerkvoogd uit Zwolle in de Nieuwe Rotterdammer Courant naar aanleiding van mr. Van Apeldoorn's betoog aan de alarmklok getrokken en de voorstelling gegeven, alsof dit een aanslag van de Gereformeerden op de Hervormde Kerk bedoelde, hoewel mr. Van Apeldoorn geen lid der Gereformeerde Kerken, maar van de Hervormde Kerk is en zgn betoog gehouden werd in een Bond, die tot de Hervormde Kerk behoort.
Het is daarom, dat we het tactisch niet juist achten, om zoo scherp op den voorgrond te stellen, dat eigenlijk de beste oplossing zou wezen, alle uitkeering aan de Kerken van Staatswege zonder meer te doen ophouden. Langs dien weg bereikt men het doel, dat men beoogt, n.l. de financieele scheiding tusschen Kerk en Staat, nooit. Eer weet men, dat men op deze wqze die scheiding juist onmogelijk zal maken. Hoe duidelijker en klaarder men uitspreekt, dat het doel is, niet om de dusver gesubsidieerde Kerken plotseling voor het feit te stellen, dat zij geheel uit eigen middelen voor haar onderhoud hebben te zorgen, maar dat men aan de Kerken een zeker kapitaal zal doen uitkeer en, hoe meer kans er is, dat men de medewerking van deze Kerken verkrijgt. Doet men dit laatste niet, dan zal men allicht kerkelijke hartstochten ontketenen, die op politiek gebied een zeer fatalen invloed zouden uitoefenen. Met het zwaard hakt men dezen Gordiaanschen knoop niet door.
Men zou alleen zich zelf daarmede een wonde toebrengen.
Toch is het niet alleen uit deze practische overwegingen, dat we bezwaar hebben tegen de conclusie van mr. van Apeldoorn. Het recht van kapitaaluitkering schijnt ons niet zoo aan twijfel onderhevig als mr. Van Apeldoorn wel meent. En al weten we zeer wel, dat juristen van naam in dit opzicht geheel aan zijn zgde staan, toch meenen we, dat dit geding daarmee nog niet beslecht is.
Nu kunnen we natuurlijk niet in een weekblad als De Heraut op alle juridische vraagstukken ingaan, die met het vraagstuk van de kerkelijke en geestelijke goederen in verband staan. Alleen op de hoofdpunten kan hier worden gewezen.
En dan staat het vast, —hierover bestaat geen twqfel — dat deze kerkelijke en geestelqke goederen te danken zijn aan personen, die deze goederen geschonken hebben ten dienste van de Kerk en van vrome doeleinden (piosusus). Gewoonlgk onderscheidt men daarbij tusschen de kerkelgke goederen, die rechtstreeks ten dienste van de Kerk waren gegeven, en de geestelijke goederen, die dienden voor kloosters enz. Aan wie, vóór de Reformatie, het eigendom dezer goederen toekwam, staat niet zoo vast. Men beschouwt ze tegenwoordig meest als stichtingen, d.w.z. als eigendommen, die niet aan de Kerk behooren, maar ten dienste van de Kerk waren gegeven. Toen de Reformatie kwam, heeft de Overheid niet deze goederen tot staatseigendom verklaard, waartoe zq het recht ook niet zou gehad hebben, maar alleen verklaard, dat deze goederen voortaan dienen zonden voor de Gereformeerde Kerken. Doordat de Overheid de Roomsche religie-oefening verbood en de Gereformeerde religie als de ware Christelijke religie erkende, ontstond geen nieuwe Kerk, maar werd de bestaande Christelijke Kerk, die tot reformatie was gekomen, als de wettige Kerk erkend. De voorstelling alsof deze kerkelqke goederen door het „wegvallen" van de Roomsche Kerk" nu bona vacantia waren geworden, d w; z. goederen zonder eigenaar, die de Staat aan zich trekken kon en waarvan de inkomsten alleen bg wijze van gunst door de Overheid aan de Gereformeerde Kerken waren gegeven, is derhalve niet juist.
De uitvoerige onderzoekingen, naarden toestand dezer kerkelgke goederen ingesteld, hebben dit afdoende bewezen. Zelfs blijkt uit deze onderzoekingen, dat de Overheid alleen daarom in het beheer dezer goederen heeft ingegrepen, en gezorgd heeft, dat zg ten dienste van de Gereformeerde Kerken kwamen, omdat er gevaar bestond, dat deze goederen, die meest door Roomsch-gezinden, of lieden die van de Gereformeerde Kerk niet, weten wilden, beheerd werden i), gealieneerd zouden worden. De Overheid heeft, waar zij ingreep en deze goederen onder haar toezicht stelde, dit in de eerste plaats gedaan, opdat zg aan haar bestemming bleven beantwoorden, d.w.z. aan het doel waarvoor zg gegeven waren, n.l. voor den dienst der Kerk. Maar dat er geen sprake van was, dat de Overheid zich zelf als eigenaar van deze goederen beschouwde, waarmede zg doen kon wat zij zelf wilde, blgkt wel daaruit, dat waar de Overheid soms uit geldgebrek - een deel van deze goederen gebruikte voor oorlogsdoeleinden, de Overheid dan beloofde later deze , geleende gelden" weer te zullen restitueeren aan de Kerk. 2) Het recht dat de Kerken op deze goederen en hun inkomsten hadden, werd dus ten volle door de Overheid erkend. De Overheid mocht beslissen, welke Kerk de ware Christelijke Kerk was, maar de bestemming 'van deze goederen voor de Kerk stond vast. De Kerk had recht op de inkomsten dezer goederen, en dit recht handhaafde de Overheid.
Eenigszins anders stond het met de geestelgke goederen, die vroeger aan de kloosters behoord hadden. Bet instituut van de plaatselijke Kerk bleef ook na de Reformatie bestaan. Maar met de kloosters was dit niet het geval. Die werden opgeruimd. Toch rekende de Overheid er mede, waar zij nu aan deze goederen een nieuwe bestemming te geven had, dat zij geschonken waren ad pios usus, of gelgk men het oudtgds uitdrukte „tot een heilig werk". Ze werden daarom door de Overheid nu bestemd deels voor het onderhoud van de predikanten, deels voor de opleiding van studenten in de theologie, deels voor de scholen en deels voor de armen. Zoo meende de Overheid, dat ook deze goederen hetnaastbg aan hun oorspronkelgke bestemming bleven beantwoorden.
Op zich zelf nu zou die regeling geen moeite hebben gebaard, wanneer de inkomsten dezer kerkelijke goederen, voorzoover zij dienden voor den pastoor of predikant der Kerk, voldoende waren geweest. Maar dit was op verreweg de meeste plaatsen niet het geval. De Kerken hebben daarom zelf bg de Overheid er op aangedrongen, dat deze de zorg voorde tractementen op zich nemen zou. En de Overheid, die zich als voedsterheer der Kerk beschouwde, nam deze taak op zich. Vooraoover de inkomsten niet voldoende waren, paste de Overheid het ontbrekende bg deels uit de geestelgke goederen, deels door het heffen van belastingen. En waar de Overheid, die nu keerde, het te lastig vond, om dat voor elke gemeente afzonderlgk te doen, heeft ze toen in meer dan één provincie deze kerkelijke en geestelijke goederen saamgebracht onder het bestuur van een zoogenaamd , geestelgk kantoor". De Overheid heeft daarmede niet het eigendomsrecht van deze kerkelgke goederen zich toegeëigend. Ze heeft alleen het beheer van deze goederen, die voor de Kerk bestemd waren, op zich genomen en uit de inkomsten, waarbg dan de belastingpenningen gevoegd werden, de traktementen betaald. Zelfs doet het er weinig toe, of de Overheid daarbg landerijen, die weinig opbrachten, verkocht heeft en door obligatiën vervangen. Elk beheerder heeft het recht dit te doen. Maar daaruit volgt niet, dat de Overheid het absolute beschikkingsrecht over deze kerkelgke goederen had, d.w.z. er mee kon doen wat ze wilde en deze goederen ook voor andere doeleinden kon gebruiken. De goederen waren ten dienste van de Kerk gegeven en de inkomsten moesten daarom, zooals ook de Overheid erkende, voor de Kerk big ven bestemd. Althans met de goederen, onder het beheer der geestelijke kantoren gesteld, is het steeds aldus geschied, en daarop komt het bg deze rechtsvraag alleen aan. Want bij deze rechtsvraag gaat het bgv. niet om zekere landergen, die de Overheid in Friesland indertijd verkocht heeft, omdat de gemeente niet genoeg wilde opbrengen voor het tractement van haar predikant, kerkelgke en geestelijke maar om de goederen, die onder het beheer van de geestelijke kantoren waren gesteld.
Bg de omwenteling toch, die tengevolge van de Fransche revolutie ook in ons vaderland plaats vond, kwam vanzelfde vraag op, wat nu met deze goederen moest geschieden. De Overheid hield op de Gereformeerde Kerk als de ware Christelijke Kerk te erkennen. Ze nam het standpunt in, dat elke bevoorrech-, ting van een bepaalde Kerk door de Overheid moest vervallen. Van een heerschende Kerk mocht geen sprake meer wezen. Dat de Nationale Vergadering in 1798 besloot, dat de uitkeering van tractementen, zooals die dusver door den Staat geschied was, nu zou ophouden en de gemeenten zelve moesten zorgen voor de bezoldiging harer Dienaren, was op zichzelf geen onrecht. Voorzoover de Overheid vroeger als voedsterheer der Kerk op zich genomen had de predikantstractementen te betalen, kon ziij thans, nu zg niet langer met de Kerk in verband wilde staan, deze betaling staken.'h Wat ik als vrije gunst geef, mag ik ook even vrg terugnemen.
Indien deze betaling van de Overheid dan ook uitsluitend had plaats gevonden uit eigen middelen, dan ware tegen dit besluit niets in te brengen geweest.
Maar dit was niet zoo. Voor een niet onbelangrgk deel geschiedde deze betaling uit de kerkelgke en geestelijke goederen, en de vraag was nu wat met dese goe-' deren geschieden moest. Inplaats dat de Nationale Vergadering deze goederen aan de Kerk terugschonk of over de verschillende Kerken verdeelde, werden zg nu tot nationaal eigendom verklaard, evenals de goederen der uitgeweken stadhoudersgezinden. „Alle geestelgke goederen en fondsen, 3) zoo werd bepaald, waaruit te voren de tractementen of pensioenen der toenmaals heerechende Kerk betaald werden, worden Nationaal verklaard, om tot een vast fonds te worden aangelegd voor de nationale opvoeding en ter bezorging der behoeftigen". Zoo meende men, al werden deze goederen aan de Kerk onttrokken, toch hun pieuse bestemming te kunnen handhaven, want ze werden nu bestemd voor het onderwijs en de armenzorg. Ea ook vroeger had de Overheid onderwgs en armenzorg immers onderrd^ pieuse doeleinden gerekend. Alleen de Kerk werd nu buitengesloten. Zij zou van deze inkomsten niet meer proflteeren.
Het gaat over de rechtmatigheid van dit besluit. Of er toen, al dan niet, roof aan de Kerken is gepleegd?
1) W. H. DE SAVORNIN LOHMAN Dg Kerkgebouwen van de Gereformeerde {Hervormde) Kerk in Nederland, 1888, blz. 162.
2) a. h. w. blz. 127, 128.
3) De Nationale Vergadering spreekt hier van geestelijke goederen, maar hiermede zijn niet bedoeld de oude kloostergoederen, waarover de Overheid een vrijere beschikking had, maar de goederen behoorende tot de geestelijke kantoren, die voor een groot deel uit kerkelijke goederen bestonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's