Stichtelijke overdenking.
En Hij zeide tot hen: wat is het dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders ? Lukas 2 : 49.
In de dingen Mijns Vaders.
Er is in den Godsdienst bij velen vaak een element van slaafsche vrees, zoodat men denkt aan den dienst des Heeron en zich schikt in zijn godedienstplichten, uit vrees, uit angst dat het anders niet goed zal afloopen. Men leest dan in den Bgbel, niet omdat er een lust is om Gods Woord te onderzoeken, maar omdat men de roede van het oordeel vreest en beangst is dat men er nadeel van hebben zal. Evenals een slaaf alleen werkt, omdat hij, als hg het niet deed, slaag zou krggen. Dan gaat men naar de kerk, omdat het zoo moet, niet wijl er begeerte is om den Heere gemeenschappelijk te eeren, of omdat er liefde is voor het Evangelie der genade. Ongetwijfeld wordt de mensch door deze slaafsche vrees weerhouden van menig kwaad, waarin hij wel zou vallen als hij niet bang voor God ware en geen angst had voor de eeuwigheid, maar een teeken van genade ligt er niet in. In den waren godsdienst is geen slaafsche vrees. De volmaakte liefde drijft er haar uit. De zonde wordt dan om haar zelf gevreesd en niet om hare gevolgen. De wil des Heeren is dan het voorwerp van stille overpeinzing, en er is een lust om in de kennis des Heeren in te dringen, afgezien van den zegen die daaraan verbonden is. Zonder de minste bijgedachte den Heere te willen kennen en Zijn wegen te bewandelen, is een kenmerk van de ware vreese Gods En men stemt in met den wensch van den psalmist: 'k Waar liever een dorpelwachter in het Huis des Heeren dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.
Hij, die aldus gezind mag zijn, heeft bitter te klagen over zgn zondig' hart. »üwe getuigenissen zqn mijne vermakingen". Dit is een heerlijke belijdenis van Gods kind. Maar onmiddellijk daarna klinkt de diepe toon: „Mqn ziel kleeft aan het stof". Wel lust te hebben om den Heere te dienen en geen kracht om daaraan te beantwoorden, om in die heilige sfeer té leven, brengt in de diepte der verootmoediging. Uit die diepte rijst dan de roem op in de genade des Heeren en de volmondige erkentenis dat ook de vermakingen in Zijn getuigenissen een vrucht zijn niet van eigen akker maar van Hem, den Zaligmaker, Wiens lust het was te zijn in de dingen Zijns Vaders.
Op twaalfjarigen leeftijd werd men in Israël „Zoon der Wet". Dan was men aan de verplichtingen van vasten onderworpen, terwijl men het recht verkreeg om het onderwijs der Joodsche leeraren bij te wonen. En daar zat dan ook de Heere Jezus in het midden van Jeruzalems wgzen. Door Zijn vragen, zoowel als door Zqn antwoorden, toonde Hg de grootheid van Zijn verstand en Zijn helder inzicht.
Onderwgl zoeken Hem Zgn ouders. Zg gaan daartoe een dagreis buiten Jeruzalem en zoeken Hem onder de verwanten en bekenden, maar vinden Hem niet. Zg gingen weer terug, met toenemende onrust. Daarna hebben zg Hem blgkbaar nog een ganschen dag te Jeruzalem gezocht, totdat zg, nu in grooten angst verkeerende, Hem^ndelgk vonden in den tempel. „Kind", zeide Zgne moeder tot Hem, „waarom hebt Gij ons zoo gedaan ? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht".
De Heere Jezus spreekt dan de eerste woorden, die van Hem ons zijn geopenbaard, woorden van vermanende liefde, woorden van een liefdevolle, heerlgke belijdenis. Niet dat zij Hem gezocht hebben, duidt Hg hun ten kwade. Hoe zou Hg dat kunnen, daar zij toch niet anders deden dan wat van rechtgeaarde ouders te wachten was? Maar wél, dat zij Hem op die wijze zochten, met angst en onrust, overal en eerst tenslotte in den tempel, dat is het verwijt dat hen trof. Dat zij in hun zoeken deden zooals alle andere ouders zouden doen; dat zij in hun soeken zoo heel gewoon waren, zoo heel natuurlijk, dat was het verkeerde. Was Maria dan geheel vergeten welk een heilig kind zg gebaard had? Welke woorden haar door den engel toegesproken waren ? Wat er gebeurd was in Bethlehems velden ? Wat de herders gezegd hadden, de grgze Simeon, de profetes Anna, de wijzen uit het Oosten? Waren al die dingen nu voor haar een toegesloten boek ? En liet zg zich nu alleen maar leiden door de ;liefde tot haar kind? Had de liefde voor haar kind het gewonnen van de liefde voor des Heeren belofte en woord ? , , ., O, Maria, Moeder des Heeren, kom tot bezinning I Gij moet uw kind verliezen, om den van den Vader Gezondene in Hem te aanschouwen I.... Niet waar ? Als zij aan de Goddelijke zending haars Zoons gedachtig ware geweest, de eerste plaats waar zij Hem gezocht en met blijdschap gevonden zou hebben was de tempel des Heeren. Zij moest haar kind verliezen, om den Christus in Hem te vinden. Het zwaard zou door haar ziel gaan. Zoo had Simeon voorspeld. Als de Heiland aan het kruishout sterven zou, zou de zoon van het moederhart wreed worden losgesneden. Maar haar Verlosser, door het kruis, zou zg terug ontvangen. Door deze vragende woorden van den twaalfjarigen Jezus werd zij daartoe reeds voorbereid en geoefend.
„Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? " In volle zelfbewustheid sprak Hij zoo. Een lichtstraal uit de eeuwigheid was het, die Hem verlichtte.
In de dingen Zijns Vaders. In het huis Zgns Vaders, vertalen sommigen. Wg zullen niet uitmaken hoe het moet wezen. Dit worde ondertusschen wel bedacht dat de tempel van Jeruzalem het middelpunt was van het geestelijke leven, van alles wat het Koninkrijk Gods aanging, van de dingen des Vaders. De ijver voor dat Huis heeft Hem verteerd. Hg was in de dingen Zijns Vaders, toen de woorden van Israels leeraren voor Hem geest en leven, waren. De woorden Gods leefden in Zgn ziel en Zgn ziel leefde in de Openbaring Zgns Vaders. De band die er was tusschen den Vader en Hem beheerschte Hem, leidde Hem geheel, en de gedachte aan Jozef en Maria was in Hem op den achtergrond.
„Wist gij niet dat Ik moet zgn in de dingen Mijns Vaders? " En in onze gedachten volgen wg Hem in Zgn omwandeling op aarde. Hg zocht het verlorene op. Hg bestrafte de zonde. Hg troostte den moedelooze. Hg was bg dit alles in het heiligdom, ook al was Hij lichamelgk ver van Jeruzalems tempel verwijderd. Hg ademde in het heilige. Hij leefde in den kring van Gods neerdalende liefde. En Zgne voeten waren altgd gereed om in dien tempel Zijns Vaders te wandelen.
Hg was in de dingen Zijns Vaders, toen Hij het groote Verlossers-werk tot stand bracht, toen Hij leed en stierf om voor de zonde Zijns volks te boeten, hun schuld te betalen. En als Hg dan opstaat uit de dooden, en daarna inging in het hemelsche heiligdom, dan bleef Hg in de dingen Zijns Vaders, zoo zeker als Hg nog heden ter rechterhand Gods is en voor Zijn Gemeente bidt. In dit alles was het en is het Zijn blijdschap en lust dat het recht Zijns Vaders zgn loop heeft, dat Diens eeuwige liefde tot openbaring komt, dat Diens Naam geprezen en het Evangelie Gods eeuw uit eeuw in verkondigd wordt., ., Hij moet zijn in de dingen Zgns Vaders, wijl Hij van eeuwigheid daartoe is aangewezen; de profeten in dien zin van Hem profeteerden. Er was ook anders geen weg ter zaligheid mogelijk ., ., En voorts, als Hij met Zijn ontdekkende en vertroostende genade nog werkt in onze ziel, is Hij niet minder bezig in de dingen Zijns Vaders. Ja, de eerste woorden, van den Heiland geopenbaard, hebben een verre, een eeuwige strekking en vormen eene belgdenis die tintelt van onmetelgke liefde voor den Naam des Heeren en de redding van verlorenen.
Het moet ons boven alles gaan om de vraag, welke beteekenis deze woorden voor ons persoonlgk hebben. De dingen van den hemelschen Vader zijn ons vreemd geworden. Het zal van harte worden toegestemd door hem die zich leerde kennen door het licht des Geestes. Zooals gij, mijn lezer, woont in uw huis, elke kamer, elk hoekje u.bekend is en gij u altijd nog maar het beste in uw woning gevoelt •, .. zóó ook u thuis te gevoelen in de gedachten, in de kennis Gods! Zóó moest het wezen. Spiegel u daarin en ach, wat zijn we verre daarvan weggezonken. De dingen Gods zijn ons vreemd geworden. De lust in de kennis van 's Heeren wegen is van ons geweken. Wij zgn in iets anders thuis geraakt. In een leven zonder God, vervreemd van het burgerschap Israels en de verbonden der belofte. Het wordt bevestigd door het feil dat de mensch van dag tot dag zonder God voortleeft, alle dagen bezig is met de dingen dezer wereld, en den Zondag er nog bijtrekt om met zijn gedachten te woelen en te werken in hetgeen tot deze tijdelijke wereld behoort. De mensch heeft daar vrede bij, schikt zich kalm in deze levenssfeer. Hg is thuis geworden in een wereld zonder God, zonder het beginsel des eeuwigen levens, in een wereld der zonde.
Hiervoor moeten, in den weg van zelfkennis, onze oogen open gaan. En de vraag komt tot ons: Wist gij niet dat gij, o mensch, moet zijn in de dingen des Vaders ? Wist gij het heusch niet ? .., Wist gij het niet dat Hem, die uw Maker is (en in dezen zin uw Vader) toekomen uw hart, uw krachten, uw willen en begeeren? ...
Zg zullen komen met geween en smeeking. Omdat smartvol de kennis is onzer totale verlorenheid.
Maar dan is Christus de rijke Plaatsbekleeder voor totaal-verlorenen. Hij was toch, ten behoeve van Zgn Gemeente, in de dingen Zijns Vaders. En wat gij, arme weenende ziel, in der eeuwigheid niet meer doen kunt, heeft Hij voor u gedaan. Er ligt in deze vragende woorden van den Heiland een Evangelie van eeuwige liefde. Immers, dit is het rustpunt van vrede en zaligheid, als ik door het geloof mag weten dat Christus voor mij was in de dingen Zijns Vaders.
De genade van Jezus Christus is als een schild en beveiliging, ten eeuwigen leven.
Zg is het heiligdom, waarin Gods kind wordt ingezet. Zij is een woning van rondom. Een woning waarin hij zich gaat thuis gevoelen. Welken kant hij dan ook uitziet, de muren rechts en links, vóór zich en achter zich, het dak boven zijn hoofd ., , , het is de genade des Kruises, waardoor hg van alle kanten is beveiligd. „Eén ding heb ik begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik alle de dagen mqns levens mag wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zgnen tempel".
Er is dan lieflijkheid in Gods Woord, waardoor die genade geopenbaard wordt. prediking van het Evangelie der genade.' Er is een lust om bij het volk des Heeren te wezen, dat van genade getuigt.
En 't is ons nog een voorrecht dat wij in onzen levenswandel iets van die genade aan anderen mogen zichtbaar maken.
De genade van Jezus Christus is geworden de sfeer waarin wg ademen, de woning waarin wij onsthuis gevoelen, en wg zeggen van ganscher harte: Ja, Heere, ik weet nu dat Gij zijn moet in de dingen Uws Vaders; ik weet ook dat ik mag zgn in de dingen des Vaders, die Uw Vader en mijn Vader, Uw God en mgn God is.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's