Uit de Pers.
Staat en kerkgenootschappen.
Prof. mr. R. Kranenburg schrgft in De Opbouw, dat de verhouding van den •staat tegenover de kerkgenootschappen gescheiden moet worden gehouden van de vraag betreffende de verhouding van den staat ten opzichte van kunst en wetenschap. Verder dringt hij er bg zgn partg (V.-D. B.) op aan, eiken aandrang te steunen om de financieele banden tusschen staat en kerkgenootschappen zooveel mogelijk los te maken en, indien het zonder onrecht kan, liefst te verbreken.
Da staat mag zeker nooit den rechtsgrondslag van de tegenwoordige betrekkingen verlaten. De geschiedenis toont nu, zooals in het vorig artikel bleek, aan, dat de rechtsgrondslag is gelegen in de overbrenging van belangrgke kerke-Igke goederen en fondsen in 's rijks schatkist in 1808. 'Je regeling van de verhouding moet dus billgkerwgze gevonden worden in overleg met de kerkgenootschappen zelve. Een éénzijdige verandering van de fiaancieele strekking door den staat zelven sehgnt mij niei zo ader bedenking. Al kan de wetgever formeel éenzgdig regelen, hier hebben wij een voorbeeld van een soort regaling, waarbij de staat met groote omachugheid van die bevoegdheid gebruik moet maken, en wel, omdat hij tevens partij is. Hier is dus de weg aangewezen om tot minnelijke afwikkeling van de bestaande verhouding te komen. Blijkt dat onmogelijk, dan zou, naar het mg voorkomt, liever de tegenwoordige verhouding, al is deze niet bevredigend, moeten blij ven bestaan, dan dat bij de wederpartij het gevoel wordt gewekt, dat de staatsgemeenschap van haar regelings-bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om bestaande rechtsverhoudingen éenzgdig te veranderen, misschien door (dit zou het ergste zgn) sommige groepen uit de gemeenschap te bevoordeelen boven de andere.
Dit vooropgesteld, komt het schr. voor, dat de poging tot oplossing van de moeilijkheden, door den heer Beelaerts van Blokland gedaan, als grondslag van een billgke regeling aannemelijk is. Dit lid van de Staatscommissie voor de grondwetsherziening van 1887 wilde verbreking van den financieelen band, kapitaliseering van de op het tgdstip der grondwetsherziening aan de onderscheiden godsdienstige gezindheden toegekende fiaancieele uitkeeringen en inschrgving van het op die wijze vastgestelde bedrag ten name der gezindheden in een der grootboeken van de nationale schuld,
In het Antirev. dagblad „de Nieuwe Haagsche Courant", lazen we onlangs onderstaand artikel, dat betrekking heeft op onze Christelijke Scholen en wat we hier gaarne, met volle instemming, overnemen. Het luidt:
Nieuwe strijd.
„Ons christelijk onderwijs beleeft hoop volle en tot dankbaarheid stemmende tijden. De felheid van den jarenlangen met alle scherpte gevoerden schoolstrijd wijkt voor een mildere en vriendelgker stemming, en we verkeeren in een atmosfeer van pacificatie en toenadering. De dagen van druk en zorgen zgn zoo goed als voorbg. De nieuwe salariswetten gaven den onderwijzers aanmerkelijke verruiming. De nieuwe schoolwet brengt het onderwgs zelf gelijkstelling en eerherstel, en wg kunnen niet dankbaar genoeg zgn voor hetgeen de Heere ons in den arbeid van minister de Visser geschonken heeft. Al is het ook, dat niet alle wenschen vervuld en alle idealen gerealiseerd worden, wat we ontvingen en wat we nog te wachten hebben, geeft overvloedige stof om ons te verheugen over de boven-ons-hopen uitgaande bekroning van de worsteling voor het recht der vrije school.
Doch deze blgdschap is geen verheugen zonder beving. We kennen geen lichtenden dag en geen zonneschgn of er vallen ook schaduwen, en de dag der vrgheid, die voor het christelgk onderwijs tot de middaghoogte klimt, is van schaduwen niet vrg. Er dreigen straks ernstige! gevaren. De nadering der gelijkstelling noodzaakt ons op onze hoede te zgn, en al zal de politieke worsteling, gelgk ze tot dusverre gevoerd is, ten deele kunnen gestaakt worden, voor de onbezorgde rust der overwinning is het geen tgd, en we worden uit de tent, waarin we ons zegefeest vierden, geroepen tot een nieuwen en niet minder ernstigen schoolstrgd. Waarin deze strijd zal bestaan? Hg zal een veelzijdig karakter dragen, omdat de nieuwe toestand, die straks zal intreden, ons voor verschillende vragen plaatst, en we naar meer dan een zgde te waken hebbei, doch een eerste kenmerk van deze worsteling ia wel dit, dat we ons moeten wapenen tegen innerlgke verslapping.
Wat toch is het geval? Straks zal de gouden eeuw der financieele gelgkheid aanbreken. De publieke kassen staan ten onzen dienste. Salarissen en kosten van onderhoud worden door den Staat vergoed. Over den bouw van scholen behoeven we ons niet meer bezorgd te maken, en er is geen noodlgdende schoolvereeniging meer, die haar keel heesch roept om steun, en door dikwerf lastige collectanten stad en land afbedelt. Gelukkig! maar... nog altgd heeft de vetgeworden Jeschurun neiging om achteruit te slaan, en de historie van ons vaderland heeft geleerd, dat de gouden ketenen, die ons aan den Staat binden, voor den geestelgken bloei veel gevaarlgker zgn dan de ijzeren boeien van den druk en de politieke onvrgheid. Onder den druk bloeit immers de liefde in haar heerlgkste kracht. In den strgd om de vrgheid ontplooit zich het beginsel in zijn rgke belijndheid en bezielende sterkte. Temidden der materieele moeiten omklemt het geestelgke de harten en laat ze niet los, maar dringt ze tot gedurige offers, en als ge het boek van den Schoolstrijd openslaat zgn die bladzijden het schoonst die u spreken van het heilig verzet tegen fel-gedreven vijandschap en liberale tegenkanting.
Die spanning wgkt als de voorspoed komt. Dan loopt, bg fiaancieele onbezorgdheid, de liefde gevaar om te verflauwen, en wordt de stuwkracht van het beginsel niet in die sterke mate gevoeld als in den druk. Alles gaat immers van zelf. Wg behoeven schier geen offers meer te brengen. De stichting van een nieuwe school kost weinig geestelgke energie. Het is voor een groot deel een kwestie van administratie, en... dat gevaar moeten wg eerlgk en onbevangen onder de oogen zien, Doen we 't niet, de ontgoocheling kan wel eens bitterder zgn dan wg vermoeden, want niet alleen werkt de geldelijke afhankelijkheid van den Staat in het algemeen reeds ongunstig op het geestelijk element, doch het geslacht, dat thans opkomt, heeft de hitte .van den schoolstrijd niet gekend, en weet niet uit eigen ervaring, welke groote offers geëischt en blijde gebracht werden.
Met beginsel dient daarom met kracht op den voorgrond te worden gesteld. Het christelijk karakter onzer scholen moet geaccentueerd worden; en wij moeten meer nog dan vroeger laten uitkomen dat het ons in dat onderwijs te doen is om het waarachtig geestelijk belang van het kind De strijd om het kind, en om het eeuwig heil der kinderen mag niet verslappen, en in dien zin bereiden wij ons voor op een nieuwen schoolstrgd. Ging het in dien schoolkamp alleen om subsidie en om schooltje te spelen, we konden thans gevoegelgk rust nemen en rentenieren van het vergaderde kapitaal, doch waar ons de eisch van 's Heeren Woord drijft, en de hoogste opvoeding van het kind ons ideaal is, kan er van beëindiging geen sprake zijn. Het kind laten we niet los. Zgn vorming geven wij niet prijs. Zgn toekomst dragen we niet aan den tegenstander over, en om Jezus' wil eischen we dat kind op voor Hem, die de kleinen tot Zich geroepen heeft.
Dat vooropstellen van het principe legt op ons allen een dure roeping. Op de onderwijzers, want het is hun taak om bg de geldelgke verruiming, die zg na jaren van ontbering genieten, te doen blijken dat zij het Christelgk onderwgs dienen met de liefde van hun hart en om de wille van de roeping Gods, Wie deze overtuiging mist kome m onze scholen niet. Wie uit dat beginsel niet leeft is tot dezen arbeid onbekwaam. Wie aan dat heilig vuur vreemd is, kan geen waarachtig christelgk onderwgzer zgn, en we hebben bij de verscherping der geestelijke eischen, mannen en vrouwen noodig, die zich aan het onderwijs geven om Christus' wil, en het dienen willen, ook al keert de dag der ruimte zich in den nacht van nood en opoffering.
Doch er is ook een taak voor besturen en ouders en voor ons allen. Wij zullen ons heg veren onze scholen zoo goed mogelgk te maken, en , ... dan is het beste voor het kind niet te goed. God vraagt van ons nu vooral toewgding en liefde. Hg eischt meer dan ooit meeleven en gebed. Hg vraagt ook thans offervaardigheid en bereidheid totfinancieelen steun. Hij wil dat wij, nu de druk is verlicht, in overgegevenheid des harten en in zelfverloochening niet verflauwen, en wg hebben te bewgzen, dat onze liefde in diepere motieven wortelt dan in begeerte naar subsidie. Onze actie moet haar hooggeestelgk élan behouden. Wg mogen in beginselvastheid bg onze vaderen niet achterstaan, en dan alleen zal het goud der christelijkheid blijken van het echte karaat te zijn als we ona dicht houden bg het Woord des Heeren.
Onze scholen blijven scholen met den Bijbel. Zij willen waarlgk christelijke scholen zgn. Dat predicaat laten we niet los, en voor dat geestelgk karakter hebben we vooral in den komenden tgd den strijd I te voeren".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's