De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

X.
De betrekkelijke rust, waarin de Kerk na de Synode van Dordrecht verkeerde, en de algemeene toestemming, die zij onder hare leden voor haar belijdenis vond, stelde haar voor andere vragen dan die zich vóórdeden in de periode van strgd.

Het kwam duidelgk genoeg aan den dag, dat het ware leven der wedergeboorte ontbrak, althans geen vruchten vertoonde ter eere Gods bij velen, die toch uiterlgk met de belijdenis der Kerk instemden en tot de geloovigen werden gerekend.

Zoo deed zich eenerzgds de vraag vóór : waarin vindt de „geloovige" de kenmerken, die hem recht geven, zichzelf voor een waar kind van God te houden ? En anderzijds: hoe wordt de rechte verbinding gevonden tusschen de belgdenis en het leven, tusschen dogmatische overtuiging en dadelgke gehoorzaamheid aan het goddelgk gebod?

De godgeleerden, die een antwoord op deze laatste vraag hebben trachten te formuleeren, hebben dat gedaan in het juist besef, dat die verbinding moest kunnen worden gevonden, en dat een scheiding tusschen deze beide schadelgk moest zgn voor den ernst en de diepte van het christelijk leven.

En vele predikers, die er op aandrongen, dat een belgder met een historisch geloof en met een bloote toestemming van de waarheid niet tevreden moest zijn, maar zich moest afvragen, of hg waarlgk de kenmerken van een oprecht geloof in zichzelf aantrof, hebben het gevaar ingezien van een dood geloof en een valsche gerustheid.

Maar of de weg tot genezing, dien ziij aanwezen, wel altijd de rechte geweest is?

In ieder geval kan het zgn nut hebben, met een enkel woord te herinneren aan den uitweg, dien sommigen hunner uit de moeilgkheden gezocht hebben.

Eigenaardig is de oplossing, die bijv. Amesius trachtte te geven in zgne omschrgving van de taak en het wezen der godgeleerdheid.

Hij omschrijft de theologie als „de leer (of wetenschap) om Gode te leven."

Daarin wijkt hg in de formuleering waarschijnlijk bewust en met opzet af van William Perkins, die de theologie noemde „de wetenschap om eeuwig, gelukzalig te leven, welke ontstaat uit de kennisse Gods."

Terwgl bij Perkins eenerzgds het verband wordt vastgehouden met de kennis Gods, komt in de formuleering van Amesius, die spreekt niet van een wetenschap om gelukzalig, maar om Gode te leven, meer het gereformeerd beginsel tot zgn recht der Souvereiniteit Gods.

Wat Gode toekomt, waarop Hij recht heeft, dat staat bg hem voorop. En uit dat besef is ook de omschrgring te verklaren, die hg geeft van de theologie

Wij mogen hierin een poging zien, om het intellectualisme uit de theologie te weren, een poging om te voorkomen of af te snijden, dat de theologie zou beperkt of teruggedrongen worden tot het terrein der speculaties, en haar practisch-religieus karakter verspelen.

Herhaaldelijk heeft Amesius ook voor zijne leerlingen op dit practisch karakter der theologie den nadruk gelegd. Hg heeft hen gewaarschuwd, dat zij niet enkel een zaak van het verstand moest zijn, niet zetelen moest in het intellect of het geheugen, maar doordringen tot het hart zelf.

Van de scholastieke spitsvondigheden en de spitsvondige disputeermanieren had hij een afkeer en maande hij af. De theologie is volgens hem practisch, nief. speculatief.

Amesius neemt door zgne formuleeringen positie in een vraag, die telkens in één of anderen vorm zich zou voordoen, n.l. naar den voorrang of van het intellect, óf van den wil.

Hij koos, anders dan bgv, Maccovius, voor het laatste, waarmede ook samenhangt de opvatting, die hg voorstaat aangaande het geloof.

Het geloof, zoo zegt hij, is het rusten van het hart in God als den auteur van alle leven, van het eeuwig heil, zóódat wij door God uit alle kwaad verlost worden en van Hem alle goed ontvangen." „Onder „gelooven" verstaat men gewoonlgk de daad van het verstand, waardoor men een getuigenis toestemt. Tevens echter duidt het ook de wilsdaad aan, die zich het goede tracht eigen te maken. Deze wilsdaad is het eigenlijke constitutieve element in het begrip van geloof."

Doordat gansch de theologie van Amesius een wetensehap des geloqfs was, lag bg hem nog een echt protestantsch calvinistische heils-verzekerdheid aan alles* ten gronde. Hg wilde niets weten van een godskennis, een theologie en een wetenschap van het zedelijk leven, die op de basis van het natuurlgk leven zouden worden opgebouwd.

Het geestelijk leven is door God gewerkt, en de theologie heeft haar kenbron uitsluitend in de openbaring Gods,

Waar nu, gelgk in dit geval, het geloof , zóó principieel in het midden wordt gezet en het alles drijvend en beheerschend beginsel is, werkt het als een levende  kracht.

Daar komt het ook nog niet tot een reflectie over eigen welstand, omdat het daar klopt in gezonde kracht. Daar wordt zo nog niet gezocht in eigen binnenste, om de kenmerken op te sporen en angstvallig te toetsen, of men wel waarlgk het zaligmakend geloof bezit.

Toch treff'en wg ook bg Amesius reeds een begin van die reflectie aan, waarbij de kennis van den staat des menschen min of meer losgemaakt wordt van het geloof. Wanneer hij de vraag stelt, met welke merkteekenen de gewisheid der roeping en krachtige genade kan bevestigd worden, wgst hg in het antwoord ook wel naar het geloof in Christus en de bekeering tot God, door de krachtige roeping teweeggebracht; maar meer  aandacht wordt toch in dit verband gewijd aan andere kenmerken

Zoo wordt er gesproken: lo. Van een standvastige neiging van den wil tot God als het hoogste goed. Want in de genieting Gods stelt niemand zgn hoogste goed, tenzg hij van God geroepen is uit de wereld, en bekeerd van de afgoden, die hg zich in het hart  had opgericht, 2o. Een toeleg en bereidheid van gemoed om God in alles te hooren en te gehoorzamen. Want zoo beantwoordt een mensch een roepend God en wordt een geroepene. 3o. Een heftig verlangen naar Gods Woord. 4o. Een zonderlinge liefde tot degenen, die uit hetzelfde zaad en bloed herboren worden. 

Bg Amesius is dit alles nog niet losgewikkeld uit het verband van het in den juisten zin opgevat geloof.

Doch allengs zien wg een geestesrichting en geestes-gesteldheid opkomen, die op een dergelgken weg de geloofsverzekerdheid zoeken gaat.

En dat te eer, omdat eenerzgds het „geloof" eenzijdig beperkt werd tot een functie van het verlicht verstand, anderzgds de gehoorzaamheid aan de geboden Gods, het betrachten van Zijne wet, niet meer werd gezien als een vrucht des geloofs, als eene geloofsgehoorzaamheid.

Maar al te veel werd de aandacht der vromen bepaald bg hun eigen gewaarwordingen en gevoelens. Zg leerden hun geestelijk leven controleeren en registreeren, en lagen van de resultaten van dergelgke waarnemingen den staat hunner geestelijke gezondheid af, zooals een dokter de temperatuur-lijst van zgn patiënt controleert.

Tot welke bedenkelijke gevolgen zulk een wijze van doen kan leiden, springt in het oog. Geestelijke oefening moge voortreffelijk zijn, en nauwgezet zelfonderzoek een eisch, waarop het Woord Gods telkens aandringt, waar moet het heen met den aan zichzelf ontdekten en zichzelf ontdekkenden zondaar, als hij bg zichzelf blgft bepaald, als hij in zichzelf zal willen vinden, wat hg alleen kan bezitten in het geloof, dat hern buiten zichzelf uitwijst?

En toch, niet weinigen wezen dien weg uit, en zeer velen lieten zich dien weg op-wij zen.

In dien weg wordt het geestelijk leven van den enkele tot object gemaakt van gedurige reflectie. Het geestelgk leven wordt cptleed, onder het microscoop genomen, de geestelijke ervaringen beschreven, en ze zoekt het bewustzijn een antwoord op de vraag, of werkelijk het recht aanwezig is, zich onder de kinderen Gods te rekenen.

In plaats van een onmiddellgke daad en openbaring van het geloof wordt op deze wijze het bèsef en de zekerheid van het kindschap Gods de vrucht van een sluitrede; het is niet meer een onmiddellijk besef, waarin de geloovige lust, maar een conclusie, waartoe hg komen moet, en die hg telkens opnieuw heeft te toetsen op haar juistheid.

Een invloedrijk en beteekenisvol vertegenwoordiger van deze methode is de bekende prediker Willem Teellinck ; hij maakt nadrukkelgk een scheiding tuschen het ware, zaligmakend geloof en de verzekerdheid des heils.

Deze vaste verzekerdheid komt, volgens hem, vroeg of laat door Gods genade uit het ware geloof voort; maar de eerste werking van het ware geloof is het niet. Want dit is gewis en zeker, wij moeten tevoren den Heere Jezus Christus aangenomen hebben eer dat wij verzekerd kunnen zijn van onse zaligheid.

„De zekerheid des geloofs, zoo zegt Teellinck, is een van de allertroostelijkste werkingen van het geloof, maar wordt niet altijd van een ieder mensch, die toch het ware geloof heeft, bereikt. Hierop moet men wel letten. Want mmers, te zeggen, dat te gelooven in Christus, is, zich te verzekeren dat men door Christus zal zalig worden, bedroeft de harten veler geloovigen die God niet bedroeft; want velen hebben die verzekerdheid niet ten tijde van aanvechting, wanneer zij zwak zijn, en meest troost van noode hebben, daar zij nochtans ware geloovigen zgn, en hoorende, dat in Christus te gelooven is, zich te verzekeren, dat men door Christus zal zalig worden, en dit niet in zich vindende, verschrikken zg zeer, zinken gansch neer en willen noch kunnen zich laten troosten zoolang zij in dat gevoelen zijn

Wel schrijft de Heilige Schrift den geoovigen dikwgls groote verzekerdheid der zaligheid toe óf der gunst Gods jegens hen, of zij vereischt een verzekerdheid des geloofs als Hebr. 10 vs. 22, Doch dit bewgst niet, dat te gelooven in Christus, is zich dadelijk te verzekeren, dat men door Christus zal zalig worden, maar alleen, dat degenen, die in Christus gelooven, niet alleen mogen maar ook behoorden zch te verzekeren van hun zaligheid.

Hier wordt dus het geloof van de heilsrzekerdheid duidelgk gescheiden. Niet, alsof Teellinck van meening ware, dat de zekerheid onbereikbaar zou zgn. In geenen deele. Hg wijst den weg, om tot die begeerde zekerheid te komen, en geeft in meer dan èèn geschrift aan, wat de geloovige te doen en wat hg in zichzelf te vinden heeft, zal de zoozeer begeerde zekerheid zgn deel worden

Hoe Teellinck zich dit voorstelt, hopen wg in het volgende artikel uiteen te zetten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's