Stichtelijke overdenking.
Deze zal groot zijn. Luk. 1 : 32a.
De natuurlijke mensch heeft geen oog voor de grootheid van Christus, die geschouwd wordt met het oog des geloofs. De wereld ziet niets bijzonders in het Kindeke, dat daar hulpeloos neerlag in de kribbe van Bethlehem. En als straks in den tempel 'n Simeon en een Anna hunne zielsblijdschap uitjubelen om den jonggeborene, dan zijn deze oude menschen reine raadselen in 't oog der omstanders. Eilieve, wat is er nu voor bgzonders aan dat kind ? Later, als leeraar onder 't volk, moge Hg voor een tijd door de kracht van Zijn Woord en wonderwerken indruk gemaakt hebben, het Evangelie is daar om te bewijzen, dat Hij geen grootheid heeft gezocht, die Hem in 't oog der schare verheffen kon, en dat de groote massa van het volk ten slotte niets bijzonders in Hem vond en zóo zeer in Hem was teleurgesteld, dat zij zonder aarzeling mee instemde met den kreet: Weg met dezen
Dat is niet anders geworden. Blind voor de ware grootheid van Christus gaan Hem velen voorbg, omdat zg niets bijzonders in Hem zien; niets, dat indruk op hen maakt, en zoo leveren zg 'tbewgs, dat de natuurlgke mensch onbekwaam is tot het Koninkrijk Gods en niets verstaat van de dingen Gods, maar hij gaat niet ongewaarschuwd heen naar zijn eigen plaats.
Deze zal groot zijn; dit woord, dat ons Zgne ware grootheid herinnert, klinkt ons tegen, opdat wij om de ontstentenis van alle uiterlgke grootheid in Zijne verschgniog er niet aan zullen wanhopen, of Hg wel ooit in staat zal zgn om de zware taak, die Hem wacht, tot n'goed einde te brengen.
Wel wacht Hem een zware taak:
God en mensch, hemel en aarde, geest en stof zijn uit elkaar geslagen door de zonde: die moeten tot één gebracht worden.
Gods schepping is aan de dienstbaarheid der verderfenis onderworpen; die die moet bevrijd van haar boeien en banden; dit heerlgke huis Gods, door den bliksem der zonde in puin geworpen, moet opgericht; daar moeten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde komen, waarop gerechtigheid wonen zal.
De denkers der eeuwen en de grooten en edelen der volken hebben gezonnen en gezwoegd, om den verscheurden band weer aan te hechten, om 'tin puin gevallen huis weer op te richten, maar vruchteloos, want daar werd niet één steen op den ander gelegd.
Aan den eisch van 't geschonden Recht Gods moet voldaan worden.
De Wet, die schrikwekkende Cherub met 't scherpgewette zwaard, dat zich om en om keert op den weg naar den Boom des levens, zij moet bevredigd, opdat de wrekende Cherub zgn sehrikkelgk wraakzwaard zal opsteken, en den mensch rustig doorlaten om zich te verzadigen aan de vruchten van den Boom. Maar de grootsten van ons geslacht hebben zich vruchleloos ingespannen en 't einde van hun folterend zelfkwellen was, dat uit de werken der wet geen vleesch voor God rechtvaardig wordt.
De toorn Gods, die brandt tegen de zonde des volks, moet gedragen; die oneindig zware last moet opgenomen en weggedragen worden naar de zee der vergetelheid.
De schuld moet betaald, de afgrond doorworsteld, wat aller menschen en engelenkracht ver te boven gaat.
De helleburcht moet bestormd; de kop der slang verbrgzeld; Satan, de overweldiger der menschenziel, moet in boeien geklonken ; de doodsvganden van Gods Kerk moeten aan banden gelegd, zóó dat zij tegen Zgnen wil zich roeren noeh bewegen kunnen.
't Zondaarshart, dat koude, doffe, onwillige hart, moet verbroken, verteederd, beschaamd, gewillig, opmerkzaam en begeerig gemaakt worden, en daar is niemand, die er macht over heeft; eer zou een moorman zgn huid en een luipaard zgn vlekken veranderen; wie zal 't temmen, leer en stil maken, reinigen en louteren, zóó dat het uitroepen leert: Hoe lief heb ik Uwe Wet!
Dit alles, en zooveel meer nog, is de taak, die op deze schouders rust.
Wel mag dus 'fc woord uitgaan, dat Zijne gróotheid uitroept.
Waarin die grootheid bestaat? Hg is de Zoon des Allerhoogsten ; in Hem daalt God zelf van den hemel neer, om Zijne schepping, die Hem ontviel, uit den afgrond der verwoesting op te heffen; om Zgn menschenkind, dat van Hem afweek, dat zgn vgand werd, te herscheppen, te reinigen, te redden, om den eisch Zijner heilige Wet, die niet zwggt en niet loslaat, eer zg ten volle bevredigd is, volkomen te vervullen; om 't rgk van de oude slang Satanas te verstoren, om alles te doen, wat noodig is ter verlossing van zondaren.
Deze zal groot zijn/
Dat is de grondslag Zgner grootheid, dat Hij God is, te prijzen tot in eeuwigheid. Maar die grootheid werd hierin openbaar, dat Hij klein werd, de onwaardigste onder de menschen, zonder gestalte, waarom wg Hem zouden begeerd hebben, als wg Hem aanzagen.
Groot in Zijne vernedering, in Zijn dulden en Iijden, in Zgne versmading en zelfvernietiging. Wilt gij Zijne grootheid zien, kom dan en zie, in Beihlehems stal, het kindeken in doeken gewonden, liggende in de kribbe; zie Hem dan als Leeraar des volks, met innerlijke ontferming bewogen, omstuwd door drommen ellendigen ; zie Hem dan niet slechts, als Hg wind en golven stilt, maar ook als Hg de melaatsche met Zijne hand aanraakt; zie Hem dan, in Gethsemané, niet slechts als Bij de opdringende bende door een enkel woord ter aarde doet neerstorten, maar ook, als Hij zgn polsen aanbiedt om zich te laten binden. Is dat groot? vraagt ge wellicht; o zoudt gij dan liever zien, dat Hg die banden wegslingerde ?
Maar dan ware er geen hope meer voor u, want 't zgn uw banden.
Groot is Hg, als Hij zich laat vangen, binden, spuwen, slaan, geeselen en nagelen aan 't kruis; groot is Hg, als Hg hangende aan 't kruis nog over 't Paradgs beschikt, maar groot, bovenal groot, als Hg uitroept het is volbracht en stervend den geest géeft; .
Deze zal groot zijn; ook in den staat Zijner verhoogicg; als Bg de kluisters des doods verbreekt en verrijst uit't graf en opklimt naar de troonzalen. des Eeuwigen, en daar zijn „Vader, Ik wil" doet hooren.
Groot, als Hg de grendelen van 't weerspannig zondaarshart verbreekt en zich toegang verschaft tot het zielehuis der Zijnen, en hen, onwilligen, gansch gewillig maakt.
Door Igden tot heerlijkheid ging Zgn weg.
En ook nu nog is Zijn grootheid van alle luidruchtigheid en vertoon afkeerig.
Vuur wilden de Boanerges, de zonen des donders, doen nederdalen van den hemel om de ongeloovige steden te verteren. En zoo willen de Boanerges 't nog: waarom slingert Gij den bliksem Uwer wrake niet neer om de goddeloozen, die U honen, te verdelgen?
Stil, lezer, als Hg bliksemt met het vuur Zijner gramschap, wat moest er dan met u, met uw weerspannig en af keerig hart gebeuren?
In duldelooze goedheid en schier eindelooze lankmoedigheid draagt en verdraagt, vermaant en betuigt Hij; en gewis, lezer, wie zich ten einde toe verhardt, zal ondervinden dat de ademtocht Zgner lippen ook kan worden tot een tweesnijdend scherp zwaard, om de zondaars te verdoen. Maar dan zal Zijn grootheid ook hierin blijken, dat degenen, die Hg verdoet, Zgne oordeelen moeten billgken.
Zijne grootheid zal door allen gezien en erkend worden; alle knie zal buigen voor Hém.
Maar welk een verschil!
Daar zijn er, die in dïit buigen voor Zgne Grootheid zieleweelde smaken.
Maar daar zullen er ook zgn, die billgkend het vonnis hunner onbekeer-Igkheid tot de bergen zullen roepen: bedekt ons!
In Hem is geen onrecht; tot die bekentenis dwingt Hg ook degenen, die Hem tegenstaan, en hun oordeel eeuwig zullen dragen. . - '
Vreeselgk zal 't zijn, als gij 't woord, eens tot Jeruzalem gespr9ken, zelf zult moeten overnemen: Gij hebt ons willen bijeenvergaderen, maar wij, wij hébben niet gewild.
Zoo zal Hg groot zgn, ook in degenen die verloren gaan. ,Niemand heeft zich tegen God verzet en vrede gehad.
Lezer, als de onwil, de ontrouw 'en wederspannigheid uws harten u in den weg staan, o laat dan de grootheid van Christus uw toevlucht zgn. Kom, met uw hard en verhard gemoed, met uw stug en onbekeerlijk hart. Deze zal groot sijn, en Hij, die der blinden oogen opende, zal ook uw hart opmerkzaam maken, dat gg acht leert geven, op Zgn roepstem.
Hebt ge te klagen over wereldzin en zondemin, over inzinking en verachtering. Hg is machtig om de knoopen der ongerechtigheid los te maken enjde levende wateren over uw zielehof te sproeien, dat de specerijen zullen uitbotten.
Bedroeft u de zonde, smart u de ontrouw, draagt gg leed over menigvuldige af wg kingen, kom: Deze zal groot zgn, en het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.
En eindelijk, waar Hg door lijden tot Zijne heerlgkheid is ingegaan, daar mag ook u geen andere grootheid ooit bekoren dan waarvan David zong: door uwe verootmoedigicgen hebt Gij mij grootgemaakt.
Daar is geen andere weg, die leidt tot de hoogte der eeuwige heuvelen, dan die voert door de diepte; door de diepte, waar gg leert instemmen met Johannes: Hij moet wassen en ik minder worden.
O lezer, uw kleinheid, uw nietigheid, uw zwakheid zullen niet kunnen verhinderen, dat Hg u in genade aanneemt en u Zijne lieflijke nabijheid doet ervaren.
Voor grootheid uwerzijds is hier geen plaats'
Gij kunt dan slechts met Hem verkeeren, als gij voor uzelf de laagste plaats begeert en de een den ander uitnemender acht dan zichzelf.
Begeer geen andere grootheid dan die Maria deed zingen: Mgn ziel maakt groot den Heere en mijn geest verheugt zich in God mgn Zaligmaker.
Deze zal groot zijn, Hem zij eeuwig eere!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's