De zekerheid des geloofs.
XI.
Wanneer de zekerheid des geloofs niet met het geloof zelf is gegeven, maar iets is, dat bg het geloof bij-komt, waarin zal zg dan worden gezocht?
Is het niet in den wil, die zich richt op de geboden Gods, dan in het gevoel, dat den vrede met God zoekt te genieten, of de gemeenschap met Christus zoekt te smaken.
Doch wanneer het in dezen weggaat, dan verstaat ieder gemakkelgk, dat voor de zekerheid des geloofa iets anders is in de plaats gekomen.
De wil zou zich richten op de geboden Gods. Maar zou de gehoorzaamheid aan de Goddelgke geboden een drangreden kunnen zgn, die een'zondaar recht geeft, zich onder de kinderen Gods te rekenen ?
Hoe staat het dan met de ervaring van alle oprechte kinderen Gods, die belijden moeten, dat zij dagelijks aan de geboden des Heeren schuldig staan? Met het woord van onzen catechismus, ieder vrome uit het hart gegrepen, dat ook de alJerheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, nog maar een kleinen aanvang der gehoorzaamheid hebben?
Waar blgft dan de zekerheid voor hem, die met Paulus belijdt en klaagt: het goede, dat ik wil, doe ik niet? en: als ik het goede wil, ligt het kwade mg bg ?
Neen, als in hetgeen wij in onszelven vinden de zekerheid moet liggen, zeker niet in de heiligheid, die ook de allerheiligste zou vertoonen, daar hg beseft „dat ook onze beste werken onvolkomen en met zonde bevlekt zgn".
Als op dezen weg geen eigen-gerechtigheid wordt gekweekt, die tot zelfverbeffiag leidt, moet het angst en wanhoop zijn, die hier wordt gevonden.
Het behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij opmerken dat niet zelden de zekerheid, die een vrome zoekt aangaande zijn' staat voor God, hem gewezen wordt in den weg der gevoels aandoening en gevoels-verheffing. Ook in dit opzicht zijn Teellincks geschriften zeer leerzaam.
Met de grootste kracht drong hij aan op ingetogenheid van leven, bestrafte hg lichtzinnigheid en wereldsch-gezindheid, bestreed hij de toenemende weelde en zucht naar opschik, die hij in zijne dagen waarnam.
Maar wanneer hg de diepten der christelijke religie wilde peilen, sprak hg niet van deze gehoorzaamheid aan de geboden Gods, doch van het gevoel van gemeenschap met den Middelaar.
Ook hij zag het gevaar van Farizeïsme en van werkheiligheid zeer wel in, en schildert vooral in zgn latere werken als tegenwicht hiertegen de bekeering van doode rechtzinnigheid en werkheiligheid tot een levend gevoel van gemeenschap met Christus.
Op de genietingen van het gevoel der vereeniging met Christus, den hemelschen Bruidegom, , loopt al het begeeren uit van dengene, die aan het woord is in Teellinck: „Soliloquium of Betrachtingen eens zondaars, die hg gehad heeft in den angst zijner wedergeboorte".
Deze zondaar belijdt daarin, dat hij in uiterlijke braafheid, in uitwendige vrome werken als het lezen der H. Schrift, het bezoeken van de Kerk en gebed, heeft geleefd, zich op dit alles zelfs heeft laten voorstaan.
Door de betrachting van de majesteit en de grootheid en de liefde des Heeren zoekt hg boven zijn doodschheid en kilheid uit te komen.
Hij begeert doordrongen te worden van de nietigheid van alle aardschele ven en de kracht te ontvangen tot het verzaken van dit alles.
In het besef van zgn eigen onmacht wil hij aanhouden om de kracht en h genade Gods, en zal in den gebede „zich als buiten adem roepen, niet alleen mgn keel, maar ook mijn hart als heesch zien te roepen, totdat ik verhoord word, ! ja totdat ik zal mogen gevoelen, gewaar worden en bevinden, dat mij die metalen deuren te morzel geslagen, die ijzeren grendelen in tweeën gebroken zijn, die daar voor mgn hart geslagen zgn om U, mijn God, daar uit te houden".
Alle andere liefde dan die tot God maakt onrustig, alleen de liefde tot God geeft rust aan het hart.
Over tekort aan deze liefde beklaagt zich de zondaar, die in deze „Alleenspraak" aan het woord is; zgn hoogst begeeren is, deze liefde Gods aan zijn hart te gevoelen.
Zoo wordt het „leven" voor hem eigenlijk niet een leven uit geloof, maar een verlangen, dat in het hart heerscht, en dat slechts gestild wordt in de oogenblikken, dat de gemeenschap met Christus wordt ervaren.
Aldus gaat dan ook zgn gebed voort:
„Ja, Heere, zulks is ook mgn voornemen, zulks zal ook mijn betrachten wezen, ik zal steeds en geduriglgk gaan zuchten en verlangen naar U, totdat ik innerlijke gemeenschap gekregen heb met U, die daar zijt mgns levens kracht en mgner ziele eenige troost".
En dan wordt Christus op de volgende wijze aangeroepen:
„O allerzoetste Bruidegom mijner ziel, o allerdierbaarste minnaar, die heerschappg hebt over alle creatuur, wie zal mg eens geven de vleugelen der waarachtige vrijheid om te vliegen tot U en te rusten in U?
O, wanneer zal mg volkomen verleend worden, dat ik geheel ledig en onbekommerd van harte zal mogen zgn, en smaken, hoe goed Gij zgt, o Heere, mijn God, wanneer zal ik mg eens geheel vereenigen in ü, en met U, alzoo dat ik uit grooter liefde mgzelven niet mocht gevoelen, maar U alleen in mg ?
Och, kom Heere Jezus, want zonder U mag ik nu niet langer meer een gerusten dag of uur hebben, want Gg zijt toch de Uitverkorene mgner ziel, mg o e bigdschap en eenige troost; en zonder ü is ook al mgne hoop gdel; want Gg zijt mgn sterkte, mijn rotssteen, waarop mijn arme ziel steunt.
Ik laat dan alle andere menschen alle andere dingen zoeken dan U, maar mij mag noch zal voortaan anders niet behagen dan Gg alleen, mijn God, mgn hope en mijn eeuwige zaligheid
Och, ik ben nu als van liefde krank, omhels mg met Uwe armen. Kom Heere Jezus".
Ook in een ander geschiift, „Het nieuw Jeruzalem" getiteld, slaat Teellinck een soortgelijken toon aan.
Ook daar valt een sterke nadruk op het ervaren der gemeenschap met Christus, en op de begeerte, met Hem tot één Geest vereenigd te worden.
In den vorm van een gesprek tusschen Jezus en Maria, die aan 's Heeren voeten zit, worden hier de gedachten van den schrijver voorgedragen.
Evenals in het „Soliloquium" wordt ook hier groot gewicht gehecht aan de zelfverloochening, die moet leiden tot een leven in den dienst des Heeren.
De weg om dit te bereiken ia die van verzaking van allen aardschen lust en wereldsche begeerlijkheden. „De naaste weg om vleesch en bloed en de booze lusten te overwinnen is, dat gij hun weigert, wat zij begeeren, want daardoor worden sij gedood".
De ziel (di. Maria) die naar haren Heere verlangd en gezind is om Zgnentwil alles te laten en in vrgmoedig belijden van Hem ook de wereldsche vreugde los ts laten, komt zoo tot een geestelgk leven.
En ook hier is dat niet een leven uit het geloof, maar veeleer in het gevoel.
„De verzaking van de wereld en de vereeniging der geloovige ziel met mij", zegt de Christus, „is als een geestelgk huwelijk, gelijk gg wel weet, mijn vriendin. Bedenk dan nu, hoe wordt een dochter des huizes ertoe gebracht het huishaars vaders en hare vrienden te verlaten, en zich tot een' man te voegen, dien zg tevoren niet kende, en met hem haar leven lang in innige gemeenschap te leven ? Is het niet hierom, dat zg iets in den bruidegom ziet en vindt, dat zg stelt boven vader en moeder? Zoo gaat het ook hier: gij moet ten allen tijde mgn heerlgkheid, mijn vriendelijkheid, mgn algenoegzaamheid overdenken, en haar kracht zoo smaken en ervaren, dat gg de nietigheid, ijdelheid en zeer groote gabrekkelgkheid der aardsche dingen hiertegenover erkent, wanneer gg ze vergelijkt met mijne schoonheid; daardoor zult gij verheven worden boven allen vleeschelijken lust, boven alle begeerten, boven alles wat wereld heet, en vrij worden van alle verleidingen des Boozen, van de wereld en van uw eigen vleesch".
Het behoeft geen betoog, hoezeer in dergelgke beschouwingen het geloof weg gedrongen is van zijne centrale plaats, die het in de beschouwing van een Calvgn bijv. innam.
En dat hiermede ook de zekerheid des geloofs anders komt te staan, springt in het oog.
In de kringen, waar dergelgke opvattingen ingang verkregen, en zg waren zeer talrgk, heerschte veelal een groote nauwgezetheid des levens.
Men hield zich streng afgesloten van „de wereld", en wilde aan haar vermaken en genietingen niet meedoen.
Men leerde acht geven op zijn geesteijken Staat, zichzelven nauw doorzoeken; en voelde zichzelven telkens den pols, om het kloppen van het leven te controleeren.
Er was dikwgls een innig gebeds-leven een met oprechtheid zoeken van anraking met de geestelijke wereld.
In dezen weg is een schat van rijke roomheid en oprechte vreeze des Heeren bewaard, en het erfdeel geweest van verscheiden geslachten. '
De kennis van de waarheid, het verstandelgk toestemmen van de leer der zaligheid, waarvan beseft werd dat het op zichzelf niet baatte, zocht zoo een aanvulling en evenwicht in een vaak diep en rgk gemoedsleven.
En toch, ontkend kan niet, dat de blijheid en onbevangenheid van het leven des geloofs menigmalen teloor ging, dat ook de frissche, levende kracht, die het Calvinisme stepipelde tot een verschijnsel van groote beteekenis in de moderne wereld, verdween, om plaats te maken voor een opgeslotenheid en wereld-ontvluchting, die in sommige opzichten verwant was aan de Roomsche kloostermoraal. '.
Ja ook in de mystiek-getinte vroomheid van meer dan èèn pietist vallen klanken te beluisteren, die herinneren aan de kloostermystiek der Roomsche Kerk: het Schriftuurlgk beeld van Christus als den Bruidegom Zijner Kerk wordt scheefgetrokken, en Christus wordt beschouwd als de Bruidegom der enkele geloovige ziel.
Maar zoo wordt het gevoelsleven geprikkeld, en al minder verstaan, wat het zeggen wil, dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven.
De zekerheid wordt niet gezocht in het geloovig zich verlaten op de genadige beletten Gods, maar in het gevoel van met Christus vereenigd te zgn. En wanneer zulk gevoel, overspannen en opgezweept, straks weer inzinkt, gevoelt de ziel zich verlaten, en schuilt weg in duisternis en onzekerheid, zonder eenigszins te durven roemen in haar heil.
Zoo keert de onzekerheid telkens terug, de ziel wordt in spanning gehouden, en vindt haar ruste niet, een rust, die zij zou moeten zoeken niet in de aandoeningen en golvingen van eigen gevoel, maar in den moed van een geloof, dat de belofte durft aangrijpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's