Stichtelijke overdenking.
Daarna toonde hij mij Jozua den hoogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, en de satan stond aan zijne rechterhand om hem te wederstaan. Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan, ja de HEERE schelde u, die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? Jozua nu was bekleed met vuile kleederen als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij en sprak tot degenen die voor zijn aangezicht stonden, zeggende: doet deze vuile kleederen van hem weg. Daarna sprak hij tot hem: Zie, Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselklederen aandoen. Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd en zij togen hem kleederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij. Zacharia 3 : 1—-5.
Een Goddelijk gericht.
We hebben hier allereerst een booze aanklacht door satan ingebracht; in de tweede plaats een genadig vonnis door den Engel des Heeren geveld en in de derde plaats een nieuw begin voor des hoogenpriesters arbeid aangewezen. Over elk van deze drie gedachten een enkel woord.
I. Op wondere wij'ze heeft de Heere het in het harte van Cyrus gegeven om het volk van Israël te laten trekken. Gelijk eenmaal in Egypteland was ook nu in Babel de deur van het gevangenhuis opengestooten door God Almachtig, die niet laat varen de werken Zijner handen en het verbond der genade aan Zijn volk bevestigen zal tot in eeuwigheid.
Om der zonden wil waren ze weggevoerd nu zeventig jaren geleden. Uit genade waren ze teruggebracht nu, onder leiding van Zerubbabel. En men begon de muren van Jeruzalem te herbouwen; de tempel ging weer herrijzen uit het puin.
Dan komt de Heere Zyn knecht Zacharia, den profeet, op wondere wqze — door nachtelijke gezichten onderwijzen aangaande hetgeen gebeurd is, nu gebeurt en in de toekomst nog gebeuren zal, van welke dingen de Heere wil dat Zacharia tot het volk zal spreken.
En dan is éen van de nachtvisioenen, 'waardoor de Geest Gods den profeet m onderwgst, dit, dat de hoogepriester Jozua gezien wordt bekleed met vuile kleederen, terwql de satan aan zqn rechterhand staat, om hem daarmee aan te klagen bij den Engel des HEEREN, zqnde den Christus Gods. onder de Oud-Testamentische bedeeling alzóo geopenbaard.
De bedoeling is duidelqk. Het volk is teruggekeerd in Kanaan. Jozua is de hoogepriester; Zacharia is de profeet — en nu moet de profeet aan het volk zeggen, dat de priesterstand, ja, dat heel het volk het er zoo slecht heeft afgebracht en zoo in alles schuldig staat voor den heiligen God. Want immers in den hoogepriester zijn al de levieten, al de priesters, ja al de inwoners des lands begrepen, gelijk hq toch ook gewoon was op den Groeten Verzoendag als de vertegenwoordiger van allen in te gaan in het Heilige der heiligen van tabernakel of tempel. En daarom, als de hoogepriester nu voorgesteld wordt als staande en bekleed met vuile kleederen, dan is dat, alsof béel de priesterstand, ja héél het volk staat voor God, waarbg de satan als beschuldiger optreedt en hen aanklaagt bij den H«ere.
Die aanklacht was schrikkelijk, maar waar.
Zeker, de Heere wilde weer opnieuw beginnen met Zijn volk; Hg wilde den eeredienst weer herstellen, de tempel zou weer herrijzen, het volksleven zou weer opnieuw geordend en geregeld worden, maar nu mocht Israël maar niet er over heen leven, dat het om der zonde wil zoo geheel verwerpelijk was voor God. Want er was oorzaak te over, dat de Heere zou zeggen: Ik begin met u niet opnieuw; gij zgt het niet waardig; uwe zonden zijn te veel en uwe schuld is te groot.
Dat zou satan wel gewend zijn dat de Heere zóo sprak. Dan zou het volk van Israël ellendig aan z'n eind komen. Dan zou de tempel niet meer herbouwd worden. Dan zou ook de Christus Gods niet geboren worden. Dan was het uit met de heilsgeschiedenis. Dan had satan het gewonnen en de Heere had het verloren. Gen. 3:15 zou dan onvervuld blijvea. Het werk Gods zou blijven steken. De hel kon lachen en des Heeren Naam zou met eeuwige smaad zijn bezoedeld.
Zooiets had Mozes ook vroeger wel doorgemaakt, toen er alle oorzaak voor was, dat de Heere Zijn volk van voor Zijn aangezicht kwam verstootea. En het is dezelfde zaak, welke de ziele van Gods kind moet dragen, als de weg van zondta en van schuld voor des Heeren heilig aangezicht komt liggen, waarbij de satan naar voren brengt, dat voor zulk een geen plaats is in het midden van Gods volk.
't Is om Israël uit te roeien!
Bij den zondvloed is Noach behouden; bij den hongersnood is Jacob gered; in Egypte's kerker is Israël niet omgekomen; in de Sehelfzee niet verdronken ; in de woestgn door de heidenen niet uitgeroeid; in Kanaan telkens wonderlijk bewaard — toen door Babel meegevoerd, en ziet, ook toen is Israël niet verteerd ; de Heere heeft Zijn erfvolk in stand gehouden en weer opnieuw in Kanaan gebracht.
O, wonder van Gods alvermogen! Maar satan knerst op de tanden nu.
Zal het dan nooit ophouden, dat God met dat volk bemoeienissen houdt? Zal de Heere werkelgk weer opnieuw beginnen ? Ja, de tempelmuren herrijzen weer. En dan zullen in dien tweeden tempel de voeten van den Christus staan. Maar dan die poging van den duivel om het te verhinderen; waarom hij Jozua, en in hem al de levieten, al de priesters, héel het volk beschuldigt als geheel vuil en onrein vanwege de overtredingen, voor Cods heilig aangezicht te staan. Immers, nu zal God Zgn hand toch wel eindelgk terug trekken van dat volk?
Jozua zwggt daarbg. En dat is ook maar goed.
Want verdedigen kan hij zich niet. Wat satan in 't midden brengt is waar. Alle zelfverdediging zou zelf verontschuldiging moeten zgn; en er viel niet te verontschuldigen. Inderdaad waren de zonden meer dan het zand aan den oever dar zee en de schuld reikte hooger dan de bergen.
Gelukkig als dan de ziele maar stille mag zijn en mag zwijgen.
Was het ook met ons volk maar zoo! Was het ook met onze Kerk maar zoo. Want de Heere wil toch, dat bij al Zijn bemoeienissen gevoeld zal worden: het het is genade en geen recht! Ea daar wordt zoo weinig van gezien, als een ieder zoo druk is om zich met allerlei in te laten. Dan is er zoo geen opmerking. En de Heere is toch een jaloersch God, Die Zijn eer aan geen ander geeft. Waarom voelt ons volk zoo weinig van die vuile kleederen, waarin het voor God staat ? Waarom is er zoo weinig schaamte in het midden van de Kerk, met stilzwijgen voor God, dewijl de overtredingen vele zijn? Heeft ons. volk, heeft onze Kerk het niet slecht afgemaakt voor God ? Ligt onze weg niet gansch verdoemelgk voor Gods aangezicht?
En daarom, nu de Heere met de kerk aan het begin staat van een nieuwen weg mocht aan dit visioen van den, profeet Zacharia wel eens gedacht worden. Jozua in vuile kleederen —dat wil voor óns zeggen, dat we gansch schuldig staan voor God in handel en wandel, waarbg de satan ons verderf en onzen ondergang zoekt en vraagt.
II. De toeleg van den booze is doorzichtig. Als hij het maar daartoe brengen kan, dat de Engel des HEEREN, de Engel des Verbonds, dat is Jesus Christus, met zoo'n zondig volk niet van doen wil hebben, dan is 't voor den duivel gewonnen spel. Dan is 't uit met Israels volk. Dan is 't uit met Gods Kerk.
Maar ziet, als Jozua, door schuldbesef verslagen, stille is voor den Heere en niets , tot zijn verdediging weet in te brengen, dan verheft de Engel des Heeren zijn stem en segt, dat Hg wel doorliet wat satan in zgn schild voert, maar dat God hem zal wederstaan en hem zal treffen met Zijn vloek en met Zijn vonnis. Waarom dat? Heeft satan dan leugenen voortgebracht, toen hij Jozua en het volk van zonden en tekortkomingen beschuldigde bg God ? Immers neen I Heeft hij dan gelasterd, toen hg zeide, dat het een volk was, dat het altijd slecht afgemaakt had voor God? Immers neenl Maar waarom verheft de Engel des Heeren zich dan, om over dat volk te waken en den satan aan te zeggen, dat de Heere hem schelden zal ?
Hier ligt een verborgenheid die groot is. Want neen dat is niet om iets dat in Jozua, dat in den hoogepriester of in het volk is. Geenszins. Als dat nog gedacht wordt in hst midden van land en volk dan is het diep ellendig. En als men in het midden der Kerk nog met allerlei redenen komt, om te spreken van gerechtigheden en te roemen iu het vleesch, dan openbaart de Heere ons zoo ernstig: , al uwe gerechtigheden zgn als een wègwerpelijk kleed, " als ook: , vervloekt is een iegelgk die vleesch tot zign arm stelt". Te roemen valt er waarlijk niet. Veeleer moet het worden tot een geheel afgesnedene zaak; voor on« peraoonlgk en voor ons allen.
Maar dan wil de Heere van dat wonder van Zijn eeuwig ontfermen en van Zijn rijke en vrije genade spreken, zooalsdat geopenbaard is in Jezus Christus.
Uit de eeuwigheid borrelt het water Zijns ontfermens op. Van] de eeuwige bergen Zgner liefde vloeit de rivier van wateren des levens vol. En bg alles gaat de mare des heils: „Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijnentwil, spreekt de Heere".
Hier is alle roem uitgesloten. Hier is alles onverdiende zaligheid.
En juist, omdat de uitgangen zijn uit de eeuwigheid, om redenen door den Heere uit Zich zelf genomen, zal het werk der zaligheid voor Sion geopenbaard, staan tot in eeuwigheid, om te roemen de deugden van Hem, Die Jeruzalem verkiest, om daar te wonen.
Dat gaat dwars door de zondige wegen der menschen kinderen.
En de Heere weet wat maaksel ze zijn, al Zijne uitverkorenen. Dat behoeft satan Hem niet te zeggen. Hij weet het, en in deze vallen ze Hem niet tegen, want in hen is geen goed.
O I dat zal satan tegen vallen. Het zal hem, den aanklager der broederen, niet gelukken .één van Gods kinderen uit des Heeren handen te spelen. En 't is Christus, Slons Borg en Middelaar, de groote en heerlgke Hoogepriester Zgns volks, die hier tusschen beide treedt. Hij heeft voor dat volk voldaan. Hij heeft hun ongerechtigheden gedragen en verzoend. En Hg staat in een wit kleed der gerechtigheid, zonder vlek en rimpel, voor Gods aangezicht, pleitende voor dé Zijnen op grond van Zijn aangebrachte gerechtigheid.
En bij dat heil moet Sion leven.
Neen, geen roemen in zich zelf. Geen Farizeërs gestalte. Geen pleiten op eigen gerechtigheid. Maar bij alle zonden en schuld een geborgen worden onder de vleugelen van Sions Borg en een drinken uit de fontein van Gods eeuwig en vrg welbehagen.
Daarmee vertroost de Engel des Heeren dan ook den zwij genden hoogepriester en in hem al Gods volk, „Zie" zoo zegt Hg „Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleederen aandoen".
Dat zijn dan ook de kenmerken, waaraan we weten kunnen dat we behooren tot de uitverkorenen Gods en dat we mogen deelen in het welbehagen, dat de Heere in Zijn volk steeds heeft betoond-Als we namelgk deze vruchten des Geestes in ons mogen bevinden, dat we kennen een droefheid naar God, een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, welke is in Christus Jezus; vrede en vreugd bij de verzoening onzer zonden in des Middelaars bloed en lust en liefde om naar Gods geboden in geloove te wandelen, verkondigende de deugden des Heeren.
Neen, in het boek der verkiezing laat de Heere ons niet inzien. De verborgene dingen zgn voor den Heere onzen God. Deze zaak ligt in het binnenste heiligdom. Maar de vruchten des Geestes geeft de Heere in dezen weg aan Zgne kinderen te genieten. En zalig degene, die hier geen vreemdeling is aan de wegen Gods, die voor een arm zondaarsvolk vol heil en vrede en zaligheid zijn.
III. Zoo laat God van Israël niet af. Hg onttrekt Zich niet aan Zgn erfdeel. En Jeruzalem zal herbouwd worden, omdat de Heere er van eeuwigheid lust in heeft, om Sion te troosten. De tempel zal weer herbouwd worden. De Messias aal straks Zijn voeten zetten binnen zijne muren en dan zal de heerlijkheid van dezen tweeden tempel grooter zgn dan van Salomo's kunstgewrocht. Alles naar Gods eeuwig welbehagen.
Daarom zal ook Jozua niet sterven.
Integendeel; hg zal nog als getuige van deze dingen moeten optreden. Hg zal nog moeten offeren en bidden, het volk wijzend op Gods eeuwig ontfermen en op Hem, Die stond te komen als Sions Borg en zaligmaker. Die Zijn volk zou verlossen van hunne zonden. Daarom moet hem ook een reine hoed op 't hoofd gezet worden; ook moeten hem reine kleederen worden aangetogen.
Dat is ook iets voor onzen tgd. Satan wil den dienst des Heeren wel uitroeien. De mannen Gods moeten weg. Den dienst des Woords en der saeramenten en der gebeden moet paal en perk gesteld worden; liefst geheel wèg. De godsdienst is gelgk vergif te achten. De dienstknechten des Heeren zijn met krankzinnigen en misdadigers gelijk te stellen, Bolsjewiki in Hongarije hebben de geestelijken dan ook buiten het burgerlijk leven gezet. Ze hooren er niet bij, omdat ze nergens toe dienen, dan om de verwarring en de ellende grooter te maken. En neen, in ons land is het gelukkig zóo ver nog niet. Door Gods goedheid is ons volk voor zulke gruwelijke practijken nog bewaard. Maar gaat het ook hier niet hoe langs hoe meer op elk terrein des levens tegen God en Christus ? tegen Gods Woord en Zgn Kerk?
En ziet, dan zegt de Heere dat, om de wille van Zijn eeuwig, vrgmachtig welbehagen, Zgn hand zich niet van Zgn erfdeel zal terugtrekken. Hij is 't, die Jeruzaleni verkiest en het als een vuurbrand uitrukt uit het vuur. En daarom zal de dienst des Woords en der sacramenten en der gebeden niet weggenomen worden. De Heere staat voor de eere Zgns naams en bewaart Zgn eigen werk. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat er geen benauwde tijden zullen aanbreken voor Gods volk en voor Christus' Kerk. Want die komen gewis. Hoe meer we komen in „de laatste dagen", hoe meer benauwd het worden zal voor allen die het houden met Gods Woord en die den Heere vreezen.. Maar de Heere zegt hier, dat de priesters dan moeten staan in Zijn dienst en spreken naar Zgn Woord, waarbg de Heere nog genade en eere geven wil.
Laat ons er dan naar staan ook in deze tijden den dienst des Woords te herstellen. Daar hangt zooveel van af, voor Kerk en volk. Eu als we gelooven mogen, dat de Engel des Heeren, dat Jezus Christus, de verhoogde Heiland en Koning nu, er liast in heeft, om over Jeruzalem te waken, terwgl Hg er om vraagt, dat van Hem zal worden getuigd en dat Gods deugden zullen worden groot gemaakt, neen, dan behoeven we niet te vreezen.
Waar zgn dan de Jozua's, die in 's Heeren dienst willen ingaan ?
Laat ze komen; laat ze spreken; laat ze arbeiden; laat ze bidden; laat ze offeren. Hun werk zal niet ijdel zijn in den Heere.
Helaas! de velden ; sijn wit om te oogsten
zaken niet met een party-groep maar met officieele lichamen te rade zal gaan. Ach, hoeveel leed doet het ons, dat wij 't woord „Kerk" niet kunnen noemen, Zonder dat de gedachte in ons opkomt aan twist en tweedracht.
Zal dit nooit anders worden ?
Rechts-Modernen.
Prof. Geesink geeft in zijn jongste rectorale rede de volgende juiste teekening van de z.g. Rechtsmodernen.
„Anders zgn deze tweeërlei zonen en dochteren dan hun vrijzinnige vaderen. "Want de tweespalt in hun innerlijk zijn werd hun voor God tot zonde en schuld. Op hun lippen bestierf de jubelzang van het optimisme der oudere generatie. Hun verdiept zondegevoel en ontwaakt schuldbesef ontlokten aan de harp hunner ziel tonen als die wg beluisteren in de Boetepsalmen van Oud-Babel.
Doch ook deze zonen en dochteren zgn geen weters, maar zoekers.
Zoekers naar verlossing van zonde en schuld. Zoekers naar God.
In het verkeer met Rechtzinnigen hebben zq van Jezus hoeren spreken, anders dan zq van Hem hoorden spreken hun vaders. Niet maar enkel ala Voorbeeld, maar ook als Verlosser. Zg zijn nu ook den Bgbel gaan lezen. Maar nog onder den ban van het naturalisme en de op dat naturalisme gegronde Bg belkritiek, kunnen zg dien Bgbel niet meer als be trouwbaar aanvaarden En daarom lesen en kiezen ze en lichten ze uit den Bijbel de Evangeliën, want de persoonlgkheid van den Christus trekt machtig hen aan. Maar dien Christus der Evangeliën, die wonderen deed en aan wien alles wonder was, kunnen zij ook niet aanvaarden. Doch wat doet het er ook toe ? Zijn niet die wonderverhalen het schitterend kleed, door de diehtende verbeelding der eerste christenen geweven uit hunne herinneringen aan dien Eenige, bg wien de verhouding tot God haar volle ontplooiÏng had bereikt?
En gesteld al, dat niet alleen het kleed, waarmee die eerste christenen Hem hebben omhuld, maar die Eenige zelf slechts een beeld hunner dichtende phantasie was, wat doet het er toe?
Van het Christus-beeld der Evangeliën gaat zoo machtige altractie uit op hun ziel, dat zij niet anders verwachten, dan er door getrokken te worden tot God.
Of dit Christus-beeld zal trekken tot God en de naar verlossing hongerenden en dorstenden zal verzadigen?
Ik weet wel, dat ook David zijn verwachting uitzong:
Ik zal uw aangezicht in gerechtigheid [aanschouwen. Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, [als ik zal op waken,
Maar die verwachting had toch een anderen grond en een anderen zin.
Wat deze intellectueelen der jongere generatie uit het huis der Vrijeinnigheid, deze algemeen-vrgzinnigen, deze jongof rechts-modernen van dien verbeelden Christus verwachten, doet mij eer denken aan een ander Schriftwoord. Aan dat, ook psychcologisch zoo mooie uit Jesaja's profetieën:
Het zal zgn, gelgk wanneer een honge-[rige droomt, en ziet, hg eet, maar als hg ontwaakt, zoo is zijn ziel [ledig ; of gelgk wanneer een dorstige droomt, [en ziet, hg drinkt, maar als hg ontwaakt, zoo is zijn ziel mat.
Dan, hoe dit zg, met haar schuldbesef en zondegevoel valt bij deze jongere generatie uit het huis der Vrgzinnigheid harerzgds een toenadering te bespeuren tot de Rechtzinnigheid. Maar verder dan met dit besef en gevoel gaat die toenadering dan ook niet. Voor de Rechtzinnigheid toch, ook voor haar jongere generatie, is de Christus niet maar verdichting doch waarheid, niet maar voorstelling doch werkelijkheid, niet maar beeld doch persoon."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1920
De Waarheidsvriend | 2 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1920
De Waarheidsvriend | 2 Pagina's