H. Nachtmaal - Nabetrachting.
Joh. 7:56; Rom. 8:38, 39.
Ik at Uw vleesch, ik dronk Uw bloed, O, heerlijk heil, o zalig zoet: Gij gaaft U-zelf te smaken Daar drong een vuur door de ijskorst heen; ontroering voer door merg en been en deed mijn binnenst blaken.
Verlosser, Midlaar, Vredevorst, ja, 't hart, dat naar Uw liefde dorst, wilt Ge overvloedig drenken; de ziel, die brult van hongersnood, verzaadt Gij met Uw levensbrood en wilt haar vrede schenken.
En, bovendien en bovenal, wat Gg begint, volenden zal. 't Uw hand. Bij brood en beker verzekert en bevestigt Gij: „die eet en drinkt, die blijft in Mij"; des ben ik eeuwig zeker.
Verzekerd ben ik, dat noch dood, noch leven, engel, macht, hoe groot, wat is of staat te beiden, geen hoogte of diepte in 't gansch heelal van Godes liefde in Christus zal mij eeuwig kunnen scheiden.
Herwijnen, 1 Febr. 1920.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's