BEGRAFENIS DS. BOONSTRA.
Het was Dinsdag 3 Februari een schoone winterdag. De zon goot haar gouden stralen over de velden, als wilde zij tot ons spreken van leven en licht.
Schrille tegenstelling met de droeve plecttigheid die te Elburg zou plaats hebben. Daar stond een man begraven te worden, wiens levenslicht zoo plotseling was uitgebluscht. Het stoffelijk omhulsel van ds. Boonstra zou uitgedragen worden en aan den schoot der aarde worden toevertrouwd.
Toen wij 's morgens langs het kerkhof kwamen, zagen wi| den kuil reeds gedolven liggen.
Ds. Boonstra en.... het graf. Dat, was voor ons bewustzijn een tegenstelling. Hij, de man zoo vol levenslust, zoo vol levensmoed en toch ook zoo vol levensernst, en daartegenover de plaats waar geen verzinning, noch wetenschap is. Neen, de gedachte dat Boonstra gestorven was en nu weldra begraven zou worden, het scheen haast een gedachte die met zichzelf in tegenspraak was.
Toch wisten we maar al te zeer dat het werkelijkheid was. Wat mensch leeft er die den dood niet zien zal ? Wie redt zijn ziel van 't graf ? Dat woord bleek ook op ds. Boonstra van toepassing te wezen. In het vroege morgenuur van Vrijdag 30 Januari had de Heere zijn levensdraad afgesneden, gelijk een wever zijn web, en nu lag hij daar neder in zijn kist. Of neen, wat daar lag was Boonstra niet meer. Wat daar lag met vredige kalmte op 'tgelaat was niet anders dan zaad dat weldra in verderfelijkheid gezaaid stond te worden, om eenmaal weer in onverderfelijkheid te worden opgewekt. Boonstra zelf was reeds heengegaan, en naar een getuigenis dat wij zelf wel eens uit zijn mond vernomen hadden, had hij op dat heengaan niets tegen gehad. In het vleesch te blijven had hij nog wel gewild om der wille van haar die zoo lang zijn trouwe gezellin was geweest en die hij dan zoo in eenzaamheid moest achterlaten. Maar anders dan wist Boonstra door het geloof dat het ontbonden worden en met Christus te wezen, ook voor hem verre het beste zou zijn.
Dat was dan ook wel de reden dat er op zijn begrafenis in de eerste plaats natuurlijk bij zijn weduwe wel droefheid en smart werd gevonden, maar dat er geen wanhoopstranen werden geschreid. Integendeel we voelden het dat er getreurd werd, maar niet als degenen die geen hope hebben.
'Toen omstreeks elf uur al de bloedverwanten en vrienden die van verre en van nabij gekomen waren, in 't sterfhuis vereenigd waren, werd aldaar een lijkdienst gehouden door ds. Leenmans, "van Oosterwolde. Deze las eerst een gedeelte van 2 Corinthe 5 en wees op het groote verlies, dat door het afsterven van ds. Boonstra geleden was door zijn vrouw, door zijn verwanten, door zijn vrienden en niet het minst ook door de gemeente van Elburg, waar hij thans voor de tweede maal stond om het Evangelie van Gods vrije genade in Christus te verkondigen en waar hij zich, naar zijn eigen getuigenis, zoo bijzonder op zijn gemak gevoelde. Daartegenover echter sprak hij woorden van troost, omdat de overledene getuigenis gegeven had van de hope die in hem was en omdat wij dus ook hier bij 't verbroken worden van het aardsche huis mogen gelooven aan een gebouw van God, een huis dat niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen is. De' weg om dat huis te beërven werd den aanwezigen aangewezen in Hem, die 't gezegd heeft dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is.
Nadat ds. Leenmans hierop was voorgegaan in gebed, werd nogmaals gelegenheid gegeven om een laatsten blik op het lijk van den geliefden doode te werpen. En toen was het oogenblik daar, dat de man, die zooveel pastorieën had bewoond z'n laatste pastorie werd uitgedragen. De lijkwagen werd door een breede schaar van verwanten en vrienden gevolgd. De weg naar het kerkhof was vol belangstellenden. Allerwege heerschte een toon van diepen ernst en op veler aangezichten stond het te lezen dat hier een doode werd uitgedragen, wiens gemis ten zeerste werd betreurd. Toen de kist in het graf was neergelaten, had een talrijke schare zich om de geopende groeve geschaard.
Ds. V. Voorthuyzen, van Doornspijk, voerde als consulent het eerst het woord. Hij herinnerde aan een woord dat eenmaal aan het graf van een van Frankrijks koningen gesproken was : „God alleen is groot." Die God, die alléén groot is, Wiens doen altoos majesteit en heerlijkheid is, heeft ook het leven afgesneden van dezen herder en leeraar en heeft daardoor een man weggenomen die tot het laatst zijns levens toe zijn beste krachten aan den arbeid van Gods Koninkrijk gegeven heeft. Ds. Boonstra was een man, door den Heere met vele gaven versierd, die met die gaven op velerlei terrein van het leven werkzaam was. Hij was een brandende en lichtende kaars, die zichzelf opgeteerd heeft in den dienst^an zijnen Zender. Zijn heengaan is een groot verlies, niet 't minst voor de gemeente, van Elburg, die thans geheel herderloos achterblijft. Gelukkig dat wij weten dat de groote Herder der schapen gebleven is. Hij is machtig in allen nood te voorzien. Voor Hem echter zullen ook w ij eenmaal moeten verschijnen en zal ook de gemeente van Elburg eens rekenschap moeten geven wat zij met het woord van ds. Boonstra heeft gedaan. Met een woord van ernstig vermaan tot de gemeente, inzonderheid tot de catechisanten en een broederlijk woord tot den kerkeraad, eindigde ds. v. Voorthuyzen zijn toespraak.
Ds. Van Ingen, van Hattem, was de tweede spreker. Hij wenschte een woord te zeggen als vice-praetor van den Ring Hattem. Hij herinnerde aan de vele gemeenten die ds. Boonstra gediend had. Meermalen is hij in dezen Ring werkzaam geweest. Ds. Boonstra was een man van rijke levenservaring, en God had hem de gave geschonken daarmede ook anderen te dienen. De vergaderingen van den Ring zijn daar menigmaal getuigen van geweest. Thans is hij van ons heengegaan en naar wij gelooven heeft de Heere hem het loon geschonken voor al Zijn gaarne getrouwe knechten bereid. Hij is thans ingegaan in de ruste, die daar overblijft voor het volk van God. Maar als God Zijn arbeiders begraaft, dan zet Hij Zijn werk voort. Moge die wetenschap ons, die hier staan aan zijn graf, tot vertroosting en bemoediging zijn.
Ds. Jongebreur, van Veenendaal, wenschte te spreken als vertegenwoordiger van het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond. (Met hem bleken van ons Bestuur ds. Goslinga, ds. Remme en ds. Van der Snoek tegenwoordig te zijn). Hij herinnerde aan het alleriaatste woord dat ds. Boonstra in de stichtelijke overdenking van „De Waarheidsvriend" van 23 Januari geschreven had. „Een geloovig volk prijze den Heere en ga heen in vrede." Dat woord is het kenmerk van de prediking, ja van het gansche leven van ds. Boonstra geweest. Dat was het devies van zijn levensbanier dien hij niet het minst op het terrein van ons kerkelijk leven heeft ontplooid. Een volk, dat immers was een waarheid waarop ds. Boonstra steeds den nadruk legde, dat Gods Kerk niet uit individuen, niet uit losse op zich zelf staande personen bestaat, maar dat zij is één kudde onder één Herder, één volk onder één Koning. Dat besef van de éénheid van Gods gemeente deed hem treuren (doleeren) over haar breuke, maar datzelfde besef heeft hem ook voor de paden der afscheiding bewaard. Een geloovig volk. Ook dat was een waarheid die Boonstra steeds op den voorgrond stelde. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Niet het dorre verstandsleven, niet het wiegelende gevoelsleven, niet het koude wilsleven, maar het volle, rijke geloofsleven, dat was voor hem het leven uit en bij en met en tot God, dat zekere weten, maar ook dat vaste vertrouwen, soms zoo onvast in zichzelf, waarover hij zoo naar het leven spreken kon. Een geloovig volk, maar dat volk dan ook geroepen om d e n Heere te p r ij z e n. Ja, levend uit het Gereformeerd beginsel lag de eer van 's Heeren Naam hem hoog. Voor die eer eischte hij dan ook het volle menschenleven op. En met die eere Gods stond voor hem in onlosmakelijk verband het heengaan in vrede. Vrede door het bloed des kruises. Vrede door Hem die onze Vrede is. Steeds als gij Boonstra hoordet, bleek „Jezus Christus en dien gekruist" het groote middelpunt te zijn. Op dat eenig en algenoegzaam fundament onze Kerk te bouwen, is dan ook het hoofddoel van zijn leven geweest. Daarom is het het Hoofdbestuur van den Geref. Bond een behoefte aan zijn graf een woord van hartelijke waardeering te spreken voor den arbeid door ds. Boonstra in het midden onzer Kerk verricht. Wij danken God dat Hij ons de gaven en talenten van dezen man heeft geschonken om onze Kerk terug te roepen tot de paden van ZijnWoord En waar de Heere hem aan den vooravond van zijn leven afloste van den post dien hij in zoovele gemeenten met eere heeft bekleed, daar wenschen wij te zwijgen in den Raad van Hem, Wiens oordeelen ondoorzoekelijk en Wiens wegen onnaspeurlijk zijn. Rijke troost voor zijn weduwe die in de eenzaamheid achterbleef en voor ons allen, als vrienden en broeders om zijn groeve geschaard, dat hij getuigenis gaf van de hope die in hem was. „Een geloovig volk prijze den Heere en ga heen in vrede." Onder dat geloovige volk was in het opschrijven der volken ook Boonstra geteld. Daarom is zijn heengaan vrede geweest en juicht zijn ziel thans op die plaats waar de vrede van het geloovige volk bestaat in het : „U alleen, U loven wij."
Ds. de Geus, van Veenendaal, achtte het zich mede een droeve plicht een woord te spreken aan dit geopende graf. Hij wilde dit doen als afgevaardigde van het Hoofdbestuur van den Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag, waarvan ds. Boonstra de 2e voorzitter was. Met ds. Boonstra is een man heengegaan, die, schoon reeds op jaren gekomen, een jong hart had, 'n hart dat warm klopte ook voor onze jongelingen. Nog levendig herinner ik mij hoe Boonstra op een onzer Bestuursvergaderingen op de hem eigenaardige wijze het beeld gebruikte van een kanarievogel, die zijn jongen zóó lang voorzong, tot ook zij den slag te pakken hadden. Zoo moeten ook wij ouderen, had Boonstra gezegd, de jongeren voorzingen tot zij den slag te pakken hebben. Welnu, ds. Boonstra heeft onze jongelingen voorgezongen, voorgezongen van Hem, Wien te kennen en te volgen het leven is. Moge zijn woord voor vele jongelingen ten zegen zijn gevyeest. En moge het woord, waarover ik ds. Boonstra voor 't eerst hoorde preeken, aan vele jongelingen in onze Kerk bevestigd worden : „Èn Ik, zoo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken."
Ds. Beekenkamp, van Oldebroek, trad hierop naar voren en sprak namens het bestuur van den Geref.Zendingsbond, waarvan de overiedene ook jaren lid was geweest. Als wij aan een graf staan, dan herinneren wij ons vaak allerlei ontmoetingen, die wij wel eens met den overledene hebben gehad. Inzonderheid is dat het geval als wij staan aan het graf van een man als ds. Boonstra, wiens leven zoo rijk aan allerlei ervaringen was. Bijzonder is mij bijgebleven een afscheidswoord dat ik Boonstra eens tot een zijner familieleden in zijn vorige gemeente hoorde richten : „Tante, zoo sprak hij, houd je bij de Waarheid." Een andere herinnering vond ik in het Notulenboek van den G.Z.B., toen op een der Bestuursvergaderingen het Boonstra was, die tot den voorzitter zeide : „Het gaat ons toch zeker allen om de eer van den Koning." Die twee dingen, het zich houden bij de Waarheid en het zoeken van de eer des Konings zijn het kenmerk van Boonstra's leven geweest. Daarom was hij ook een zendingsman. En al hield Boonstra zich bij de Waarheid, bij de Gereformeerde Waarheid, en al was hij dus in de eerste plaats voorstander van den Gereformeerden Zendingsbond, dit sloot geenszins in dat hij geen oog had voor het Zendingswerk ook door anderen verricht. Integendeel, Boonstra was niet iemand met een eng, maar met een ruim hart, die, zoolang als God hem kracht er toe gaf, een ruim Evangelie heeft mogen verkondigen en die begeerde dat datzelfde Evangelie ook aan de heidenen gebracht zou worden. Zij ook zijn zendingsarbeid niet ongezegend geweest. i
Ds. Dekking, van Putten, sprak van den diepen indruk die het gemaakt.had, toen in de gemeente van Putten het bericht was gekomen dat God ds. Boonstra de zwarte toga had uitgetrokken en hem de witte had aangetrokken en dat naar geloofd ' en gehoopt werd, hij thans mocht wandelen in de lange witte kleederen des heils. In Putten heeft ds. Boonstra het langst mogen arbeiden.Hij heeft daar heel wat mogen putten uit de fontein des levens ; hij is er het middel in Gods hand geweest om menigeen in de put te brengen, in de put van ellende, maar om ook anderen uit dien put weer op te trekken, zoodat hun voeten kwamen te staan op den rotssteen des heils. De arbeid van ds. Boonstra zal dan ook in Putten niet vergeten worden, evenmin als de stille arbeid zijner vrouw, die het hart van de gemeente van Putten gestolen had. Thans zwijgt zijn mond in het graf, en toch heeft ds. Boonstra ook nü nog iets tot ons te zeggen. Hij heeft nog nooit zoo'n lagen preekstoel gehad als nu, maar ook vanaf dien preekstoel spreekt hij tot ons, inzonderheid tot ons die als ambtsbroeders om z'n groeve vereenigd zijn. En dan is dit zeker de vermaning die van uit dit graf, die vanaf dezen preekstoel tot ons komt dat wij ons zullen benaarstigen om, waar wij anderen prediken, zelve niet verwerpelijk bevonden te zullen worden.
Ds. Van Dijk, van Anjum, sprak als vriend van den overiedene. Verschillende herinneringen uit de vele jaren van vriendschap werden naar voren gebracht. Ook in die vriendschap bleek het dat ds. Boonstra wenschte op te komen voor de eer van den Grooten Koning. Van ons is weggegaan een man, „singulier" in vele dingen, een man die zich voor velen gaf en daardoor zich de liefde van velen inoogstte. „Ik zal steeds uw beeld voor oogen hebben, mijn geliefde vriend, en ik dank God u op mijn weg te hebben ontmoet."
Ds. Smit, van Rijnsaterwoude, teekende zijn overleden vriend in diens belangelooze liefde. „Er is een vriend die meer aanhangt dan een broeder." Men kon het de kinderen op de straat aanzien, wanneer zij ds. Boonstra zagen. Hun gezichten straalden van blijdschap. Door zijn optimisme en humorisme wist hij ons te bemoedigen. De wereld weet slechts te spreken van „een geopende wieg en een gesloten kist." Maar wij mogen getuigen van een geopenden hemel, waarin ook onze broeder is ingegaan, de overwinning verkregen hebbende.
Broeder Deetman, ouderling van Elburg, trad daarop naar voren. Ds. Boonstra, zeide hij, had het vertrouwen van den kerkeraad. In broederlijken geest gingen wij met hem om. Wij waren blij als wij hem in ons midden zagen. De Zondag was ook daarom een aangename dag voor ons, dien wij met blijdschap tegemoet gingen, omdat wij ds. Boonstra zouden hooren preeken. O, wat heeft hij de beide laatste Zondagen boeiend gesproken over den kranke, die 38 jaren ziek was ! Het was onzen leeraar niet aan te zien, dat hij zwak was. 't Scheen alsof hij lichamelijk sterk was, als hij van het geloof in Jezus Christus spreken mocht. Op onze vergaderingen waren wij gerust als ds. Boonstra de leiding had. 't Was in goede handen ! Velen mogen hem gelijk zijn, wij kennen niemand die hem overtrof. Wat zal er nu van Elburgs gemeente worden ? De Heere weet het. Hij make het goed. Het worde van Hem verwacht, Wiens gedachten hooger zijn dan onze gedachten.
Ds. Van Rhijn, emeritus-predikant van Elburg, getuigde in zeer waardeerende woorden van den arbeid van zijn collega ; gedacht ook in dankbare herinnering aan hun goeden omgang, sprak ook van de vele gaven ds. Boonstra geschonken. Den kerkeraad van Elburg riep hij nog toe : „Ik deel in uw gemis."
De heer Bolkestein, van Dordrecht, dankte namens zijn tante en familie voor de eer zijn oom bewezen.
Ds. Leenmans, van Oosterwolde, sloot de plechtigheid met gebed.
En hiermede behoort niet alleen het leven, maar behooren ook het sterven en de begrafenis van ds. Boonstra tot het verleden. Zijn stof rust in de groeve der vertering en beidt daar het oogenblik dat de bazuin zal slaan en dat de dooden onverderfelijk zullen opgewekt worden. Zijn ziel juicht voor den troon Gods en des Lams.
Moge de Heere zijn weduwe troosten en haar doen ervaren de heeriijke Waarheid van Zijn onbedrieglijk Woord : „Uw Maker is uw Man ; Heere der heirscharen is zijn i Naam."
Ook voor onzen Gereformeerden Bond is zijn heengaan een verlies. Hij was onder degenen in wier hart de begeerte leeft : , , Doe wel bij Zion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op"; en zoolang het dag was, heeft hij gearbeid aan het herstel van Gods diepgezonken Kerk.
Moge zijn voorbeeld vele jongeren tot jaloerschheid verwekken, en moge de Heere Zelf de opengevallen plaats óók in 't Hoofdbestuur van onzen Bond vervullen met een man, wiens leven, evenals dat van Boonstra, een levend getuigenis is van het woord van den dichter :
Om 's Heeren huis in u gebouwd. Waar onze Cod Zijn woning houdt. Zal ik het goede voor u zoeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's