Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 63)
En ja, men had hem thuis wel eens een en ander van haar verteld, maar zijn hoofd was immer zoo opgepropt geweest met studiezaken, dat hij naar al die familiedingetjes slechts met een half oor geluisterd, en daarom alles terstond vergeten had. De namen der kinderen van Ombra had hij vast nooit geweten.
„Ik ben nu al drie jaar weduwe. U weet, mijn man was zendeling . . . ." „O ja, zendeling . . . ." „Ross" — hielp zij hem. —
„O ja, zendeling Ross. — Ik kan geen : namen meer onthouden. — Wel, wel! al drie jaar weduwe ! Wat een rouw is er toch : in de wereld, niet waar ? — Maar gelukkig, : dat de geloovige overal op weg is naar zijn geHefden, die in den Heere ontslapen zijn. Ja, we zijn op aarde, om te rijpen voor de eeuwigheid, en de Hovenier doorwandelt ; maar steeds zijn hof om te plukken en te vergaren, wat rijp is . . . ."
„Vindt u dat niet een heerlijke gedachte, ' neef, dat de Hovenier onze geliefden ge-, zocht en geplukt heeft ? Zij zijn reeds, waarheen wij, al den dag verlangen. O, mijn man : is zoo heerlijk heengegaan. Maar zijn leven was ook geheel Christus."
Hij kon 't niet laten, haar in 't gelaat te 1 zien. 't , Was daar zoo wonder zeldzaam : . 't leek, of telkens de tranen zouden uitbreken, en toch zweefde er steeds een lach om haar mond, maar soms in zulke eigenaardige plooien, alsof ze 't schreien in zich tegenhield.
„Nicht, u lijkt veel op uw moeder! Vrouw, — o neen, jij hebt Ombra nooit ontmoet. — Precies Ombra ! — Woont u hier in de stad ? "
Pas eenige dagen, neef! Mijn oudste jongen — o neef, dat is toch zulk een lieve jongen ! — Nee, zijn moeder zegt dat niet alleen — ieder, die met hem in aanraking komt, krijgt hem lief. — Echt een kind des Heeren ! — Al 16 jaar — hij hoopt zendeling te worden — maar zoo'n kinderlijke jongen ; Zoo geloovig, en altijd vriendelijk en blijmoedig. — Maar, hij heeft ook al drie jaar op de lijdensschool gegaan ! Och neef, die arme jongen heeft toch zooveel geleden. En de professoren zeiden, dat hij ging sterven ; maar hij en ik zeiden : neen ! Twee jaar lang heb ik met hem om zijn leven gebeden, en zelfs mijn geloovige vrienden en vriendinnen gaven mij den ernstigen raad, om niet te veel hoop te hebben. Zij vreesden, dat zijn dood mij te veel zou schokken. En ik heb ze beklaagd, omdat ze zulk een armen, onmachtigen God hadden, een God, bij Wien geen hulp meer was, zoodra een professor den moed opgaf. — En ik heb het eerlijk tegen m'n jongen gezegd „Lieve jongen! de professoren en alle vrienden zeggen dat je moet sterven; maar niet waar vent? Jij en je moeder lachen met hun wijsheid. Onze God is toch in den hemel. Hij doet al , wat Hem behaagt; en Hij doet 'twelbehagen ' dergenen, die Hem vreezen. Wij vreezen | Hem en daarom vreezen we de menschen ' niet. Hij heeft gezegd : Roept mij aan, en ' Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eeren I" — ! En neef, als ik zóó met mijn jongen sprak ; — och, hij was zoo zwak en uitgeleefd ! — ; maar dan lachte hij gelukkig. — Niet, omdat hij tegen 't sterven opzag, want in Jezus wist hij al zijn heil ; maar hij geloofde, zelven , als ik, zóó aan de onbeperkte almacht Gods, en aan de verhooring van ons aanhoudend gebed, dat hij zeker was van zijn herstelling. Och, wat hebben we samen veel gebeden. Maar lang mocht ik nooit bij hem zijn, en als ik dan weer thuis kwam bij mijn andere kindertjes — o, neef ! — je had dat moeten zien, en je had dat als moeder moeten kunnen voelen - dan lagen die kinderen nog geknield te bidden, dat de Heere hun lieven broer mocht genezen en bij hen thuisbrengen. Want ik zei ze dat als ik naar mijn jongen in 't ziekenhuis ging ; ik zei, dat ik daar ging om met hem te bidden, en dat zij zoo lang mee moesten bidden. En van den kleinste tot den grootste hebben we altijd geloofd, dat de Heere broer zou genezen..."
„Maar dat was toch gevaarlijk, nicht ! Als nu eens . . . ."
, Och neef ! spreek zoo niet. Als nu eens Als nu eens God geen God ware.. Als nu eens God een leugenaar ware.... Bedoelt u 't zoo ? — Doch de Heere heeft mijn lieven jongen geheel hersteld ; en hij kan flink leeren. Nu bid ik met de kinderen, dat hij een goed zendeling mag worden, een goed krijgsknecht van onzen Heere Jezus Christus." |
De predikantsvrouw wenschte haar nicht zoo spoedig mogelijk eens te bezoeken en vroeg haar adres. Maar de predikant wilde liever dadelijk meer weten van Ombra.
„En hoe maakt het uw moeder ? " „O, heel goed, neef!"
„Waar woont ze nu ? " „Nog altijd in Bornhem. Mijn jongste zuster, die onderwijzeres is op een Christelijke school, is bij haar thuis." De predikant wreef even aan zijn voorhoofd. „Sedert vaders begrafenis ben ik niet weer in Bornhem geweest, 't Is zulk een lange reis van hier. Maar nu zou 'k toch zoo graag Ombra nog eens zien."
Zijn vrouw viel hem terstond bij : „Wel, ik zou die nicht ook wel eens willen ontmoeten. Laten we dan samen eens gaan.'
Dat stond de nicht uittermate aan.
„O, daar zoudt u moeder toch zulk een groot pleizier mee doen ! Zij hield zooveel van oom Johannes en spreekt nog altijd van hem. En misschien hervindt ze oom in u I"
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's