Uit de Pers.
Waar het vraagstuk van de finantieele verhouding vah Kerk en Staat aan de orde is, lazen we met meer dan gewone belangstelling wat blikbaar Jhr. A, F. de Savornin Lohman, ala hoofdredacteur van „de Nederlander", over deze zaak schreef, in verband met een ie gezonden stuk van dr. Kromsigt (15 Jan. 1920). Gelgk bekend, wil dr. Kromsigt „dat alle staatelieden als één man voor de belangen onzer nationale Kerk opkomen".
Big het ingezonden stak van dr. Kromsigt voegde zich ook een schrijven van een zekeren heer Thoolen, waarin ook betoogd werd, dat de Staat verplicht is de Herv. Kerk te onderhouden. Het slot van dat stuk was een weinig scherp tegenover den hoofdredacteur van „de Nederlander". Men oordeele. 't Luidde:
„Op den verderen inhoud zal ik liever niet ingaan; de toon waarop gij meent hen te moeten bestrqden, die het met u niet eens zijn, baneemt mij den lust daartoe. Maar die toon brengt u in de positie van dien kapitein, die meende dat kij nog altijd de heele compagnie achter zieh had, maar toen hij omkeek, bemerkte, dat hij bijna alleen liep".
De heer de Savornin Lohman antwoordt dan: Geldelijke ondersteuning der Ned. Herv. Kerk.
Beide heeren inzenders nemen aan dat art. 171 der Grondwet tusschen genoemde kerkgenootschappen en den Staat eene verplichting vestigt om genoemd kerkgenootschap te promoveeten tot nationale kerk. Wie ook maar iets weet van het ontstaan van art. 171 der Grondwet, weet beter. Reeds in 1815 ia alle voorrang van de eene kerk boven de andere afgeschaft. Alle kerken hebben gelijk recht, alleen heeft men aan de kerken, die vroeger de „publieke kerk" vormden, de inkomsten willen laten behouden die zij toen genoten. Of zij daarop recht hadden, is? , naar het gevoelen van bqna alle deskundigen, op zijn zachtst uitgedrukt, zeer betwistbaar. Ocze Uniestatuten behelzen intusschen de bepaling, dat men zich bij het bestaande moet' neerleggen. De 2de aliaea van art. 171 heeft gediend, althans in de eerste plaats, om ook aan andere kerkgenootschappen biilqkheidshalve aekere uitkeeringen te doen. Wil men zich op die bepaling beroepen, dan ml de Ned. Herv. Kerk daarbg weinig wol kunnen spinnen. In geen geval rust op het Rijkde verplichtiog de kerkdienaren te bezoldigen.
Maar dit nog daargelaten, niemand kan betwisten dat de Christelijk-Historische Unie van den beginne af zich principieel verzet heeft tegen geregelde financieele ondersteuning der kerken van staatswege, behalve in het in de Grondwet bedoelde geval, en zulks natuurlijk niet omdat de kerk minderwaardig werd geacht aan andere instellingen, maar, juist omdat zg is van eene andere en hoogere natuur. Bij het optreden van onze partij en ook bij de fusie met de; Friesche Christelijk-Histofische partg is' deze zaak uitvoerig besproken; ons program staat blikbaar op het grondwette-Iqk standpunt, en wg zouden, werden de inlichten gevolgd van beide heeren inzenders, noodwendig terugvallen in eene „kerkelyke politiek" met al hare geestelijke ellenden waarvan wij nu gelukkig verlost zijn.
Behalve de Ned, Üerv. Kerk en eenige weinige daarbuiten staande genootschappen, zorgt thans elke door kerkelijke banden gebonden vereeniging voor hare eigen geestelgke behoef ren. Een andere weg dan de ingeslagene zou noodv/endig leiden tot uiteenvallen der Christelijk Hiftorische Unie. Wij zijn dan ook niet bereid de discussie hierover in ons blad te heropenen, tenzij een voorstel tot wijziging onzer statuten op dit punt aan de orde wordt gesteld.
Hiermee meenen wij het debat te kunnen sluiten. Wat de slotwoorden betreft van den heer Thoolen, merken wij nog slechts op, dat wij, wel verre van onze tegenstanders te lïegeeren, uitdrukkelijk erkend hebben dat tot dusver de Christelijk-Historische Kamerclub en ons blad niet accoord gaan. Heeft de inzender die toevoeging slechts gebezigd om ons een les te geven in „den goeden toon", dien hij in ons blad Uiist, dan danken wij hem voor de bedoeling, maar denken die les niet op te volgen. Of velen dan wel weinigen ons volgen, interesseert ons minder dan of onze beweringen al of niet juist zijn. Waar zelfs de Heer der Gemeente, die toch de wereld overwonnen heeft, eenmaal door allen verlaten werd, hebben wij leeren inzien dat de vraag, hoeveel volgelingen iemand heeft bij het zoeken naar waarheid, van ondergeschikt belang is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's