De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

XIII.

Het geloof richt zich op de beloften Gods, die de door den H. Geest .wedergeborene, aan zichzelf ontdekte zondaar leert aangrijpen als de onbedriegelijke, in Christus Jezus gegronde toezegging van de vergeving en 6et eeuwig leven.

Dit alles h e e f t hij, in Christus. Dus alleen, voor zooveel hij in Christus is, en in het geloof op Hem ziet.

Zoo heeft het geloof, in zijn gezonden en normalen staat, zijne zekerheid in zichzelf.

Maar gaat nu de geloovige op zichzelven zien, in eigen binnenste omwoelen en daar zoeken naar de kenmerken van zijn genadestaat, hoe licht zal hij daar dan allerlei aantreffen, dat hem wankelen doet, tenzij hij in het geloof op Christus blijft zien I

Gaat hij zoeken naar de b e w ij z e n van zijn geloof, hij zou ze in niet anders moeten en kunnen vinden dan in zijn geloof zelf, in de volkomen wegwerping van zichzelf en 't leunen op de genade-beloften des Heeren.

Maar hoe zal het gaan, wanneer hij het oog op zichzelf slaat ? Zal hij in de kracht zijner liefde tot God en Christus den maatstaf en 't bewijs zijner geloovigheid vinden, en op grond daarvan den moed grijpen, zich te rekenen onder de kinderen Gods ?

Och arme, zal hij dan immer daarover een gunstig oordeel kunnen uitspreken, en niet veeleer zichzelf te beschuldigen hebben van veel schuldige lauwheid ?

En als hij dat niet doet, zal dan niet de eigengerechtigheid in zijn hart binnenslui­pen, en van hetgeen een b e w ij s van geloof heet te zijn, een grond voor het geloof maken ?

En bewijst niet de practijk van het geestelijk leven, dat het dikwijls zoo toegaat? De ééne vrome, die op deze wijze bij zichzelf bepaald blijft, komt nimmer in de ruimte, tot de vrijheid en blijheid van het geloof, omdat Tiij zijn jammerlijk tekort, de gebrekkelijkheid van zijne liefde maar al te goed ziet.

En de ander, die meent de liefde tot God en de toegenegenheid tot hen, die den Heere vreezen, bij zich zelf waar te nemen, hoe zal zijn houding zijn ?

Leert niet de ervaring, dat daar de rechte ootmoed vaak ontbreekt, dat zelfverheffing en geestelijke hoogmoed zijn geestelijk gelaat ontsieren ?

Misschien wèl roemen, misschien zelfs een met den mond roemen in den Heere, maar zonder innerlijke verbrijzeling des harten, zonder den waarachtigen ootmoed, die toch nimmer on.tbreekt, waar genade wordt gekend.

Hoe dit zij, dit alles leidt niet slechts tot noodig zelf-onderzoek en tot zelfbeproeving, maar licht ook tot zelfbespiegeling.

De ziel zoekt haren vrede en haar rust niet in het geloof, maar in het gevoel van gemeenschap met den Heere.

Zoo doorleeft zij de hoogste gevoelsaandoeningen, en de diepste inzinkingen, haar leyen beweegt zich tusschen zalige genieting en troostelooze verlatenheid.

En uit de diepte tracht zij weer de hoogten te bereiken, waar de gemeenschap met Christus ervaren wordt, terwijl de somberste smart en hopeloosheid de ziel overvalt, wanneer zij gewaar wordt, dat zij in haar dofheid en dorheid zich aan de verlatenheid gewennen kan, naar de gemeenschap met den Christus niet meer verlangen kan.' Dan schijnt de doodigheid wel volkomen en alle recht afgesneden, om zich tot de kinderen Gods te rekenen. En wanneer deze zelfbespiegelingen nu nog maar in evenwicht worden gehouden door de eischen en plichten van het dagelijksch, gelijk het huwelijksformulier zoo terecht zegt, van het „goddelijk" beroep !

Wanneer nog maar de taak van het dagelijksch leven, de roeping van den arbeid m e d e-blijft gesteld in het licht van 't goddelijk gebod, en gemeten aan den maatstaf van des Heeren onkreukbaar recht !

Doch het komt óók voor, dat de zelfbeschouwing, de contemplatie en het gevoelsleven een zóó overheerschende plaats gaan innemen, dat de voorwaarden van het aardsch bestaan beschouwd worden als belemmeringen voor het geestelijk leven.

Voorbeelden hiervan zijn èn in de geschiedenis van het geestelijk leven in ons vaderland, en ook in den huldigen tijd niet zoo zeldzaam.

Dit behoeft niet te verwonderen, daar de menschelijke natuur zichzelve steeds gelijk blijft.

Eén dergenen, bij wien eenzijdig de contemplatie naar voren is geschoven, en bij wien van de actie en de activiteit van het leven weinig sprake valt, is de bekende predikant Theodorus a Brakel, die den 14den Februari 1669 te Makkum overleed.

Uit zijne geschriften, en ook uit hetgeen zijn zoon, Willem a Brakel, van het leven en het afsterven zijns vaders verhaalt, spreekt een innige vroomheid, een teeder leven in gebedsgemeenschap met God.

Voor hem is de gemeenschap met God en Jezus Christus de ware gelukzaligheid.

Wanneer een Godvreezend niensch, „die gaarne in zijn hart nu en dan gevoelen wil de genade Gods, en overvloediger worden in de zoete en zalige gemeenschap met zijn God en Zaligmaker", wassen wil in die gemeenschap, en „door Zijne vriendelijke tegenwoordigheid worden verblijd, hij zal bevinden, dat hij dikwijls zóó met zijn liefsten Bruidegom Christus zal worden vereenigd, - dat hij, met de bruid in het Hooglied zal uitroepen : „Mijn liefste is mijn, en ik ben de Zijne."

Om hiertoe te geraken en hierin toe te nemen', heeft a Brakel een gansche reeks van aanwijzingen, gansch een stel van oefeningen en meditaties.

Zij zijn neergelegd in twee geschriften : „Het geestelijke leven" en wat grootendeels een omwerking is van dit eerste : „De trappen des geestelijken levens."

Alles daarin is aangelegd op het bereiken en gevoelig genieten van de gemeenschap met Christus.

Tot in bijzonderheden worden daarin de geestelijke oefeningen aangewezen en geregeld, voor de verschillende dagen der week, voor de verschillende tijden van den dag.

De eenzame meditatie neemt hierin een zeer groote plaats in, vooral van het lijden en sterven des Heeren Jezus.

De geloovige moet, zoo zegt a Brakel, zich wèl voor-houden, dat niet aan allen gelijke geestelijke gaven door God zijn toebedeeld, en dat niet alle geloovigen op denzelfden trap van geestelijk leven staan.

Er zijn pas-geborenen, kinderen in Christus, er zijn jongelingen in het geloof, er zijn ook vaders in Christus, moeders in Israël.

Van deze drie trappen van geestelijk leven spreekt hij dan ook in zijn werk, dat dezen titel draagt.

Nu zou men verwachten, dat het geloof der vaders in Christus vast en welbevestigd zou zijn, naar a Brakels voorstelling, veel meer dan dat der kinderen en jongelingen.

Maar nu is dit kenmerkend voor zijne be­schouwingen, dat wij van 'n derg elijke onderscheiding niets bemerken. In een korte opsomming van het verschil tusschen de drie trappen van geestelijk leven spreekt a Brakel wel van meer voortgang in heiligmaking, van meer kennis en inzicht in de hemelsche dingen, van meer strijd en aanvechting voor de jongelingen dan voor de vaders in Christus ; van de jongelingen zegt hij, „dat zij doorgaans sterker in het geloof zijn en in geestelijke krachten dan de kinderen in Christus ; zij kunnen meer en vaster op Gods Woord en beloften steunen."

Maar in de breedere uitwerking hooren wij niets meer over het geloof.

Wat de vaders in Christus kenmerkt is dit: zij gaan gemeenzamer met God en Christus om, zijn zeer nauw in onderlinge liefde net hem vereenigd, zij smaken en gevoelen meer de onuitsprekelijke zoetheid, die in God is, zij hebben de blijdschap van Christies voller in zich" enz. Doch ook zij zijn niet altijd zoo hoog in de gemeenschap met God en Christus en Zijn gevoelige genade. Ja, de zon van genade kan zóó in Gods kinderen verduisteren, dat zij geheel in duisternis schijnen te zitten, dat de vaders wel voor een tijd schijnen kinderen te zijn geworden.

Het verwondert dan ook niet, de vaag gesteld te zien, waaruit een geloovige weten kan, of hij ooit die gemeenschap met God en Christus recht heelt genoten en deelachtig is geweest.

Want voor den vader in Christus moge dan de genieting van Gods gemeenschap veelvuldiger en sterker zijn, het gevoel daar van wordt ook hem onthouden, evenzeer als den jongeling in Christus.

Wel wordt soms den ver-gevorderde gegund, dat hij de gemeenschap Gods geniet, zoo „dat hij wordt opgetrokken in de liefde in zijn God, alzo dat hij niet is dan liefde en boven de wereld verheven ; hij meent, dat hij in de wereld niet langer kan zijn, maar begeert in die liefde ontbonden te wezen en wenscht naar den dag van Christus' komst. Hij wil met een gedurige liefde leven met zijnen God en Zaligmaker ; hij is verbonden in liefde en niet anders dan liefde, hij wil niet dat er één schrede, niet een gedachte tusschen hem en de liefde kome."

.Waar de tijden zijn ook niet zeldzaam, dat dit gevoel verdwijnt, dat de ziel eenzaam en ongetroost wordt gelaten, en in diepe duisternis terneer ligt.

Hoe zal zij dan getroost worden, hoe zal dan de geloovige weten, of hij inderdaad de gunst Gods deelt, die hij op die oogenblikken niet geniet ?

a Brakel wijst dan verschillende wegen en middelen aan.

De geloovige herinnere zich de dagen van ouds, toen hij Gods liefde gevoelde in zijn hart.

Hij bedenke, dat de droefheid over het oogenblikkelijk gemis van de gemeenschap Gods een bewijs is, dat hij ze vroeger wèl heeft genoten ; hoe zou hij haar anders missen? Ook dit is 'n bewijs van genade.

Hij overwege, hoezeer een blik van Gods genadige tegenwoordigheid zijne ziel zou verkwikken. Hoe zou dit het geval kunnen zijn, wanneer hij nooit gemeenschap had gehad ?

Het verlangen zelf mag doen hopen, dat God wederom tot de ziel zal komen ; daarom mag zij zeker zijn van Gods gemeenschap en genade.

Dat hij die gemeenschap met Christus zoo hoog acht, mag als een bewijs gelden van genade, immers de waarde ervan zou hij niet zien tenzij hij wederom geboren was.

Afgezien nu van de vraag, of deze overwegingen de ziel, die ingezonken is en het gevoel van 's Heeren gemeenschap mist zullen vertroosten, is toch ook dit wel duidelijk : voor haar verzekerdheid wordt zij hier niet gewezen buiten zichzelve, niet op de vastheid en trouw van de genade Gods ; maar bepaald wordt de ziel bij zichzelf, bij herinnering aan vroegere vreugde, bij kenteekenen, die zij aan zichzelve kan waarnemen.

Zoo is het geestelijk leven niét 'n opwassen in geloof ; terwijl het kind van God steeds meer ontdekt wordt aan zijn eigen verkeerdheid, wast in dezen weg niet het vast en rijk besef van een genade, die den goddelooze rechtvaardigt, die om niet, om het werk van Christus, het eeuwige leven schenkt. Doch het geestelijk bestaan blijft een heen en weer geslllingerd worden tusschen twee uitersten ; het beweegt zich tusschen de twee polen van een hoog opgevoerd gevoel en een diepe ingezonkenheid, wanneer dat gevoel, na sterk gespannen te zijn, is verslapt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's