Feuilleton,
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
64)
, Dat denk ik niet, nicht ! — Er zijn weinig zulke mannen als vader was. Uw moeder zal dat goed met mij eens zijn. Vader was een man des 'geloofs, een eenvoudig man ; er ging kracht van hem uit. Aan zulke mennen, als vader er een was, ontbreekt het ons nu te veel. — Ik ben blij, dat ik u heb leeren kennen, nicht! Als vader en moeder dat eens geweten hadden ! •— Een dochter van Ombra de vrouw van een zendeling onder de heidenen, de moeder van een zendeling... van zendelingen — geve het de Heere ! Kleindochter van oom Aardt uit de „Gouden Posthoorn..
Neef Willem moest nog een zieke bezoe I ken. De beide vrouwen bleven alleen, en nu eerst werd het gesprek recht levendig en - — intiem. Wat ging het alles uit het hart tot het hart! Want beide vrouwen hadden in • hun leven zooveel van de kracht des gebeds ervaard. En nu was 't een roemen in de genade en liefde haars Heeren Jezus Christus.
Toen de predikant terug kwam — de nicht was al vertrokken — zei zijn vrouw :
„Wat een heerlijk juweel die achternicht van ons toch is ! Is Ombra ook zoo ? "
, Dat zullen we zien, vrouwtje, als we haar eens bezoeken."
Hoofdstuk XXIII.
Dat was Ombra, groot van statuur en • stevig gebouwd, een bejaarde vrouw in 't zwart gekleed.
Haar verrimpeld gelaat geleek een winIterschen doolhof, en de ingang tot dien; doolhof waren haar oogen ; en 't eind-en rustpunt waren weer haar oogen. Maar de j rust daar beangstigde niet meer, omdat de j ontbladerde takken al 't licht van omhoog doorlieten.
Ja, dat was Ombra.
Ze stond in haar volle lengte voor den schoorsteen, nog een weinig ontdaan, omdat ze van daar door 't raam een heer en een dame haar straatje had zien opkomen. Dan had de heer de voordeur geopend en was regelrecht in de deuropening der kamer gekomen ; en daar was hij blijven staan, met ontroering zijn blik op haar gevestigd. 't Laatst had hij haar nog op vaders begra fenis gezien ; maar toen was er meer familie geweest, en had hij haar geen bijzondere aandacht gewijd. Hij herinnerde zich haar alleen maar duidelijk als jong meisje, en toch zag hij nu terstond, dat zij Ombra was.
„Dag Ombra !" „Dag Willem !" '
Hoe ingelukkig glansden die oogen ! En welk een teere glimlach om dien mond ! Of — zou ze nu gaan schreien? — Neen, 't was ' toch ....
„Dag nicht !"
Zijn vrouw had gewild dat hij vóór zou gaan. „Dat is mijn vrouw, Ombra !" Ombra knikte, gaf haar de hand en zei ook :
„Dag nicht ! Ik heb nicht nog niet eerder ontmoet. Kom, dat is goed, dat we elkander eens zien. — Niet waar Willem ? Ik ben oud geworden ....''
„En ik dan ? — Ja, wat is 't leven toch kort. — Wel Ombra, wat ben ik blij, dat ik je nog eens zie. Je bent niets veranderd. En met wat 'n genoegen hebben we kennis gemaakt met je dochter en haar gezin !"
Mevrouw deed terstond mee :
„O, hoe rijk ik met je dochter ben, kan ik niet zeggen. En wat een lieve, Godvreezende jongen, die Wijnand !"
Nu werd het bij Ombra echt lachen en schreien gelijk.
I „Truitje heeft mij al een paar maal geschreven, dat ze ook zooveel van nicht houdt!"
Ombra ging even naar 't keukentje, zeker om water te koken, en de predikant en z'n vrouw gebruikten de gelegenheid, om een en ander in deze lieve, eenvoudige kamer eens op te nemen ; alles was even rein en net.
„Wat woon je hier toch lief, en wat een gezellig, mooi uitzicht !" zei mevrouw, toen de nicht weer was binnengekomen, en hij vroeg dan :
„Je kunt hier zeker ; nog al leven zoo ? "
En dan vertelde ze, hoe ze van 't tractement van haar jongste dochter best samen konden leven. Maar de andere dochters, die beiden verpleegster waren, wilden toch ook mee voor moeder zorgen. En die kwamen ook dikwijls thuis, al was 't nooit voor heel lang,
„Ja, wat dat betreft, heeft de Heere het wonder wél gemaakt, en heb ik nooit zulk een rijk leven gehad als nu. Ik heb wel nooit gebrek gehad, maar zooals ik 't nu heb •— wel, ik kan leven als een mevrouw. Het had best wat minder gekund, wat het aardsche aangaat."
Daar stak iets achter, dacht Willem, en hij vroeg :
„Nu, en 't andere ? "
„Ja, Willem ! hoe zal ik 't zeggen 't Is goed, 't is best; maar ik vrees, dat ik niet altijd eenswillend ben met den Heere. 't Is of ik altijd het heimwee heb ; ik ben hier niet thuis ; Wijnand is nu al zoo lang daar, en ik wacht maar altijd. Want daaf zal ik eerst tot rust komen ! Ik weet wel, dat het maar één schrede is, maar 't is me toch nog te ver. 'k Verlang soms zoo. Zie, 'k zou zoo blij zijn, als ik wist, dat de Heere mij spoedig thuis haalde. — 'k Heb alles hier op aarde, wat een mensch van de aarde begeeren kan. Er is geen moeder zoo gelukkig met haar kinderen als ik. Alle vier leven ze voor den Heere. Waarlijk, ik denk, dat ik de gelukkigste van alle moeders ben, maar daarom moest ik — dunkt mij — niet zoo verlangen.... Mijn ziel wacht op den Heer als wachters op den morgen. 0, ik bezwijk soms van verlangen naar Jezus."
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's