De dorps-diaconie.
Ombra
Het leven op een dorp verschilt zoozeer van het stadsleven dat dit verschil zich noodzakelijk ook in het kerkelijk leven afspiegelt. De diaconale arbeid op een dorp is niet alleen geringer van omvang dan in de stad ; aard en wijze van arbeiden loopen vaak geheel uiteen.
Menschen uit de stad, die eens of tweemaal per jaar een»paar weken op het land doorbrengen, verbazen zich over den eenvoud van het dorpsleven. Het dorp doet zich aan den vreemde vaak voor als één groote familie. Deze of gene dorpsschets, die men gelezen heeft en onder welks invloed men de buitenmenschen beschouwt, wekt de voorstelling, alsof het leven onderling daar even vredig is als de zomersche avond, waarop bij zonsondergang de muggen zoo heerlijk gonzen en het wegvloeien van het daglicht in het zachtroode van den horizont zulk een rustige, vredige stemming over alles uitgiet.
Wie het dorpsleven van nabij kent, beziet het anders. Het leven op een dorp heeft zijn licht-maar ook zijn schaduwzijden. En de diaconale arbeid op een dorp is niet altijd zoo eenvoudig, als van deze of gene zijde wel eens wordt voorgesteld. Het werk geschiedt vaak gebrekkig en juist, omdat deze gebreken menigmaal samenhangen met misschien eeuwenoude dorpsgewoonten en dorpsinzichten, is het niet immer gemakkelijk daarin verbetering te brengen. Gepoogd zal worden in dit artikel op enkele gebreken de aandacht te vestigen op gevaar af, dat sommige dorpsdiakenen zich daaraan stooten zullen. Misschien dat het hier of daar iemand brengt tot een vergelijking tusschen de werkelijke toestand en het ideaal, waarvan men niet alleen zoover verwijderd is — want dat zal altijd blijven — maar dat men bijwijlen geheel uit het oog heeft verloren. Echter willen wij niet nalaten met nadruk te verzekeren, dat het noch onze bedoeling is om het werk van onze dorpsdiakenen klein te achten, noch met het noemen van de bezwaren te zeggen, dat deze op elk dorp gevonden worden. Hier vindt men dit ; ginds weer iets anders en al wordt thans op de lichtzijde van de dorpsarbeid niet gewezen, dat deze bestaat bedoelt ons artikel allerminst te ontkennen.
Van geschreven wetten houdt men op een dorp niet. De ongeschreven eeuwenoude wet der gewoonte is boven alles geldend, wordt het nauwkeurigst geëerbiedigd. In de distributietijd heeft men op menig dorp geleefd als bestond de distributiewet niet. In het kerkelijk leven houdt men dan ook met zoo Iets als kerkelijke reglementen geen rekening. Dat er 'n Reglement voor de Diaconieën bestaat, is tal van dorpsdiakenen geheel onbekend óf zoo ze van zijn bestaan al afweten, om zijn inhoud bekommeren zij zich niet. Nu kan men dat misschien gelukkig noemen, inzooverre het Reglementaire immer strak en stijf is en weinig aanpassing kent aan het werkelijk leven, maar het is te betreuren, inzoovere menig goed beginsel, in genoemd Reglement neergelegd, thans in de practijk wordt verwaarloosd. De arbeid klemt zich krampachtig vast aan overgeleverde vormen en ook als men den naam van gereformeerd boven elke andere naam verkiest, wordt zelden overdacht of de wijze van werken op diaconaal terrein misschien reformatie behoeft.
Op een dorp is men gewoon sober en zuinig te leven. Dat is een deugd in meer dan één opzicht. Maar toegepast op den diaconalen arbeid ontaardt ze vaak in een ondeugd. De ondersteuning is bijwijlen zoo schriel en gering, dat ze eigenlijk niet meer is dan een fatsoenlijke fooi. En zeer teekenend is het voor den dorpsdiaken, dat hij bij uitdeeJing van naturalia meestal vrijgevig is en ruimschoots toedeelt, maar bij ondersteuning in geld op een dubbeltje ziet.
Wie het dorpsleven' niet van nabij kent, heeft geen begrip van het groot aantal twisten en veete's, die de menschen in den regel verscheuren en verdeelen. Heel dikwijls komen deze daaruit voort, dat men in het streven naar een zekere invloed en macht, met elkander in botsing is gekomen. Machtsbegeerte ligt wel zeer diep in ieder menschenhart verscholen, maar op een dorp, waar de verschillende betrekkingen, „postjes" en ambten over een betrekkelijk klein aantal nTenschen te verdeelen zijn, heeft deze ondeugd ruimschoots gelegenheid op te schieten. Zoo wordt 't diakenambt ook wel eens begeerd om „wat te zeggen te hebben" ; de armen worden hiervan natuurlijk de dupe. De wijze waarop de armen dan door den diaken worden behandeld en aangesproken, is niet immer broederlijk en christelijk. Men zou vermoeden, dat het geringe standsverschil op e, en dorp aan de verhouding tusschep armen en diakenen ten goede zou komen ; soms is dat zoo ; maar ook is menigmaal juist 't tegendeel het geval. Niet ieder dorpsdiaken kan de macht en invloed, door het ambt hem gegeven, verdragen ; hij komt daardoor soms op een hoogte, waarop hij de beteekenis van den naam diaken geheel vergeet.
De menschen houden overal van praatjes, vooral van lasterpraatjes. Op een dorp natuurlijk evengoed''als in de stad.Maar schrijver dezes is er toch van geschrokken, toen hij merkte, dat niet alleen op een enkel dorp, maar op tal van dorpen in ons vaderland, iemand, die diaken wordt, zijn goeden naam als eerlijk man daarmee kwijt is. Daarom moet men soms hem bewonderen, die dit wetende toch het ambt durft aanvaarden, want verbouwt hij zijn huis, koopt hij een orgel, doet hij een buitengewone uitgaaf, onmiddellijk hoort men het dorp .zeggen : „geen wonder : hij is tegenwoordig diaken !" Helaas, dat erkend moet worden, dat de gebreken van tal van dorpsdiakenen deze praatjes verwekken en voeden. Daar hebt ge de jaarlijksche rekening. In de kerkeraad wordt alles nauwkeurig nagezien en in orde bevonden. Als de rekening daarna ter inzage gelegd wordt is het in den regel bij den diaken aan huis, opdat liefst niemand zal komen. En wee hem, die toch inzage zou durven vragen ! Een voorstel om de rekening op een meer publieke plaats ter inzage te leggen, wordt meestal afgewezen. Dat is nooit zoo geweest. Dan zou misschien iedereen inzage komefi nemen. En dat is volstrekt niet noodig. Men moet de menschen niet wijzer maken dan ze zijn. En menig dorpsdiaken gaat voort zijn werk in een waas van geheimzinnigheid te hullen, zoodat tal van menschen op het dorp er niets van gelooven willen, dat er jaarlijks nauwkeurig rekening wordt gedaan.
Een ander euvel aan feiten ontleend. Behalve degenen, die geregeld ondersteuning ontvangen, zijn er tijdelijk bedeelden; in den winter, als er geen werk is of ook wel in den zomer, als de kostwinner ziek wordt. Dan gaat de arme naar den administreerenden diaken. En het gebeurt, dat deze een ondersteuning geeft zonder met den anderen diaken, zonder met den kerkeraad te raadplegen. Eenige weken kan dat voortgaan zonder dat iemand van de andere kerkeraadsleden van de ondersteuning afweet, veel minder weet of deze groot of klein is. Als het geval ter sprake komt in den kerkeraad, blijkt dat de diaken zooiets heel gewoon vindt; waarvoor is hij anders administreerend ? Misschien heeft de dorpsgewoonte hem parten gespeeld of is niets dan een zeker gevoel van eigenwaarde de drijfveer geweest, maar hij vergeet dan toch dat door dergelijke handelwijze de lasterpraatjes nieuw voedsel ontvangen I Waarom niet meer openlijk gehandeld ? Er steekt toch geen vernedering in, dat de administreerend diaken het met meerderheid van stemmen genomen besluit van den kerkeraad uitvoert, ook al zou dat eenigszins afwijken van zijn voorstel ? Of is het niet veel ergerlijker, dat in tal van dorpen immer eer de beschuldiging van oneerlijkheid opduikt? Laten toch onze diakenen deze praates de pas afsnijden en ook den schijn des waads vermijden.
Het is nog niet zoo lang geleden, dat van ekere gezaghebbende zijde opgemerkt erd, dat het werk van 'n stadsdiaken zooeel moeilijker is dan van zijn collega op 't orp, ook al omdat deze laatste zijn armen van nabij kent en van al hun levensomstandigheden op de hoogte is, terwijl de eerste alleen na langdurige en zorgvuldige informaties een kijk krijgt op den aard van het gezin, dat ondersteuning behoeft. Daar nu steekt eenige waarheid in. Maar deze waarheid heeft ook haar keerzijde. In zooverre op een dorp de diaken wel eens tè goed bekend kan zijn met bedoeld gezin. In dezen zin. Op een dorp komen alle menschen met elkander in aanraking en vormen daarnaar in den regel hun oordeel over elkander, indien ze tenminste een zelfstandig oordeel vormen en het niet eenvoudig overnemen van den kring, waartoe ze behooren. De dorpsdiaken behoeft dus zijn oordeel over den arme niet meer te vormen op het oogenblik, dat deze ondersteuning behoeft en vraagt ; hij kende hem reeds van vroeger ; zijn oordeel is al lang geleden gevormd. Maar het behoeft geen betoog, dat dit oordeel vaak eenzijdig is. Soms wordt het gevormd door omstandigheden, waarin de diaken eertijds zelf belanghebbende was en waardoor hij alles van uit zijn eigen standpunt beschouwde, soms ook rust het oordeel op verhalen, die men reeds in zijn jeugd over bedoeld persoon hoorde, maar waarvan de betrouwbaarheid niet meer te controleeren valt. En nu kan men wel zeggen, dat daarmee geen rekening mag worden gehouden, maar armenzorg is zulk een persoonlijke zaak, dat ten slotte iedere diaken in zijn verhouding tot den arme beïnvloed wordt door zijn particuliere opinie, die hij over den arme heeft evengoed als ook de verhouding van des arme tot den diaken beïnvloed wordt door het licht, waar in hij den persoon van den diaken beziet. Daarom maakt juist die groote bekendheid met elkaar op een dorp de diaconale arbeid uit zedelijk-geestelijk oogpunt bezien zoo moeilijk.
Nu zouden wij nog wel meer moeilijkheden en gebreken van het dorpswerk kunnen noemen. Maar ons artikel zou daardoor eenigszins de schijn kunnen krijgen van een acte van beschuldiging en dat is toch gansch de bedoeling niet. Het is door het noemen van enkele bezwaren juist onze bedoeling geweest om te doen zien, dat men niet te licht moet oordeelen over het werk van een dorpsdiaken. Laat toch niemand denken, dat men op het dorp voor het diakenambt menschen kan gebruiken met minder gaven en minder toewijding dan in de stad. De vereischte hoedanigheden mogen in sommige opzichten voor beide verschillend wezen, maar op een dorp heeft men evengoed hoogstaande mannen met breeden blik en liefderijk hart noodig als in de stad. Om de bezwaren, die den arbeid op een dorp aankleven, te boven te komen, is veel meer zelfverloochening noodig dan wel eens gedacht wordt De diakenen der eerste Chrjsten-Gemeente waren mannen, vol des Heiligen Geestes. Dat is het, wat onze dorps-en stadsdiakenen • nog noodig hebben; waardoor hun werk vruchtbaar zijn zal en zal strekken tot verheerlijking Gods. God de Almachtige verleene onzen mannen rijkelijk van dien Geest, die immer in rechte wegen doet gaan en voor de arme en verdrukte het goede ieert zoeken naar lichaam en ziel beide.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's