Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
65)
(Slot.)
Mevrouw had de oogen vol glanzende tranen. Bij de moeder hier voelde ze 't zelfde, als wat haar immer zoo sterk naar de dochter heentrok: 't verlangen naar 't volkomen bezit van Jezus. Zij zelf kende dat verlangen ook zeer goed, maar niet zoo aanhoudend, als ze 't in de dochter en nu ook in de moeder waarnam.
„Al 's werelds heerlijkheid is niets in vergelijking met Hem, Die ons zoo onuitsprekelijk liefheeft, niet waar, Ombra? — Het is zoo natuurlijk, dunkt me, dat de Apostel Johannes, als hij den Heere in Zijn heerlijkheid heeft gezien, uitroept: Ja, kom, Heere Jezus! — En de Heere zelf schijnt geen blijder troostboodschap voor de Zijnen te kennen, dan deze: „Ziet, Ik kom haastelijk!"
Ombra begon te lachen, 't Was dus niet kwaad, dat zij altijd, altijd verlangde naar den Heere Jezus! Zij mocht dus verlangen, en de Heere Jezus zelf scheen ook te verlangen, waar Hij 't telkens herhaalde: Ik kom haastelijk!
Willem zag aan haar gelaat, dat de woorden zijner vrouw haar ziel hadden verhelderd, en om daar nog meer licht te bren-gen zei hij:
„Ja, en wat zoo heerlijk is? — 't Is in de Openbaring niet alleen de Bruid, die zegt : Kom, Heere Jezus! - maar er staat zoo uitdrukkelijk: En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! — 't Is dus niet alleen de wedergeboren mensch, die al maar roept om de komst van Jezus, gelijk een jong kind om de moeder; maar 't is de Heilige Geest Zelf, die mee roept Want daarom beweegt zich alles, en daarheen drijft de Geest, dat de Bruidegom en de Bruid tot elkander worden gebracht, om eeuwig bij elkander te zijn. Bij den Heere Jezus zijn, daarom is 't alle verlosten te doen!"
Och, wat was die Ombra blij!
Haar neef en nicht zouden om vijf uur terug komen, om dan ook eens met de jongste dochter kennis te maken. Nu moesten ze eerst een paar oude vrienden bezoeken.
En toen Ombra hen uitleidde, was al 't triestige uit haar blik verdwenen. Ze lachte frisch en zei:
„Willem, luister eens! — Ik heb nog zoo vaak gedacht: och, kon ik oom Johannes nog maar eens hooren bidden! En toen je hier pas was binnen gekomen, lag mij dat weer op de lippen, want omdat ik jou zag, dacht ik aan oom Johannes. — En nu ben ik zoo blij, dat jij en je vrouw mij dat gezegd hebt, dat alle kinderen Gods van alle tijden naar Jezus hebben verlangd, en dat het een vanzelfheid is, en dat het mag, en de Heilige Geest ook zelf verlangt."
Zij hield zijn hand vast en omklemde die gevoelig ; zij zag hem overgelukkig in de oogen en zei :
„'t Gebed van oom Johannes is nu niet noodig geweest!"
Willem had - de pakkende hand zijner moeder gevóéld, en "t werd hem wonderlijk te moede en hij zei : Ombra ! voor den troon van onzen Heere Jezus zullen we al 't verlorene terug vinden"
Zij tuurde langs hem heen, zoo wonderlijk, alsof ze daar heel ver iets heerlijks zag, en zei : „Al 't verlorene — wat zal dat véél zijn ! Maar de Meester 't eerst !"
Naschrift.
Het handschrift van dit boek was reeds bij den uitgever, toen de schrijver op reis 'n dame ontmoette, die bij nadere kennismaking een dochter bleek te zijn van Ombra, een kinderlijk geloovige dochter. Zij wachtte op een reisgelegenheid naar 't van ons verst verwijderd werelddeel.
Eenige weken later hoorde de schrijver, dat Ombra in haren Heere was ontslapen, en daar er voor genoemde dochter nog geen reisgelegenheid was — wegens den wereldoorlog — had deze het groote voorrecht, dat ze bij haar moeder had kunnen blijven tot aan haar dood.
Kort daarna ontving de schrijver 'n brief, waarin hem onder meer werd meegedeeld, dat mijnheer Brants, de zoon Max, nu bewoner van het mooie buiten, en vader van een gelukkig gezin, plotseling was gestorven, binnen één minuut tijds gezond en zielloos.
Nader onderzoek naar bijzonderheden bleef geheel zonder gevolg, tot de schrijver — op reis — iemand ontmoette, een werkman, die in Bornhem gewoond en mijnheer Max Brants gekend had. Op de vraag : „Leefde en stierf Max als een Christen ? " antwoordde hij :
, , Ik weet het niet.; ik durf daarvan niets te zeggen. Zijn laatste woorden waren : o. God ! — Omdat u belang in hem stelt, wil ik u iets van hem vertellen, 't Laatste jaar, , dat ik in Bornhem woonde, moest ik op zekeren dag bij mijnheer Max Brants komen voor een kleine reparatie aan zijn rijtuig. Ik was met mijnheer alleen in 't koetshuis en 'k vond dat een zeldzame gelegenheid, om eens met hem te spreken over 's men-' schen eenig noodige. Den vorigen dag had , ik gelegenheid gehad, met een armen ruwen ; kerel uit een doortrekkenden woonwagen, waaraan ik iets repareeren moest, te spreken over zijn eeuwig belang en de man was er bepaald dankbaar voor, dat ik daarover met hem sprak. — En nu met den ' rijken, vriendelijken mijnheer Brants.
Wat mijnheer van zijn geloof was, wist ik ! niet: zulke voorname menschen leven zoover van je af; 't is of ze op een eiland wonen, waar je nooit bij hen kunt komen. — Maar nu was ik met hem alleen in 't koets huis. En 'k dacht : dit gunstig oogenblik is van God, en komt misschien nooit terug. Ik sprak heel ernstig met hem, en hoe gebrekkig het er meestal bij mij uitkomt, hij luisterde, en zei zelfs, dat hij het zeer vriendelijk van mij vond. — Maar toen hij aan 't woord kwam, bleek het mij, dat hij Modern was : hij hield den Bijbel voor een goed en nuttig boek, maar van zonde en eeuwige vergelding, van verzoening door Jezus Christus, zooals de Schrift ons leert, wilde hij niets weten. — Maar toen — dat begrijp je — werd het bij mij eerst hooge ernst. Toen heeft God mij doen spreken. — En mijnheer bleef vriendelijk, heel vriendelijk zelfs. En 'k denk, dat het gesprokene hem goed raakte. Want den anderen morgen vroeg, vóór acht uur, was hij al bij mijn baas ; toen had hij dus al een half uur geloopen — zoo'n rijke heer ! — En wat boodschap had hij ? — Hij kwam informeeren naar 't levensgedrag van dien knecht, die gisteren bij hem was geweest. — Begrijp je ? — Mijn levensgedrag moest voor hem uitwijzen of de Bijbel al of niet waarachtig Gods Woord is. — Of 't hem ook gepakt had ! — Maar zie je, zulke menschen leven zoo afgezonderd. Wat kan je van hen weten ? — Toch ben ik blij, dat zijn laatste woorden waren : O, God ! — Misschien vulde zijn ziel het wel aan met wat er op volgt : Wees mij zondaar genadig ! — Maar wij weten dat niet."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's