De zekerheid des geloofs.
XIV.
Het zou niet moeilijk vallen, met nog talrijke aanhalingen de reeds gegevene te vermeerderen.
Doch hetgeen wij bij-brachten is genoeg om het geestelijk leven te karakteriseeren, zooals het in breede kringen van het gereformeerd piëtisme zich voordeed.
En ieder, die eenigszins bekend is met de kaart van het land, weet dat dit verschijnsel in het geestelijk leven volstrekt niet tot het verleden behoort, maar in onderscheidene streken, van ons vaderland zich veelvuldig voordoet.
Het verleent aan veler vroomheid een eigen karakter, waardoor zij in sommige opzichten even dicht nadert tot de mystiek der Roomsche Kerk, als zij zich verwijdert van de oorspronkelijke motieven van de Godsvrucht bijv. van een man als Calvijn.
Wij wezen er reeds op, hoe bij een vroom held gelijk zij bij Willem Teellinck tot uiting komt, het zwaartepunt komt te liggen in het gevoels-leven ; het gevoel van de vereeniging met Christus, die gaarne geteekend wordt als de bruidegom der ziel en met de bewoordingen, waarmede het Hooglied den Bruidegom roemt, wiens Bruid de K e r k„ het V o l k des Heeren is, is het hoogtepunt van zaligheid, hier op aarde te genieten. En de ziel van den vrome, die dit gevoel van genadige tegenwoordigheid haars Heeren mist, kwijnt en treurt als een plant in den kelder.
Daar, natuurlijkerwijze, de gevoels-aandoeningen waarin de gemeenschap met den Heere genoten wordt, dikwijls zullen gevolgd worden door een sterken terugslag, , zullen de tijden van ingezonkenheid en verlatenheid niet uitblijven, en is het geestelijk leven aan zeer sterke schom.melingen ten prooi.
Wordt nu de zekerheid van den genadestaat gezocht niet in het geloof, dat zich neerlaat op de genadige beloften en de onwankelbare trouw van den God des Verbonds, maar in de genieting van Zijne genadige tegenwoordigheid, dan zal onvermijdelijk die zekerheid wisselen, nu eens verdwijnen, dan weer aanwezig zijn, en de ziel in zeer afwisselende stemmingen vinden, zoodat zij is als een landschap onder jagende wolken : 't eene oogenblik zich badend in klaar licht en koesterende warmte, het volgend oogenblik de zonnestralen onderschept door een zware wolk.
Het ligt voor de hand, dat een aldus gerichte vroomheid zich isoleert. En wel in dubbelen zin.
Vooreerst zóó, dat zij steeds met zichzelf bezig is ; zij is naar binnen gericht, zij slaat met onrust en angst zichzelf gade.
Opgevoerd tot een hoogte, waar zij de aanraking van de hand des Eeuwigen meent te gevoelen, en het licht van Gods aanschijn geniet, breekt de ziel uit in jubel en prijst de deugden des Heeren.
Maar óók waar zij zich een wijle in de ruimte gesteld voelt, kwelt reeds de onrust, de angst voor den tijd, dat het licht weer zal verduisterd worden.
Er is zóó geen rust en geen tijd voor actie, enkel gelegenheid voor reflectie.
Vaak gaat het als in het natuurlijk leven met iemand, die vreest, dat hij aan een of andere kwaal lijdt. Hij slaat angstvallig de levensverschijnselen gade, hij neemt zichzelf waar, let op zijn uitzicht, of het nog wel gezond is, is gedurig bezig met de gedachte, of zich soms iets voordoet bij hem, dat als een symptoom van de ziekte moet worden beschouwd.
Wat meent gij, lezer, zal zóó iemand bekwaam en geschikt zijn om de taak te verrichten, waartoe God hem roept in 't leven ?
Zal niet zijn actie zoo al niet verlamd, dan toch zeer sterk belemmerd zijn, doordat hij zoozeer met zichzelf bezig is ?
En zien wij het niet dikwijls zóó gaan in het geestelijk leven ?
Het is vaak oprechte vroomheid, die dorst naar God, gelijk hét hert schreeuwt naar de waterstroomen. Daar is waarachtige ootmoed, een klein denken van zichzelf, een diep besef van afhankelijkheid, een vurig begeeren naar het smaken van de gunst Gods.
Gij zoudt zulk een ziel zoo gaarne de ruimte en het licht gunnen, waarnaar zij verlangt ; gij twijfelt niet, of deze door ojizekerheid gekwelde, die het licht maar niet ziet doorbreken, mag tot de kinderen Gods worden gerekend.
Maar gij kunt aan zulk een ziel de zekerheid niet geven ; haar die opdringen gaat evenmin als ze haar aanpraten.
Zou zulk èèn niet verder zijn, dan hij of zij zelf weet ?
Indien beseft werd wat het geloof is, zou dan de zekerheid des geloofs niet doorbreken, en moed en blijdschap schenken ?
Maar nu I Het blijft een tobben en zuchten, een omwroeten in eigen binnenste.
En daardoor is ook de levens-actie verlamd, of tenminste zeer belemmerd.
Het is een zoeken naar de ervaring van de gemeenschap des Heeren, of 'n genieten daarvan. Doch een loopen in den weg Zijner geboden wordt soms niet gezocht.
Van de belijdenis van den psalmdichter : „ik heb mijne voeten gekeerd naar Uw getiïigenis" is in zulk een leven, waarin de gevoelsaandoeningen zoo sterk overheerschend zijn, dikwijls geen sprake.
De klemmende eisch van Gods wet en de liefde tot Zijne geboden komt niet zelden ver achteraan in een geestelijk bestaan, dat voornamelijk op het gevoel drijft.
En als dat gevoel dan nog maar echt is ! Als dan nog maar de begeerte naar het genieten van zielsgemeenschap met den Christus oprecht en ongeveinsd en zonder een doodsgevaarlijk zelfbedrog is
Want zélfs dan is er gevaar, dat op de spanning en overspanning van het gevoel een reactie volgt, waarin de oude mensch met verdubbelde kracht zijn werking doet gevoelen en de Verzoeker met dubbel-sterke verlokkingen komt.
Maar hoeveel te meer zal de oude natuur haar macht doen gelden, wanneer in deze gevoelsaandoeningen het zelfbedrog aan het woord is van het arglistig, onwedergeboren hart, dat met een schijn van Godsvrucht zichzelf wil tevreden stellen, en den Heere meent te kunnen bedriegen.
Dan vooral ligt het ontzettend gevaar voor het grijpen, dat een onbekeerde gansch niet rekent met den eisch der heiligmaking, en dat met de mystieke gevoelsaandoeningen een ongetemperd gehoor geven aan de eischen van het zondig vleesch hand aan hand gaat.
Op deze wijze ontstaat het „isolement" van een vroomheid, die niet uit het geloof opkomt, niet in het geloof wortelt en niet uit het geloof leeft.
Het gevoel is overheerschend. Maar over den wil die zich bij de kinderen Gods te voegen heeft naar het gebod des Heeren, heerscht het Woord en de Geest Gods niet. En het onbekeerde leven gaat voort in het oude spoor, hoewel misschien ook de verstands-kennis van de Waarheid Gods zeer groot is.
Ook in een ander opzicht valt er bij een dergelijke geestes-gesteldheid een neiging tot isolement op te merken, waarin ten deele 'n verwantschap met de Roomsche mystiek ligt, al mogen wij niet blind zijn voor hetgeen haar tevens van deze onderscheidt.
Toch is er bij vele vromen, .die de diepten en hoogten van het leven met God vooral in het gevoel zoeken, een neiging tot wereld-ontvluchting.
Natuurlijk nimmer in dien zin, waarin dat in de Roomsche Kerk het geval was en is. Het Gereformeerd Protestantisme kent, het spreekt wel van zelf, niet het afsterven van de wereld zooals de Roomsche Kerk dit in het kloosterleven tracht te verwezenlijken.
Maar evenmin is het Gereformeerd Protestantisme er steeds in geslaagd, de juiste vereeniging te vinden tusschen wereld-ontvluchting en wereld-beheersching.
Het heeft in de geschiedenis, ook in ons vaderland, dikwijls zijn kracht gezocht in het zich terugtrekken uit de „wereld", in een zich opsluiten in eigen engen kring, vanwaar men alles wat zich daarbuiten bewoog en zich vóórdeed met een zekeren angst, of met hooghartig medelijden, of ook met 'n strenge en harde veroordeeling gadesloeg.
Een scherpe grenslijn werd er getrokken tusschen de vromen en , , de wereld". Het werd een opsluiting, die alle aanraking met „de wereld" vermeed, en daardoor ook allen invloed op de wereld verloor. Het gevaar van vervloeiïng en verslapping werd misschien vermeden, maar de kans van invloed te oefenen werd gemist, en allerlei terrein des levens werd prijsgegeven aan de wereld zonder eenig besef van de roeping, die er voor het volk des Heeren ook op dat terrein ligt.
Ook op deze wijze was er een bedenkelijke en in haar gevolgen ver-reikende inkrimping van levens-actie. De geloofskracht werd niet gestaald in den strijd, de vastheid van beginsel en overtuiging werd niet beproefd en versterkt in de botsing en worsteling met een tegengesteld levensbeginsel.
En de zekerheid des geloofs werd minder geput uit de beloften en de trouw des Heeren, minder gezocht in een blij en vrank, in een ootmoedig en moedig staan in Zijne mogendheid te midden van een wereld, die Hem vijandig, toch voor Hem riioet worden opgeëischt en naar Zijn Woord heeft te hooren, dan gevonden in een streelend besef dat men van de wereld, die in het booze ligt, zich had afgekeerd, haar overliet aan haar lot, en zijn vreugde zocht in het verkeer met het volk des Heeren.
Het is moeilijk te zeggen, hoeveel benepenheid en enghartigheid hiervan het gevolg is geweest ; hoeveel eigengerechtigheid en zelfbeha.gen dit heeft gekweekt ; hoeveel het aanleiding heeft gegeven tot een gerustheid, die méér voortvloeide uit een vergelijking met de zondige wereld en die daarin verkeerden, dan uit een rusten in de ontferming des Heeren bij alle zonde en verkeerdheid, die men in eigen hart én leven altijd weer ontdekte.
Om nu nog te zwijgen van de schade, dat de inwerking van de vreeze des Heeren, bij de oprechte vromen gevonden, op „de wcleld" in haar veelzijdige en rijke levensuitingen, werd afgesneden door de afzondering waarin zeer vele kinderen des Heeren zich hielden.
Kunst en wetenschap, velerlei vertakkingen van het maatschapoelijk leven, kwamen ten eenenmale buiten den invloed der christelijke religie. Deze hield zich vreemd aan den rijkdom en de bontheid van 't door God geschapen leven. En almeer kwamen de christelijke religie en het wereldleven als twee elkander volstrekt vreemde levenssferen naast elkaar. De „wereld" ging almeer en gaat thans geheel aan de.vreeze des Heeren voorbij, waarvan zij niets meer verstaat. En die in de vreeze des Heeren leven, en zich richten willen naar Zijn Woord, zij hebben voor hun levensuitingen en - openbaringen vormen, die het contact verloren hebben met wat het leven van dezen tijd beweegt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's