De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

10 minuten leestijd

XV.

in de wereld-ontvluchting, waarop wij in ons vorig artikel wezen, lag en ligt zonder twijfel de bedoeling, een tegenweer te vinden tegen de verwereldlijking van het leven en de veruitwendiging ook van de vreeze Gods, gelijk die-in de kringen der belijders wordt aangetfoffen.

Een bedoeling, waarvan de oprechtheid moet gewaardeerd, en vaak ingegeven door smart over den droeven staat der Kerk en van het geestelijk leven, waarover bijv. in de 17de eeuw in ons vaderland de besten en edelsten met recht klaagden.

Een streven, dat er zeker toe bijgedragen heeft, de innigheid van het geestelijke leven veler vromen te bewaren en dieper te maken die een gedurigen omgang zochten met God, en nauw en teeder voor Zijn aangezicht leefden.

En toch, al wordt de beteekenis hiervan ten volle erkend, mag de vraag gesteld, of de wijze, waarop naar hervorming en verbetering ook van het kerkelijk leven werd gestaan, wel voortkwam uit het besef, dat men had terug te keeren tot de suprematie van het geloof en zijne kennis, zooals deze geleerd was door de Reformatoren in de 16e eeuw.

Het is niet voor niet, en evenmin toevallig, dat Luther door de prediking van het geloof een reformatie van het kerkelijk leven had doen ontstaan.

Dit werd niet begrepen. Wat men verstond en beoogde als een hervorming van 't persoonlijk leven, kwam uit een geheel andere behoefte op. Voor de Reformatoren stond niet het individueel belang voorop, maar het organisch verband van het geheel.

En dit werd in de 17e eeuw bij het aandringen op reformatie niet meer ten volle beseft.

Zoo droegen die pogingen tot reformatie vooral een persoonlijk-ascetisch karakter. Dit bracht met zich, dat men dé persoonlijke vroomheid weer tot maatstaf wilde aanleggen aan het kerkelijk leven.

Het is dan ook begrijpelijk, dat deze vroomheid, die niet aangelegd bleek te zijn op kerkelijke gemeenschap, haar eigen kringen zocht, waarin zij kon gekweekt en gekoesterd worden.

Gelijk de mystieke devotie der Middeleeuwen haar toevlucht vond en bloeien kon in de kloosters, vond in het protestantisme deze vroomheid haar vruchtbaren bodem in conventikels en gezelschappen.

Dat op deze wijze het kerkelijk leven moest verslappen, behoeft geen betoog.

Immers aan het kerkelijk leven werd en wordt op deze wijze veel oprechte en diepe vroomheid onttrokken, die haar voedsel zoekt in een kring van gelijk-gezinden, zoo mogelijk van enkel bekeerden, die menigmaal het correctief mist van het geheel en van de prediking des Woords, en dan 't gevaar van afdwaling en ontaarding niet zelden ten prooi valt.

En waar binnen de grenzen van het kerkelijk leven het conventikel-wezen bloeit, dat van de Kerk gebruik maakt, maar de centrale beteekenis van het geloof, zooals het ook door Calvijn verstaan werd, niet meer beseft, daar kan het niet anders, of de Kerk zelve ondergaat den invloed van de onverschilligheid voor het leven der Kerk.

Hier ligt misschien gedeeltelijk de verklaring voor het droevig gemis aan besef van den dringenden aard en het nijpend karakter van het kerkelijk vraagstuk, dat in breede kringen van het gereformeerde volk valt op te merken.

Er is een malaise, een onverschilligheid, 'n onaandoenlijkheid voor het kerkelijk probleem, die verbazing en droefheid wekken.

Vanwaar toch dit alles ? Mede hierdoor, dat velen voor de Kerk als zoodanig weinig meer voelen. En dit niet alleen onder den invloed van de verwarring en verdeeicihcid, die gedurende tientallen van jaren het kerkelijk leven heeft verscheurd ; maar zeker ook, omdat men de Kerk wel in dienst wil stellen en gebruiken in het belang van zijn persoonlijke vroomheid, maar niet den eisch en de beteekenis der Kerk als Kerk erkent.

Indien de vromen maar 'n prediking kunnen hooren naar hün smaak, en de leeraars maar een gehoor om zich heen verzamelen kunnen, dat getrouw hèn volgt, zijn zij tevreden. Zij beseffen tesamen niet, wat men eigenlijk nog anders zou wenschen, of het moest zijn, dat de gansche wereld precies was als zij zijn.

Maar voorts bekommeren zij zich weinig om het verval der Keïk. Zij hebben geen oog voor de gevaren, die haar bedreigen in een tijd als de onze is ; en indien al de vraag eens wordt gesteld, hoe het toch komt, dat de stroom van het wereldleven ten eenenmale langs de Kerk heen gaat, zoodat zij daar staat in een droevig isolement, zonder dat men op haar let en met haar rekent, dan is gemakkelijk genoeg het antwoord gevonden in de verwijzing naar den geest des tijds en den toenemenden afval van het geloof.

­ Maar de vraag komt niet op, of nog wel het geloof in zijn alles-beheerschende beteekenis wordt beseft en gepredikt in die Kerk.

De schuld wordt, en ten deele met recht, gezocht bij de voortgaande vervreemding van het Woord des Heeren ; maar of ook niet de Kerk zelve schuld heeft, is bij velen geen kwestie.

Dat het gereformeerd protestantisme zijn roeping niet steeds heeft verstaan, het komt niet èn bij hen, die zich hebben opgesloten in eigen nauwen kring, afgesloten van wat hun eigen tijd beweegt, en knus en zelfvoldaan zich behagend in de oude, bekende voorstellingen.

Is het wonder, wanneer de persoonlijke vroomheid tot maatstaf wordt gemaakt van het kerkelijk leven, dat dan óf van de Kerk weinig meer wordt verwacht, omdat zij weigert, aan dien maatstaf te beantwoorden, of van haar ellende, van haar weggedrongen zijn uit het leven de smaad en de schande niet wordt gemerkt, omdat men voor zijn persoonlijke behoeften nog wel bevrediging vindt binnen haar muren ?

En het wordt niet gezien, dat de stormen zich al aankondigen aan den horizon, die straks zullen opsteken en haar havenen ; dat de moker al gereed ligt, die haar muren zal doen vallen !

De zekerheid des geloofs is gegeven in 't geloof-zelf, mits dit recht wordt verstaan, in zijn opkomen uit de wedergeboorte, als een gave Gods ; in zijn' samenhang met het leven-van het geheel en met de rechte prediking van het evangelie, dat de groote geestelijke schat is van de Kerken der reformatie

De zekerheid des geloofs is niet iets, dat bij het geloof moet bij-komen als iets afzonderlijks, en zeker niet een vastheid, die ligt in het bewogen of gespannen gevoel.

Zij wordt niet gevonden door het omwroe ten in eigen binnenste, niet door het zichzelf waarnemen van den bekommerden vrome, maar in de actie van het geloof, dat buiten zich zelf uitgeheven vast ligt in de eeuwige ontferming en de onveranderlijke trouw des Heeren.

Wie de zekerheid zijner verkiezing tracht te verwerven door zelf-onderzoek, en niet door bepaald te worden bij de vrije en onverbrekelijke gunst Gods, zou er ten slotte toe komen, wanneer hij meende in zichzelf kenmerken en bewijzen genoeg te hebben gevonden voor zijn gelood, te gelooven in zijn eigen geloof en niet in de belofte en mogendheid des Heeren.

De zekerheid des geloofs moet beschouwd worden als het normale, als een kenteeken van gezond en krachtig geestelijk leven bij de kinderen Gods.

Helaas is onder den invloed van verschillende factoren, die wij hebben trachten aan te wjjzen, in breede kringen van het gereformeerde volk de meening diep geworteld, dat de verzekerdheid eigenlijk het buitengewone, de zeldzame uitzondering zijn moet en de twijfel aan eigen genade-staat, de onzekerheid over eigen zaligheid, de bekommernis, of men wel tot de kinderen Gods zich rekenen mag, het normale, het gewone en gewenschte is.

Voor de Hervormers was het zoo niet. Voor hen was de zekerheid en de zaligheid onafscheidelijk verbonden met het geloof.

Zoo heeft Calvijn b.v. in zijn tractaat over de noodzakelijkheid der hervorming van de (roomsche) Kerk, zich op de volgende wijze uitgelaten: „een allerverderfelijkste dwaling is deze, dat de geloovlgen voortdurend moeten twijfelen aan Gods genade jegens hen, en in hun geweten bevreesd moeten zijn. Maar door deze duivelsche inbeelding is de kracht van het geloof geheel ondermijnd, de weldaad van Christus te niet gemaakt, de zaligheid der menschen te gronde gericht. Want dat is, naar het getuigenis van Paulus het christelijk geloof, waardoor in onze harten een vertrouwen gewekt wordt, door hetwelk wij ons durven plaatsen voor Gods aangezicht. Anders zou ook niet vaststaan, wat de apostel elders zegt, dat wij hebben het getuigenis onzer aanneming in ons binnenste door den H. Geest verzegeld, op hetwelk steunende wij God onzen Vader noemen."

Gelijk bekend is, leert de Roomsche Kerk, dat een mensch ten opzichte van zijne zaligheid hier beneden niet verder komen kan dan tot een „zedelijk vermoeden." Dus niet tot een ontwijfelbare gewisheid.

Zeer terecht komt Calvijn tegen deze voorstelling op, gelijk ook na hem en op zijn voetspoor meer den één Nederlandsch gereformeerd theoloog deze opvatting der Room sche Kerk met kracht heeft bestreden.

Joh. a Marck, om één voorbeeld te noemen, zegt, „dat de uitverkorenen van hunne verkiezing zoowel als van hunne roeping en zaligheid niet door een zedelijke ­gissing maar door een onfeilbaar goddelijk geloof, niet alleen verzekerd kunnen zijn, maar ook veeltijds zijn, ja ook behooren te zijn, door gedurig daarnaar te streven."

Nergens wordt, zoo zegt hij, door de apostelen gesproken van eenige bijzondere openbaring, buiten de beloften Gods en het ge­tuigenis des Geestes.

En als er twijfeling is, deze „komt oj voor als een zwakheid, niet tot navolgin, maar tot waarschuwing."

„De geloovlgen hebben er tegen te stj den, en God versterkt hen te Zijner fi| door Zijne vertroostende genade."

In verband echter met de afwijking vjj de reformatorische opvatting van het geloöj dat tot zaligheid is, wordt veelszins de geloofs-verzekerdheid beschouwd als een zeldzame uitzondering, en menigmalen een aanmatiging, die uiterst ongepast is.

Velen houden een' toestand van gedurige onzekerheid en een blijvende bekommering voor het normale, en voor een kenmerk vaj den genade-staat.

Nu is het overbodig te zeggen, dat een kind van God aan zulk een bekommering niet vreemd zal zijn. Wanneer de H. Geel aan zijn hart werken gaat, en de last zijner zonden hem neerdrukt, wanneer hij in schuld komt te vallen voor zijn' God, en begint te zien, welk oordeel hij waardig is, zeker, dan is er de angst en de verbrijzelling. Dan is de wedergeboren zondaar al in de geboorte-weeën van het doorbrekend leven, dan is er de verslagenheid, die moed niet aanstonds heeft, zich de belofte toe te eigenen, en de toegezegde vergiffenis aan te grijpen.

Maar zou dit een blijvende toestand kunnen zijn ?

Zou een zondaar, die beeft voor Gods gericht, en niet zou worden voortgeleid tot hoogten, waar het licht van Gods ontferming in Christus hem tegenstraalt en hem vertroost, het kunnen uithouden ?

Zou eenig mensch, die waarlijk vérbrijzeld van hart is, kunnen leven in de onzekerheld, of God hem wel genadig is ?

En indien iemand een dergelijke onzekerheid voor normaal houdt, het zich getroost dat hij er maar niet uitkomt, ja met misnoegen misschien neerziet op den geloovige, die roemt in de vergiffenis zijner zonden, zou dan de vraag niet aan haar plaats zijnl gaat die bekommering wel zoo diep ; is zij misschien niet een doodelijk zelfbedrog ?

ïs die verslagenheid wel oprecht, gewerkt door den H. Geest ?

Zoo ja, dan zal ook het licht doorbreken,  en moet de zekerheid des geloofs volgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's