De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Lucas 23 vers 6—12.

Jezus voor Herodes.
Nadat Pilatus met Jezus in gesprek was geweest en van Zijn Koninkrijk, dat geen aardsch maar een geestelijk koninkrijk was, gehoord had, trad hij naar buiten en zeide tot de schare, dat hij geen schuld in dezen mensch vond. Maar daar nemen de Overpriesters en Schriftgeleerden geen genoegen mee en het volk begint mee aan te dringen, dat Pilatus zich wachten zal om zich zóó van Jezus af te maken. Weet hij dan niet, dat Jezus, die uit Nazareth in Galilea komt, daar in Galilea begonnen is om zich als Koning bekend te maken en dat hij van Galilea gekomen is naar Judea, om ook daar van Zijn Koninkrijk te spreken, zoo heel het land en gansch het volk met deze zaak in beroering brengend ? Neen ! Pilatus moet daar niet zoo, gering van denken. Want ja. daar staat die Jezus nu wel zich voordoende als een onschuldige martelaar, die zegt de "dupe te zijn van den haat van den Joodschen raad, maar Pilatus, des keizers stadhouder, ' moet toch bedenken, dat die Jezus iemand is, die nu drie jaar lang niets anders gedaan heeft dan propaganda gemaakt voor zichzelf, om Koning te worden, waartoe Hij heel het land is afgereisd van Galilea tot Judea en van Judea tot Galilea.

„En zij hielden te sterker aan, zeggende : Hij beroert het volk, leerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe." (vers 5).

Dat „Galilea" zal wel wat spottend zijn uitgesproken ! Want de afkomst van Jezus uit Galilea, is toch ook eigenlijk voor lederen Jood een bespotting. Een „Koning" die uit „Galilea" komt. Is daar wel ooit iets bizonders vandaan gekomen ? Nooit ! Nooit een koning, noch een profeet, noch een priester, 't Is dan ook in één woord belachelijk, dat deze Jezus de Nazarener een Koning zou wezen ! Maar — waar hij een zoo woelzieke en ijverige propagandist is voor zijn eigen koninkrijkje en héél het volk er door in beroering gebracht is en velen hem naloopen, daar is Pilatus, des keizers vertegenwoordiger, verplicht om er een einde aan te maken en wel door den smadelijken kruisdood, opdat Jezus straks tot ieders verachting aan een hout zal hangen en zijn koninkrijk in schande zal ondergaan, onder hoongelach van de schare.

Daar is het den joodschen raad om te doen. Dat hebben ze voor oogen, als ze met hoofd en handen en heel het lichaam druk gebaren makend, dreigend tot Pilatus zeggen : „hij beroert het volk — veroordeel hem — dood hem — kruis hem ; en zoo niet, denk er aan, dan hebt gij des keizers vriendschap voor goed verspeeld ; daar kunt gij op rekenen ; laat dat maar aan óns over"

Daar zit Pilatus geweldig mee.

Maar, daar hoort hij over Galilea spreken. En dat  noemen van Galilea heeft een bizondere uitwerking bij hem ; héél anders dan de Joden gedacht hadden. Want hadden zij zich voorgesteld, dat de Stadhouder nu met hen van gedachte zou zijn, dat er toch eigeniijk ook niet veel aan gelegen was, om zoo'n dwazen dweeper uit Galilea, die heel het land in beroering bracht, uit den weg te ruimen — voor Pilatus' oog blijft Jezus een onschuldige, wonderlijke, imponeerende wijsgeer, achter wiens verschijning meer zit, dan het volk wilde voorgeven, en dien hij dan ook onmogelijk zoo maar in de handen van de Joden kon overgeven, om hem van kant te maken. Dat dorst hij niet; dat wilde hij niet. Maar dan die dreigende Joden weer. Dan die lawaai makende Priesters weer. En zoo zit Pilatus in groote verlegenheid ; als tusschen twee vuren.

Dan doet hem het noemen van „Galilea" een licht opgaan !

Kan hij deze zaak niet verwijzen naar Koning Herodes, den viervorst van Galilea ? Die is, met 't oog op 't feest, juist te Jeruzalem gelogeerd in het paleis der Hasmoneërs. Hem dunkt, dat koning Herodes dat niet onaardig zal vinden om dezen interessanten man, die zooveel beroering onder het volk verwekt heeft en van wien zulke wonderlijke dingen verteld worden, eens voor zich te zien. En Koning Herodes Antipas zal het als een vriendelijkheid van Pilatus aan zijn adres beschouwen, wat de onderlinge verhouding ten goede kan komen. (Zie vers 12) Maar wat het voornaamste is, dan is Pilatus tegelijk van deze heele zaak af, althans kan hij zich dan straks gemakkelijker verschuilen achter het vonnis, dat Koning Herodes zal adviseeren.

Zoo komt Jezus, Sions Koning, te staan voor den Koning der Joden, Herodes Antipas, viervorst van Galilea.

Wat is Pilatus toch bang, wat is hij laf ! Waarom laat hij Jezus niet los ? Hij is er toch van overtuigd, dat Jezus onschuldig is? Maar neen, hij durft niet. En ziet, ook deze weg van onrecht zal moeten medewerken om de onschuld van Sions Koning des te meer te doen blijken, opdat een arm zondaarsvolk in Hem zal ontvangen een gansch volkomen Borg en Middelaar, die heilig, onnoozel, onbesmet is, gansch afgescheiden van de zondaren, maar Die om Sion te redden van den dood, tot zondaar gemaakt is, staande in de plaats van een gansch schuldig volk.

Herodes is blij !

Vroeger had hij Jezus willen dooden (Luc. 13 vers 31) en ziet, nu heeft hij hem onverwachts als een gevangene voor zich en kan er mee doen wat hij wil. Nu ziet hij ook, dat het Johannes de Dooper niet is, van wien hij vreesde, dat hij uit de dooden was teruggekeerd, waarbij z'n conscientie telkens als hoorbaar tot hem sprak van onschuldig bloed, dat door hem vergoten was. En nu Jezus gebonden voor zich ! Dan kan hij alles met hem doen ! Hij kan zich toch niet verdedigen en hij heeft niemand die hem helpen kan. Herodes is heer en meester over hem. En is hij geen wonderdoener ? Zou Herodes daar nu van kunnen genieten ? Hij kan nu toch met hem doen wat hij wil ! Dat kan aangenaam worden. Een aardige afwisseling, waar de koning wel lust in heeft.

Maar wat valt dat weer tegen! Want daar zit de koning op z'n troon en Jezus staat gebonden voor hem. Dan volgen allerlei vragen ; vragen zoo ijdel, zoo lichtzinnig, zoo smalend en spottend, dat de H. Geest er niet één bewaard heeft voor ons. En Jezus — zweeg bij dit alles ; Hij hoorde het wel — maar antwoordde niets ; Hij voelde den smaad en den hoon wel — maar hield zich stil.

Wat rumoer ook hier voor Herodes' paleis ! De Priesters schreeuwen de schuld van den zondeloozen Jezus uit voor het paleis van den koning, die eigenlijk in Jeruzalem niets te zeggen had, maar nu als een nazaat van Edom met Pilatus en den Joodschen raad gaat saamwerken tegen Christus Dat had beteekenis. Het is het saamtrekken der volken en der aardsche vorsten tegen den gezalfden Koning van Sion, waarvan in Psalm 2 reeds gezongen is en waarvan de apostel melding maakt in Hand. 4 vers 27 en 28, waar we lezen „In der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig kind Jezus, dien Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus met de Heidenen en de volken Israels, om te doen al wat Uwe hand en Uw Raad te voren bepaald had, dat geschieden zou" ; wat een voortzetting is van de  oude geschiedenis van weleer : Waarom woeden de Heidenen en hebben de volken ijdele dingen bedacht ? De koningen der ' aarde zijn te samen opgestaan en de vorsten ' zijn bijeen vergaderd tegen den Heere en ' tegen zijn Gezalfde". (Hand. 4 : 25 en 26)

Wij zien in den laffen Herodes, den onbeduidenden nazaat van Ezau, den haat en den nijd tegen den Christus opvlammen en hij spaart den Heiland niet. Eerst nog wat schroom, wat vrees — omdat de conscientie spreekt. Maar het pad der zonde gaat naar beneden. Het hart wordt versteend. Het gaat van kwaad tot erger. En straks gaat het onbeschaamd met gruwelbedrijf en spotternij van het een tot het ander. Zoo ook hier. En dat alles moet Jezus maar lijden ! Ook dien lijdensbeker moet Hij drinken, tot den laatsten druppel toe.

Omdat Jezus zwijgt en zich daarin grooter, Koninklijker, hooger en voornamer toont dan de Koning Herodes zich gedraagt wordt de haat en de vijandschap niet minder bij den sluwen Edomiet. En hij zal 't Jezus betaald zetten, dat Hij hem geen antwoord waardig keurt! Hij zal zich wreken. En daar de schare telkens spreekt van de dwaze en onverantwoordelijke dingen welke Jezus van Nazareth uitgehaald hééft, nu al jaren lang, gaande door het land om zich een koning te noemen, wil Herodes Hem nu als zoodanig bespotten. En Hem overgevende aan de soldaten, doet hij ook zelf mee (vers 11), om Jezus potsierlijk uit te dossen. Een afgedankt blinkend wit kleed wordt Hem om de schouders geworpen ; en zoo staat .daar dan de-Heiland te midden. van spottende soldaten, ten aanschouwe van Herodes, als een soort Kroonpretendent ; als iemand die dong naar de koninklijke waardigheid — maar die door de wereld werd uitgelachen en verworpen !

Men weigert Hem eere te geven. Men bukt voor Hem niet. Men lacht Hem uit. Verguizing en smaadheid wordt Zijn deel.

Zooals in Rome degenen die naar een staatsbetrekking dongen zich in een wit kleed tooiden om zich dan in dat witte kleed aan te dienen als candidaat voor bedoelde betrekking, zoo moest Jezus daar nu staan in een wit kleed, om spottend daarmee te getuigen, dat Hij zóó dwaas was, om te dingen naar een Koningskroon. Zóó zou Hij straks ook over straat moeten gaan ; naar Pilatus' paleis terug.

Vreeselijk dat de volken en de vorsten hiermee spotten. Dat ze te zamen raad houden tegen Sions Koning. Rome, Ezau, Israël, - ze spannen saam. En in hen spiegelen zich af Babel, Egypte, Griekenland. In hen zijn vertegenwoordigd beschaafden en onbeschaafden. En het wordt aanschouwd, dat heel de wereld zich tegen Hem zal keeren, om Hem uit te werpen.

Dat openbaart zich ook in deze vreeselijke dagen.'

't Gaat hoe langs hoe meer om de vraag: voor of tegen God ; voor of tegen den Christus der Schriften. En we zien het woelen der volken en het woeden der vorsten — saam zich keerend tegen Christus, 't Gaat om de heerschappij ; om het Koning zijn. En welgelukzalig die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters ! O ! wat staan we hoog van nature. Wat zijn we groot in' eigen oog. En we moeten klein worden ; vuil en onrein, vanwege onze zonden ; ons kleed is gescheurd ; de mantel der gerechtigheid moet ons afvallen ; en terwijl Herodes en Pilatus vrienden worden, om saam zich te keeren tot Jezus, Sions Koning, moet óns harte tot Hem leeren roepen en onze ziel moet bij Hem zoeken en vinden gerechtigheid, verzoening en zaligheid.

Jezus is de Vredevorst. Zie Hem daar staan, komend om verzoening te brengen. Genade is op zijn lippen. Gerechtigheid is de gordel zijner lendenen. Hij draagt de witte mantel van heiligheid. Zijn kleed is zonder vlek en zonder rimpel. En met dit kleed omhangen is er voor een arm zondaarsvolk plaats aan het Avondmaal des Heeren, om verzadigd te. worden met heil, tot in eeuwigheid.

Ja — 't is in een diepen, wonderen, smartelijken weg verworven. Satan woedt als 'n verscheurend dier. Edoms woede stort zich uit over Davids Zoon. De Heidenen spotten en hoonen. Maar Jezus lijdt het, om vrede aan te brengen voor een iegelijk die in Hem gelooft; voor Jood, Barbaar en Scyt te saam ; want uit al de natiën zullen ze komen om Hem te aanbidden.

Onze tijd is ruw en goddeloos. Onze tijd is ook religieus en zoekt godsdienstige emoties. In den weg van spot is de vrede niet. Door religieuse emoties komt ons hart* niet tot rust.

Hier staat Sions Koning, die dingt naar de plaats aan des Vaders rechterhand ; en Hij wandelt daartoe in den weg des rechts, verzoening doende voor de zonde Zijns volks.

Neen, Satan bedoelt dat natuurlijk niet. Maar waar de volkeren en de vorsten hier door den Overste der wereld worden opgezet om Jezus te bespotten in Zijn Koninklijke waardigheid, daar wordt hier de weg gebaand, waarbij de afscheiding tusschen de volkeren wordt weggenomen, om saam te komen tot Sions Vredevorst en straks Hem te volgen, overal waar Hij henengaat. Dan zullen van alle natie vergaderd worden om Hem te eeren met geschenken ; om Hem te aanbidden en eenmaal zullen op den berg der heerlijkheid eeuwig samenkomen van de einden der aarde, die in Jezus hun Zondevernieler, hun Goël en Losser mogen kennen

En Herodes en al de zijnen zullen bedrogen uitkomen. Alle verzet tegen Christus loopt ten slotte op niet uit. Verbrijzeling zal aller vijanden deel zijn. En eeuwige heerlijkheid zal het deel zijn van Hem, die alle heerlijkheid aflegde, om Sion sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest te geven. Dan zullen de Koningskinderen met Hem vergaderd worden en God zal alles in allen zijn, tot in der eeuwen eeuwigheid !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's