Uit de Pers.
Zwangerschapsverlof in plaats van huwelijks-ontslag.
De „Tel." meldt uit Almelo : Burg. en Weth. dezer gemeente hadden voorgesteld, in de Verordening tot regeling van de uitbetaling en inhouding van de Onderwijzersjaarwedden een bepaling op te nemen, dat aan de gehuwde onderwijzeres, die haar bevalling tegemoet ziet, een verlof met behoud van het volle salaris wordt verleend ingaande drie maanden vóór het tijdstip waarop de bevalling kan worden verwacht en eindigende twee maanden na de bevalling. Mej. Ladenius stelde namens dè soc.dem. Raadsfractie voor, het woord „gehuwde" te schrappen ; de heer Ter Steege daarentegen drong aan op schrapping dezer bepaling en vervanging door een nieuwe, luidende : „Aan de onderwijzeres, die een huwelijk aangaat, wordt met ingang van den dag van het huwelijk eervol ontslag verleend." Dit laatste voorstel werd met 10 tegen 5 stemmen verworpen. Het voorstel van mej. Ladenius werd met 9 tegen 6 stemmen aangenomen.
De R.K. „Tijd" merkt hierbij op :
Een mooie beslissing!
Het dagelijksch bestuur van de gemeente Almelo had voorgesteld, aan de gehuwde onderwijzeressen, die haar bevalling tegemoet zien, vijf maanden verlof te verleenen. — drie vóór, twee na de bevalling — onder uitbetaling van de volle jaarwedde. Een vrouwelijk socialistisch raadslid stelde voor, het woord „gehuwde" weg te laten, welk voorstel werd aangenomen. „Het Volk" noemt dit „een mooie beslissing".
Van wie de Openbare School zóó verlaagt en neerhaalt, als de socialisten doen, mag worden getuigd, dat hij de Openbare School verkoopt en verraadt. Niet de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs zijn de sloopers der Openbare School.
Persarbeid door Predikanten. ,Hierover kan men in het Noord-Holl. Kerkblad het volgende lezen van de hand van ds. C. Lindeboom:„Indien ik het voor 't zeggen had zou ik den predikanten allen persarbeid verbieden." -Dit werd mij onlangs gezegd door een ouderiing, in eenigszins zonderlinge tegenspraak met de even tevoren door hem gegeven verklaring, dat hij steeds met groote belangstelling van den inhoud van ons blad kennis nam.
Meen niet, dat deze broeder den predikanten geen warm hart zou toedragen. Integendeel. „Stond het aan mij" — aldus ging hij voort — „ik zou hun zoodanig inkomen verzekeren, dat zij er niet aan behoefden te denken, ook maar eenigen tijd aan bijwerk te geven", 't Was de liefde tot de Gemeente des Heeren, die hem aldus deed spreken; tot de Gemeente, welke er z.i. onder moest lijden, indien haar dienaren de kolommen vulden van tijdschrift of courant.
't Is niet onmogelijk, waarschijnlijk zelfs, dat meerderen er zoo over denken als hij. Daarom kan het goed zijn, een poging te doen om dit misverstand uit den weg te ruimen.
En dan zij allereerst opgemerkt, dat over het algemeen persarbeid al zeer weinig loonend is. Met uitzondering van enkele gezochte publicisten, zien verreweg de meesten van hen, die als redacteur of medewerker aan een blad zijn verbonden uit hun pen wel inkt, maar geen goudstroompje vloeien. Dat 'n uitgever rijk wordt, komt meermalen voor. Daartegenover staat echter, dat zelfs beroemde auteurs in armoede zijn gestorven
De vraag of de Gemeente niet lijdt onder den persarbeid harer dienaren, meenen wij ontkennen! te moeten beantwoorden.Vanzelf indien een predikant redacteur wordt van een dagblad, kan hij zijn ambt niet naar behooren waarnemen.
Maar voorzoover ons bekend, is er onder onze predikanten niemand, die zich hiervoor liet vinden. De predikant-schrijver bepaalt zich er toe, wekelijks een artikel in een of anderen kerkbode te geven, en misschien ook een enkele maal de vrucht van zijn studie in een tijdschrift te publiceeren. Welnu, dit komt der gemeente ten goede. Ds. J. J. Knap wees er dezer dagen in „Oude Paden" op, dat uiteenzetting der Schriftuurlijke Waarheid en belichting met de lamp des Woords van de actueele problemen, ook in de pers, zeer noodig is.
„Er was een tijd, " — aldus schrijft hij — „dat men alle kennis van geestelijke dingen vanaf den kansel verkreeg. Het gesproken woord was het een en het al. Maar die tijd is onherroepelijk voorbij. Er zijn nog wel bekrompen lieden die meenen, dat 'n dominee zijn tijd verbeuzelt, als hij journalistiek werk verricht.Maar wie ook maar iets verder ziet, weet toch wel, dat de pers tegenwoordig een haast machtiger instrument, dan de kansel is om het koninkrijk Gods uit te breiden. Met prediken alléén komen wij er niet meer. Tal van brandende kwesties kunnen ; eenvoudig niet op den kansel gebracht worden, en toch moet het volk weten wat het er van moet denken. Anders komen de Christenen in de achterhoede, en worden zij niet meer geteld. Bovendien zijn er massa's, die alleen door de pers te bereiken zijn " Zóó is het.
Daarom waardeere de Gemeente het, indien haar dienaren woekeren met hun tijd en hun gaven, en ook met hun geschreven woord haar willen dienen."
Kerk en Staat.
In het Weekblad der Ned. Herv. Kerk wordt meegedeeld, dat op 5 Febr. j.l. in de Eerste Kamer een debat heeft plaats gehad over de financiëele verhouding van Kerk en Staat tusschen prof. mr. Van Embden en Minister de Vries. Eerstgenoemde zei toen :
„Ik sprak over de ambtenaarswedden, en noemde ook de predikanten. Aan den nood van deze laatste groep, die voor het geestelijk leven van ons volk zulk een onmisbare taak heeft te vervullen, zou tegemoet gekomen kunnen worden door van Staatswege ruimeren steun te verleenen aan de Kerkgenootschappen. Ik weet, dat ik daarmede inga tegen de strooming, die thans schijnt aan te zwellen, om veeleer te komen tot het losmaken der zilveren koorden. Het zij zoo ; ik ga er dan tegen in, al mag het wellicht zijn zonder kans op succes. Ik zie de taak van den Staat tegenover den godsdienst en de Kerk nu eenmaal anders, en ik zou zeer zeker wenschen, dat op de bedoelde wijze door den Staat iets werd bijgedragen tot opheffing van het onmisbare werk, dat de geestelijke leeraar te verrichten heeft".
Minister de Vries antwoordde hierop :
„Met genoegen heb ik de woorden gehoord, die de heer van Embden gewijd heeft aan de godsdienstleeraren. Hij zal wel willen gelooven, dat hij daarmee heeft gesproken naar mijn hart, wanneer ook van de linkerzijde gewezen is op de groote taak, die op de godsdienstige opvoeders van ons volk rust. Maar of het daarom noodig is, dat de Overheid de godsdienstleeraars beter bezoldigt, dat is iets, dat ik niet zou willen onderschrijven, en wat ik niet met den heer van Embden eens ben. Ik meen, dat de Kerk het meest floreeren zal en de sterkste positie in ons maatschappelijk leven zal innemen, wanneer zij financieel onafhankelijk is van den Staat en dat het niet juist is, om deze zorg van den Staat uit te breiden en uit de Staatskas de tractementen van de bedienaars van den godsdienst weer te verhoogen. Daardoor v/orden de zilveren koorden tusschen Staat en Kerk des te sterker, ik meen, ten nadeele van Staat en Kerk. In de richting van dit Kabinet ligt het dan ook, om zoo mogelijk met financiëele afrekening te komen tot losmaking van deze zilveren koorden. Ik geloof, dat dit voor beide veel beter zou wezen."
Prof. van Embden liet het hierbij niet. Want den volgenden dag antwoordde hij den Minister aldus :
„De Minister vindt, dat het voor beide partijen, voor de Kerk en voor den Staat beter is, dat zij financieel uit elkander gaan. Hij permitteere mij het wederantwoord, dat door het enkel bezigen dezer woorden de zaak te veel met een machtspreuk wordt afgedaan. Waarom kan dat groote geestelijke belang, hetwelk zich niet laat gelijkstellen, maar toch vergelijken met andere geestelijke belangen, welke de Staat steunt en subsidieert, niet in aanmerking komen, en in sterkere mate dan tot dusverre, voor Staatssteun, evenals instellingen op het gebied van kunst en onderwijs ? Ik weet wel, dat hier netelige kwesties schuilen, dat zich moeilijkheden zullen voordoen, waarvan de oplossing veel hoofdbreken zal kosten, maar, waar het hier zulk een groot belang geldt, zijn de moeilijkheden er, om aan hun oplossing althans alle moeite te besteden. Alleen met het uitspreken van een machtspreuk, dat het voor beide partijen beter is, dat zij financieel uit elkander gaan, heeft de zaak niet de aandacht verkregen, die zij waard is."
In het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden teekent dr. Niemeyer van Bolsward er het volgende bij aan :
„Wij verklaren gaarne, dat de woorden van prof. van Embden ons bijzonder sympathiek zijn.
Vooreerst trekt ons daarin aan het besliste opkomen voor eigen overtuiging, al is hij er zich van bewust, dat hij daarin meegaat tegen een blijkbaar aanzwellende strooming.
Er zijn altijd zooveel menschen, die enkel denken aan succes, en zich met onbegrensden eerbied voor „stroomingen" volgzaam en gewillig daarbij aansluiten, dat wij vreugde hebben aan ieder, die zelfstandigheid toont, en met rustigen moed opkomende stroomingen, die hem nootlottig schijnen, in den weg treedt.
En bovendien is ons aangenaam de groote waardeering, waarmee prof. Van Embden heeft gesproken van het werk der Kerk en der godsdienstleeraren.
In de beide Kamers is aan de linkerzijde zulk een waardeering, die steun van Staatswege doet verlangen, niet zóó gewoon, dat zij niet opvaft, en geen vermelding verdient.
Toch staan wij, wat het eigenlijke punt in kwestie betreft, niet aan de zijde van prof. Van Embden, doch aan die van minister De Vries.
Ook wij meenen, dat het voor Kerk en Staat beter is, financieel af te rekenen en uit elkander te gaan.In ons oog gaat het hier niet om een beginsel.
Wij achten den tegenwoordigen toestand niet met eenig beginsel in strijd, en ook niet lastig of hinderlijk. De zilveren koorden, waarvan men spreekt, mogen immers eigenlijk geen koorden heeten. Want zij binden de Kerk in geen enkel opzicht.
En wij zouden een verhoogde uitkeering van Staatswege aan de Kerkgenootschappen die dan niet als de tegenwoordige een vergoeding zou zijn voor vroeger genaaste eigendommen, maar geheel het karakter zou dragen van een subsidie, volkomen gerechtvaardigd vinden.
Met de bevordering van godsdienstig leven is immers het algemeen belang zeker niet minder gemoeid dan met de bevordering van kunst en onderwijs.
Wijl het hier niet gaat om een beginsel, moet de nadruk vallen op practische overwegingen. En het is op grond van zulke overwegingen, dat volkomen scheiding ons zoowel voor den Staat als voor de Kerk verkieselijk schijnt.
Wordt niet zooals tegenwoordig een vaste uitkeering gegeven, waarop de Kerkgenootschappen aanspraak kunnen maken, wordt een subsidie veleend, die min of meer een gunst is, en elk jaar kan worden gewijzigd, dan kan het niet uitblijven, dat bij het bepalen van het bedrag voor de onderscheidene Kerkgenootschappen de politiek een krachtig woord gaat meespreken.
De Overheid aanvaardt dan een taak, waarvan men van te voren wel kan zeggen, dat zij die niet altijd op billijke wijze zal vervullen.
Zij zou dat alleen kunnen doen, als er op godsdienstig gebied minder verscheidenheid gepaard met onverdraagzaamheid, bestond, of als zij zelve steeds stond boven de partijen.
Het eerste is nu eenmaal niet het geval. En het tweede — och, een Overheid uit politieken partijstrijd voortgekomen, kan zich misschien soms wel verbeelden, dat zij boven de godsdienstige partijen staat, maar in werkelijkheid doet zij het toch niet.
Voor den Staat schijnt het ons daarom wenschelijk, met deze taak, die niet naar behooren kan worden volbracht, ook niet te worden belast.
En de onvermijdelijke invloed, dien de politiek op de subsidiëering zou gaan uitoefenen, schijnt ons evenzeer voor de Kerkgenootschappen een ernstige schaduwzijde.
Zij worden er vanzelf door in de politiek betrokken, hebben belang bij overwinningen en nederlagen van politieke partijen.
Ze zijn van de subsidies altijd maar matig verzekerd, en loopen gevaar ze te verliezen, als partijen, die óf tegen subsidiëering van godsdienstige instellingen óf zelfs tegen den godsdienst 'n vijandige houding aannemen, in de meerderheid komen.
Het komt ons voor, dat die afhankelijkheid van de politiek bijna noodwendig op het leven der Kerkgenootschappen 'n slechten invloed zou uitoefenen, dat het eigenlijke, het geestelijke werk er schade door zou lijden.
Ook voor de Kerkgenootschappen schijnt het ons daarom wenschelijk, dat een geheele scheiding wordt verkregen, en dat zij daarmee precies weten, waar zij aan toe zijn
Met bestendiging van den tegenwoordigen vasten toestand, die de Kerkgenootschappen in geen enkel opzicht belemmert, zouden wij op zichzelf ons ook zeer wel kunnen vereenigen. Maaf.... het is volstrekt niet ondenkbaar, dat er te eeniger tijd een Overheid optreedt, die aan de uitkeeringen een einde wenscht te maken zonder daarvoor een billijke vergoeding te geven.
Daarom schijnt het ons aangewezen, dat de Kerkgenootschappen, nu zij op dit oogenblik te doen hebben met een Regeering, die wenscht af te rekenen, haar voorstellen welwillend ontvangen, en met haar tot overeenstemming trachten te komen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's