De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

In „de Heraut" gaat prof. dr. H. H. Kuyper voort om over de financiëele verhouding van Kerk en Staat te schrijven, opkomende voor het recht der Kerk op hare goederen.

We nemen het negende artikel hier over. Het luidt:

Geen gunst maar recht.

Wanneer twee personen aanspraak maken op een erfenis en beiden beweren de wettige erfgenaam te zijn, dan heeft  natuurlijk de rechter uit te maken wie van hun beiden de ware erfgenaam is. In zekeren zin kan men daarom zeggen, dat degene, die de erfenis ontvangt, dit dankt aan de beslissing van den rechter, want indien de rechter niet hem, maar den ander als den wettigen erfgenaam had erkend, zou hij de erfenis niet gekregen hebben. Maar daaruit volgt natuurlijk niet, dat de rechter krachtens een vrij beschikkingsrecht over deze goederen de erfenis aan den erfgenaam heeft toegewezen. De rechter heeft als zoodanig over deze goederen niets te zeggen ; hij heeft alleen te beslissen wie de ware erfgenaam is. En degene die als de wettige erfgenaam erkend wordt, heeft jure suo een wettig recht op de erfenis, dat hij niet aan den rechter dankt, maar aan het feit zelf, dat hij de erfgenaam is.

Al gaat nu dit voorbeeld niet in allen deele op, toch kan het dienen om duidelijk te maken, waar de fout ligt van het betoog van mr. Van Apeldoorn. Volgens hem zou de Overheid eerst de Gereformeerde religie als de ware religie erkend hebben ; zou hij daarna besloten hebben dat de inkomsten der kerkelijke goederen alleen ten . goede zouden komen aan de uitoefening van die religie, en zou de Overheid dit gedaan hebben, omdat zij het opperbeheer over die goederen voerde en zich gerechtigd achtte daarover te beschikken. 1)

Dat deze voorstelling niet juist is, zal thans wel gebleken zijn. Na de Reformatie dienden twee Kerken zich in ons land aan als de ware Christelijke Kerk, de Roomsche Kerk en de Gereformeerde Kerk ; en beide beweerden natuurlijk aanspraak op het kerkgoed te kunnen maken. De Roomsche Kerk bezat ze, de Gereformeerde Kerk eischte ze op. In onze dagen zou over een dergelijk geschil de rechter uitspraak hebben gedaan, maar toen was dit niet mogelijk, omdat de Kerk een publieke Kerk was en de Overheid dus had te beslissen welke religie in die Kerk zou geleerd worden. De Overheid heeft toen beslist, dat de Gereformeerde Kerk de ware Christelijke Kerk was, en daaruit volgde van zelf, dat deze Kerk nu recht had op de kerkgoederen. Of, om het nog juister uit te drukken, de Overheid liet het niet bij hare beslissing, dat de Gereformeerde religie de ware religie was, maar krachtens het jus reformandae Ecclesiae, dat haar naar de algemeen geldende rechtsopvatting van die dagen toekwam, heeft zij zelve de reformatie der bestaande Kerk ter hand genomen, deze van de Roomsche misbruiken gezuiverd, en gelast, dat in deze Kerk nu voortaan het zuivere Evangelie zou verkondigd worden. En daar, ook naar de overtuiging der Overheid zelve, door deze reformatie de vanouds bestaande Christelijke Kerk in ons lahd niet vernietigd en door een andere ver-Vangen, maar alleen van misbruiken gezuiverd werd, volgde daaruit vanzelf, dat deze tot reformatie gekomen Kerk ook al de rechten, die de Christelijke Kerk vroeger had, behouden bleef, en dus ook haar rechten op de kerkgoederen. Van een schenking door de Overheid van deze goederen aan de Kerk, is dan ook niet sprake geweest. Zelfs behoefde de Overheid geen besluit te nemen om te beschikken, dat de inkomsten dezer goederen nu voortaan aan de Gereformeerde Kerken ten goede kwamen. Het sprak van zelf, aangezien door de reformatie geen nieuwe Kerk ontstaan was en deze goederen dus grootendeels, voor zoover zij voor den kerkedienst waren gegeven, hun bestemming behielden

Mr. Van Apeldoorn zelf erkent dit dan ook. „Door de afschaffing van den Roomschen eeredienst, zegt hij, verloren de kerkelijke goederen niet alle hun bestemming, zooals men 't wel voorstelt. Zij verloren die alleen, voor zoover zij een specifiek Roomsche was, zooals b.v. het lezen van zielemissen. Maar de bestemming van kerke-, pastorie-en kosterie-goederen ging door de Reformatie niet te niet. Ten aanzien van deze goederen maakte het verbod der Roomsche religie dan ook, strikt genomen, geen verdere voorziening der Overheid noodig. Greep deze in den rechtstoestand niet in, zoo bleven zij eenvoudig bestemd voor den eeredienst, de pastoors, de kosters, maar nu alles gereformeerd" 2) Zelfs gold dit volgens hem evenzeer van de vrije prebenden, die oorspronkelijk dienden voor de opleiding van Roomsche geestelijken want zij bleven voor de opleiding bestemd, maar nu voor de Gereformeerde leeraars. 3) De Reformatie veranderde dus in den rechtstoestand van deze goederen niets. Hetzij men deze goederen beschouwen wil als het eigendom der Kerk, hetzij als zelfstandige stichtingen ten bate van de Kerk, — aangezien de Kerk bestaan bleef, konden deze goederen aan hun bestemming blijven beantwoorden. De gereformeerde pastoor trad in de plaats van den roomschen pastoor en de goederen tot onderhoud van den psfetoor geschonken, moesten nu voortaan dienen om daaruit het tractement van den pastoor te betalen. De Overheid behoefde dienaangaande geen beschikking te nemen.

Het is dan ook opmerkelijk, dat in de belangrijke resolutie van de Staten van Friesland van 31 Maart 1580, die de gevolgen regelde van het verbod der Roomsche religie ten opzichte van verschillende dezer stichtingen, over de kerkegoederen geheel gezwegen wordt. Toevallig is dit natuurlijk niet. „De Staten, zegt mr. Van Apeldoorn, achtten het blijkbaar van zelf sprekend, dat zij voortaan alleen voor de Gereformeerde religie zouden mogen dienen, en vinden het dus niet noodig, ze daarvoor uitdrukkelijk te bestemmen." 4) Het zou nog juister geweest zijn, wanneer mr. Van Apeldoorn gezegd had, dat 'n uitdrukkelijke bestemming van deze goederen voor de Gereformeerde religie niet noodig was, aangezien deze goederen „hun bestemming door de reformatie niet verloren hadden." Een goed, dat zijn bestemming niet verloren heeft, behoeft van de Overheid geen bestemming te ontvangen. Maar hoe men hierover ook denken moge, v vast staat volgens het eigen getuigenis van mr. Van Apeldoorn, dat de Staten over de  bestemming dezer goederen geen besluit 'hebben genomen, aangezien 't vanzelf sprak dat zij voor de Gereformeerde religie moes­ten dienen. En hoe kan mr. Van Apeldoorn dan verklaren, dat de inkomsten dezer goe­deren krachtens besluit van de Overheid (welk besluit volgens hem zelf juist niet ge­nomen is) ten goede kwamen aan de uitoe­fening van de Gereformeerde religie en dat „de Overheid zich gerechtigd achtte over die goederen te beschikken ? "

Dat de Overheid zich toch met deze goederen in het algemeen heeft bemoeid en dat zij zelfs allerlei besluiten omtrent deze goederen genomen heeft, is volkomen juist en wordt ook door niemand betwist. Maar de Overheid heeft dit gedaan, niet omdat zij zichzelve als de eigenaresse dezer goederen beschouwde, of zich zelve gerechtigd achtte uit hoofde van haar Souvereine macht vrij over deze goederen te beschikken, maar alleen om te zorgen, dat deze goederen aan hun oorspronkelijke bestemming bleven beantwoorden. En ze deed dit niet eigenmachtig, maar noodgedwongen, deels omdat door het verbod der Roomsche religie aan een deel van deze goederen een andere bestemming moest gegeven worden, wat alleen de Overheid doen kon, deels omdat zij te zorgen had, dat degenen, die het beheer over deze goederen voerden, ze niet aan hun bestemming onttrokken om er zich zelf mee te verrijken.

Wat het eerste geval betreft, zoo sprak het wel van zelf, dat na het ophouden van de Roomsche religie verschillende dezer goederen, zooals die voor het lezen van zielemissen enz., niet meer aan dit doel konden beantwoorden. Er moest dus wel aan deze goederen een andere bestemming worden gegeven. De Overheid heeft dit dan ook gedaan, maar zij heeft zich daarbij stipt gehouden aan den regel, dat deze goederen, die gegeven waren ad pias causas, of. gelijk onze vaderen het uitdrukten, voor een „heilig werck", voor deze vrome doeleinden bestemd moesten blijven. Zoo werd in de resolutie van de Staten van Friesland van 31 Maart 1580 bepaald, „dat de' profijten en opbrengsten van deze goederen zullen worden geconverteerd en gebruikt tot onderhouding van eerlijke en degelijke predikanten, schoolmeesters en onderhouding van nooddruftigen en ad alias pias causas zonder dat dezelve in privatum et secularem usum zullen worden gedistribueerd" (Art. 8) 5). Men ziet, hoe streng de Staten er aan vasthielden, dat deze goederen, die tot heilige doeleinden gegeven waren, niet geseculariseerd, d.w.z. tot profane of wereldlijke doeleinden mochten gebruikt worden, maar dat zij bestemd moesten blijven tot de vrome doeleinden, waarvoor zij gegeven waren. 6) En geheel in overeenstemming met wat we vroeger zagen dat de Gereformeerde theologen steeds hebben geleerd, n. 1. dat deze goederen thans dienen moesten voor het onderhoud van de predikanten, voor de scholen en voor de armen, is de bestemming dezer goederen dan ook door de Staten van Friesland voor dit drievoudig doel geschied.

En wat in de tweede plaats de kerkegoederen in engeren zin betreft, wier bestemming geheel onveranderd kon blijven voortbestaan na de Reformatie, zoo vindt de bemoeienis der Overheid met deze goederen in tweeërlei haar oorzaak. Vooreerst daarin, dat de beheerders dezer goederen zich niet ontzien hebben gebruik te maken van de verwarring, die door 'twegvallen der Roomsche hiërarchie ontstond, om met deze goederen zich zelf te verrijken, of de inkomsten daarvan te gebruiken teneinde de Roomschen binnen-en buitenslands te ondersteunen. Dit overal voorkomende misbruik van deze goederen, heeft de Overheid genoopt met krachtige hand in te grijpen, en te zorgen, dat aan dit wanbeheer een einde kwam. Ze heeft daartoe in verschillende provincies gelast, dat al deze goederen geïnventariseerd zouden worden en de lijsten der inventarisatie in hare handen moesten gesteld worden ; ze heeft de beheerders dezer goederen onder haar toezicht gesteld, of ook wel zelf het beheer van deze goederen in handen genomen, maar 't doel was daarbij altijd om te zorgen, dat deze goederen niet „veralieneerd" zouden worden, d.w.z. aan hun bestemming onttrokken. 7) En een twee de oorzaak van deze bemoeienis der Overheid met de kerkelijke goederen was, dat de Kerken zelf aan de Overheid verzochten om, waar de inkomsten dezer goederen niet voldoende waren voor de predikantstractementen of deze te ongelijk verdeeld waren, maat regelen te nemen om voor betere en meer gelijkmatige predikantstractementen te zorgen. 8) Waar de Overheid zoo, op verzoek der Kerken zelve, de zorg op zich nam voor de uitbetaling der tractementen, lag het ook in den aard der zaak, dat de Overheid dan het beheer over deze goederen voerde en deze saambracht in „geestelijke kantoren" zooals bijv. in Holland is geschied. Maar welke beschikkingen de Overheid ten dezen opzichte ook nam, dit alles raakte alleen het beheer en de administratie dezer goederen, maar niet het eigendomsrecht.Wanneer men dan ook, op grond van dit beheer door de Overheid uitgeoefend, wel eens beweerd heeft, dat de Overheid nu zich zelve als eigenaresse dezer goederen beschouwde, dan wordt dit terecht door Jhr. mr. W. H. de Savornin Lohman weersproken met de volkomen juiste opmerking, dat „de Staat door dat recht van beheer evenmin den eigendom van de goederen der Kerk heeft bezeten als de voogd dien heeft van de goederen van zijn pupil." 9) Trouwens, ook mr. Van Apeldoorn zelf erkent, dat „de Overheid tijdens de Republiek in den eigendomstoestand der goederen in het algemeen geen wijziging heeft gebracht." 10) Al voerde of regelde de  Overheid het beheer, de goederen bleven het  eigendom van de Kerk, of wil men liever van de kerkelijke instellingen, waarvoor zij gegeven waren.


1) MR. L. J. VAN APELDOORN, De finantieele verhouding (usschen Kerk en Staat blz. 34.

2) t. a. p. blz. 8 en evenzoo in zijn: De Kerkelijke goederen in Friesland, I, blz. 287.

3) De Kerkelijke goederen in Friesland, I, blz. 287.

4) De finantieele verhouding tusschen Staat en Kerk, blz. 9.

5) De Kerkelijke goederen in Friesland, 1.1. blz. 229.

6) Ook Mr. van Apeldoorn legt hierop grooten nadruk en verklaart zelts, dat »het duidelijk is, dat hier van een nieuwe regeling van de bestemming dezer goederen, als hoedanig men art. 8 van deze resolutie pleegt te beschouwen, geen sprake is.8 »Die bestemming, zegt hij volkomen terecht, is juist grondslag, niet doel van de onderhavige bepaling* (t. a. p. I blz. 304 en 306).

7) Zie bijv. de resolutie der Staten van Gelderland van 31 Mei 1586 bij jHR. M. DE SA­VORNIN LOHMAN, De Kerkgebouwen enz. blz. 162, 163.

8. Zie JHR. DE SAVORNIN LOHMAN t. a. p. blz 150.

9) t. a. p. blz. 119.

10) De finantieele scheiding blz. 39.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's