Stichtelijke overdenking.
Des doods schuldig.
En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn. Marcus 14 vers 64b.
„Het zwijgende Lam voor den Hoogeprlester", alzoo zou het onderwerp kunnen worden betiteld, wat thans onze aandacht vraagt.
De Heere kan niet spreken.
Zelfs als de Hoogepriester van zijn zetel oprijst om door zijne verschijning nog meer kracht bij te zetten en met verheffing van stem vraagt : „antwoordt gij niets? Wat getuigen dezen tegen u ? " Dan staat er zoo treffend : „maar Hij zweeg stil en antwoordde niets."
Men heeft gezocht naar eene verklaring en het aldus zoeken te duiden.
„De Heere wist dat zij Hem toch geen recht zouden doen vanwege hun valschheid en vijandschap."
„Hij stond als de meerdere boven hen uit en zag uit de hoogte op hen neder. Hij verwaardigde zich niet hun een antwoord te geven."
't Moge waar zijn, het een meer, het andere minder, toch is hiermede de grond, de diepste grond, niet aangegeven.
Weet ge welke deze is : De Christus wist zich ten allen tijde verbonden met Zijn volk, dat in het gerichte Gods moest verstommen.
En hoe diep krenkend dit alles nu ook mocht wezen wat de Joodsche Raad Hem aandeed. Hij zag achter hen de bezoekende hand des Heeren. Hij zweeg als de vrijwillige Borg om Zijn volk den raond te ontsluiten. Zij, die op duizend vragen geen één antwoord konden geven stonden achter Hem. Zij, die niets dan aanklacht op aanklacht hoorden voortbrengen en daartegen I niets aanvoeren dan „het is alles waar", die zagen Hem in hunne plaats zwijgen.
Wat een kostelijk Evangelie voor diegenen die vanwege de kloppingen van hun consciëntie verontrust zijn geworden, die hunne zonden liebben zien oprijzen hemelhoog, die in het gerichte Gods zichzelven telkens verplaatst hebben als ze aaa de hand des Geestes tot dien Borg mogen geleid worden, dan wordt dit zwijgen voor hen een muziek, dan worden het hemelsche accoorden : in Zijn zwijgen ligt mijn vrijspraak. Toen werd Hij stil onder mijn aanklacht. Dat was de tijd om te zwijgen. Maar daarna komt de tijd om te spreken.
De Hoogepriester raakt hoe langer hoe dieper in zijn eigen garen verstrikt. Hij zoekt naar een uitweg. Hij zal er een vinden, doch let nu op welk een. De dienstknecht van de leugen zal de Waarheid vorderen op een eed. De Christus, die nooit iets had gesproken dat op onwaarheid geleek, wordt opgeroepen met : „ik bezweer u bij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods ? " Alsof de Heere alleen onder eede der waarheid getuigenis zou geven.
Schrikkelijk, vindt ge niet ?
Hemeltergend zulk een zonde. Die God was, wordt t)ij den Naam Gods bezworen, door een leugenachtig schepsel om de waarheid te zeggen.
Ijst het u niet tegen, lezer ? En toch de Heere laat het geworden.
Vreemd, zegt ge misschien, dat de Heere hierop inging. Daarop zou ik gedacht hebben dat Hij zou zwijgen.
Toch is het zoo wonderlijk niet als ge het verband maar leert kennen. Zweeg Hij zooeven als Borg, hier moet Hij spreken als zoodanig. Had Hij gezwegen, zoo was het volk in eeuwig zwijgen weer weggezonken. Nooit kwam hun mond weer open.
Toen de Christus door den Hoogepriester gevraagd werd of Hij de Borg was, of Hij waarlijk de Zone Gods was, Die voor Zijn schuldig volk zou intreden, kwam Hij onmiddellijk naar voren en sprak koninklijk fier Hier ben Ik, Ik sta als Borg voor hen in.
Ja juist riu begrijpt ge dien eed.
Voor iedere twijfelende ziel moest vastig-heid worden gegeven.
Dat getuigenis dat Hij de Borg is, is zelfs onder eede bevestigd.
Schrikkelijk, lezer, dat onze moderne wereld daartegen nog stelling durft nemen. De Christus heeft onder eede gezworen, " dat Hij de Zoon Gods was en nu maakt men Hem nog tot — ja al is Hij de beste — toch tot een menschenkind zonder meer.
Een van beide : Hij is een zoon der leugen, of Hij is de waarheid in persoon.
Wat zal 't zijn voor ons, lezer ?
Ik ben het, is 't eerste woord. Het geldt den armen, verschrikten, moegeworstelden zondaar, die onder de schuld Gods komt, die geroepen heeft tot zijn God en nu moet omkomen. Ziet, hier hoort hij 't roepen van den Borg zelf : „Ik ben het. Ik sta voor u in."
Het eerste woord gold de Zijnen. Maar die zwijgende lippen van zooeven spraken nog meer : gijlieden zult den Zoon des Menschen, d.i. Mij, zooals ge Mij hier voor u ziet, maar dan verheerlijkt, zien. Ik zal n.l. zitten ter rechterhand der kracht Gods en Ik zal komen met de wolken des hemels.
De gebondene voelt zich geen gebondene meer. De geoordeelde is geen geoordeelde meer. De rechters zijn voor Hem de gedaagden. De raad, die ter Vierschaar zat, zou geoordeeld worden door Hem.
De rollen zijn dan omgekeerd.
De eeuwen gaan met een eeuwigheidsswiekslag - aan Zijn oog voorbij.
Voor het nachtelijk uur kwam de dag der dagen, 's Hoogepriesters zaal werd de wolkentroon Godes.
De stoel des gerichts was de rechterstoel van Christus.
Kajafas, rechter, ziet ge 't niet ? Ziet gij Hem niet ? Ik zal u oordeelen.
Wat een getuigenis, 't Geldt nog alles onder eede. De Waarheid Zelve heeft onder het aanroepen van Gods Heiligen Naam getuigd en gezworen dat Hij straks de Rechter zijn zal.
Kan het u niet verschrikken, die voor niets nog hebt gebeefd.
Een van beiden : Hij is een Borg, of Hij is een Rechter.
Maar laat ons nu nog een stap naderbij treden.
Deze Borg, die wist te zwijgen toen gezwegen moest worden, en Die sprak toen gesproken moest worden, liet Zich, toen er een schuldig moest worden verklaard, het schuldig aanleunen.
Ternauwernood heeft Kajafas deze klanken gehoord, of daar weerklinkt de vraag : „wat dunkt ulieden ? Gij hebt Zijn Godslastering gehoord !"
Het antwoord laat zich slechts ééne wijle wachten, 't Krijscht over Hem heen van alle kanten : „Hij is des doods schuldig."
Wat kan de verblinding toch vér gaan ! Dat de Joden voor lastering aanhooren, wat toch niet anders dan de zuivere waarheid is.
Door hen allen tezamen werd de vraag : „Wat dunkt u? " zoo staat er — beantwoord met : „des doods schuldig."
Misschien ontging het uw aandacht : „zij allen veroordeelden Hem des doods schul-dig te zijn. De boden die Jeruzalems straten ; doorkruisten in het middernachtelijk uur, ; I konden Jozef van Arimathea niet. vinden en : gingen Nicodemus' deur voorbij, opdat er geschreven zou worden : zij allen, 't Moest zijn een eenparig getuigenis, een oordeel waarin ' geen andere klank werd gehoord 't Moest volledig zijn.
Waarom ? is uw vraag.
Al weer om dezelfde reden omdat Hij als Borg niet te verontschuldigen ware.
„Des doods schuldig" is een ontzettend ; woord, maar tevens 't heerlijkste dat ik ken.
Het Lam Gods is geheel schuldig verklaard, opdat ik vrijelijk zou naderen.
We hooren in dit: „Hij is des doods schuldig" twee waarheden verkondigen. De eerste is deze : dat de Heilige niet onbezocht en ongestraft zal laten, alles wat door de zondegreep verontreinigd werd. Zelfs Zijn Eenig-geliefde kan niet ontkomen.
En als Deze niet ontkomt aan de handen van den hoogsten Raad, als Hij, het groene hout, niet kan ontvlieden, wat zal ons, het dorre, dan geschieden ?
De meest strikte rechtvaardigheid des Heeren merkt ge hier. Al is het Zijn eigen kind. Zijn Eeniggeborene, tóch wordt Hij veroordeeld. Aan den dood prijs gegeven. Ge moet achter dit alles de hand des Heeren zien.
't Is maar niet toevallig zoo geloopen. Neen, van het begin tot het einde is het een volmaakt werk. Christus moest alle deze dingen lijden. Maar nu komt dat in waarheid. "
Heeft Hij als Borg het oordeel gedragen, Heeft Hij als Borg het oordeel ondergaan, wat zou er dan nog te vreezen zijn voor en schuldig-verklaarde, voor dien zondaar, voor die zondares, die in het aangezicht des Heeren moet belijden : „des doods chuldig."
Is het niet waar in natuurlijken zin, dat de borg niet wordt aangesproken, tenzij de schuldenaar gebleken is onmachtig te zijn ? ook in het geestelijke.
De Christus is als Borg ingetreden en eeft zich als Borg gegeven voor een gansch verloren volk.
Onderzoekt u eens op dit punt. Zijt ge reeds geheel schuldig geworden voor God. weet ge te behooren tot de schuldig verklaarden, dan naar uw Borg, dan naar uw Middelaar. Zijn straf brengt u den vrede aan. Al uwe ongerechtigheden heeft de Heere op Hem-doen aanloopen.
Vraagt uw God daarom maar geduriglijk of Hij dit u toone. Uwe zonden ziet ge, uwe ongerechtigheden kent ge, de vrijspraak moet ge beluisteren, in het oordeel van Christus.
O, 't is zoo waar wat de dichter zingt van Gods volk, d.i. het is in zichzelf verloren, ze zijn reeds in 't oordeel geweest.
Jezus ging in 't oordeel voor 't werd voor hen begonnen, Sedert Hij 't pleit verloor, Heeft hun ziel 't gewonnen.
Vandaar dat zij zingen :
In zijn vonnis ben ik vrij, Laat de dood nu komen. Heel de hel beschuldig mij, Ik heb niets te schromen.
Als daaruit geleefd mag worden, wat is het dan een heerlijk leven.
Wat wordt het dan een zalig sterven.
Zweeg de Heere, 't was opdat Zijn volk preke, jubele. Zijn Naam groot make.
Sprak de Heere, 't is opdat hun ziele stil zal zijn en luistere naar Zijn getuigenis : k ben het, die uwe ziele liefheb en liefhad van eeuwigheid tot eeuwigheid,
En eindelijk werd de Christus schuldig verklaard, geheel schuldig, sprak niemand tot Zijn verdediging één woord. Dit was opdat er niets zou overblijven om te beschuldigen.
Geve de Heere dit de schuldig-verklaarden maar veel te zien : voor mij zweeg Hij stil ; voor mij getuigde Hij luide ; voor mij werd Hij geheel schuldig verklaard.
Dan immers zult gij spreken tot Zijn' eer, zal in stilheid en vertrouwen uw sterkte zijn, in, algeheele vrijspraak zal uw verschijning zijn voor het aangezicht van den Heere des hemels.
Gij zult nu reeds aanheffen : In Zijn vonnis ben ik vrij. Ik heb niets te schromen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's