De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

9 minuten leestijd

XVI. (Slot)

Het besef van zonde en onwaardigheid is het diepst bij de welbevestigde en welverzekerde kinderen Gods.

Het mag den schijn en den naam hebben, dat er méér en dieper ootmoed is bij de bekommerden, die uit de onzekerheid maar niet uitkomen, en het den apostel Paulus niet zouden durven nazeggen : „ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere."

Doch welbeschouwd kan in een dergelijke blijvende bekommering evenmin de ware verbrijzeling des harten als de rechte geestelijke houding voor Gods aangezicht bestaan.

Immers indien er waarachtig besef is, dat men in zichzelven verloren is, en voor Gods gericht niet kan bestaan, hoe zou iemand het daaronder uithouden, tenzij hij vertroost wordt door de genadige belofte des Evangelies ?

En indien hij het er werkelijk onder uithoudt, is er dan geen reden om te zeggen : het gaat niet zoo diep met die wegwerping van zichzelven ? Wie aan zulk een toestand gewennen kan, bij dien is het besef van onwaardigheid óf schijn en zelfbedrog, óf, indien het ooit echt was, afgestompt, en het staat te vreezen, dat de belijdenis van eigen verwerpelijkheid niet dieper ligt dan vóór op de tong, en daarom misschien ook zoo gemakkelijk en zoo dikwijls over de lippen komt.

Daarentegen, wanneer er werkelijk een werk Gods aan de ziel is gewrocht, en de Heilige Geest getuigt van 't kindschap Gods, dan zal er zijn een steeds dieper wordende zelfkennis, die hand aan hand gaat met een aldoor vaster en rustiger vertrouwen op de onbegrijpelijke genade en de onwankelbare trouw Gods, waaronder de ziel klein wordt, en waarin zij veilig schuilen durft.

Dat is niet een overmoedig aangrijpen en zich toeëigenen van gestolen goed, dat kan nooit worden een dartele vreugde, een ijdel vertrouwen ; maar dat is een eigen werk van den H. Geest, die de blijdschap en den vrede des geloofs als een stil en rustig licht ontsteekt in de ziel van den begenadigde. Daarvan heet het in de H. Schrift : „Hij zal tot Zijn volk en tot Zijne gunstgenooten van vrede spreken."

Omdat daar is een erkentenis van eigen verlorenheid en een rusten in het volbrachte werk van den Middelaar, wordt ook het profetisch woord verstaan : „het werk der gerechtigheid zal vrede zijn."

De ziel, die aan zichzelf ontdekt is, en almeer aan zichzelf onfdekt wordt, en oog heeft gekregen voor de vrije gunst Gods, leert steeds meer den rijkdom beseffen van de liefde en ontferming, in Christus geopenbaard.

Zij leert zien, dat het een schat is, die nimmer is uitgeput, omdat hij welt uit de diepten van het eeuwig welbehagen ; dat in die liefde een waarborg en vastheid is, welke nimmer kan bedriegen, omdat 't het verlorene is, dat zij greep, het in zichzelf onwaardige, dat zij in Christus ophief tot de waardigheid van kinderen Gods.

En van dat kindschap getuigt de H. Geest met den geest der geloovigen. Want hierin ligt de zekerheid. Een zekerheid, die nooit buiten 't bewustzijn van Gods kinderen kan liggen, en die tegelijkertijd, zal zij waarlijk zekerheid zijn, zich richten moet op iets dat buiten hen is, rusten moet in iets, dat vast, onwankelbaar, onbedriegelijk is'.

Die zekerheid in het hart van Gods kinderen wordt gewerkt door het getuigenis van den H. Geest, die met hunnen geest getuigt, die getuigt van een aanneming tot kind, die dus wijst naar het volbrachte werk van den Middelaar, die niet is de geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze.

Is hierin dan geen zelfbedrog mogelijk ?

Het Woord Gods wijst hier den weg.Want in ditzelfde verband verwijst de apostel Paulus naar 'n onbedrieglijk kenmerk, waaraan de geloovige de oprechtheid en echtheid van zijn geloof kan toetsen.

Voor Paulus ligt dit niet in een opgetrokken worden in den derden hemel, niet in geichten en openbaringen, hem geschonken. Hij zou hiervan kunnen spreken, doch doet het niet dan door den nood gedrongen, om zich te rechtvaardigen tegenover zijne tegenstanders. En als hij er dan van komt te spreken, dan is het nog zeer kort en in het voorbijgaan, dan spreekt hij liever van den scherpen doorn in zijn vleesch, van het gevaar, op die uitnemendheid van openbaringen zich te verheffen, om te eindigen met te roemen in de genade des Heeren, die zegt : mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Cor. 12 vers 1—10.

Doch als het gaat orn de zekerheid, dan spreekt hij van den Geest tot aanneming tot kinderen. En dan wijst hij — ziehier het kenmerk — op de werking van dien Geest, die den geloovige brengt en dringt, tot God te roepen „Abba, Vader".

Wanneer Gods aangezicht wordt gezocht wanneer Hij wordt aangeroepen in kinderlijke vreeze en ootmoedig vertrouwen, omdat de Geest der aanneming tot kind ertoe drijft, dan ligt in dat nemen van de toevlucht tot de schaduw Zijner vleugelen een kenmerk van het geloof; gelijk het, gewrocht door den H. Geest, een vrucht is van het geloof.

Zoodat het altijd weer hierop neerkomt, dat de heilsverzekerdheid een zekerheid des geloofs is, en buiten het geloof niet wordt gevonden.

Zooals Calvijn zeer terecht aanteekent bij Rom. 8 vers 16 : „De Geest Gods geeft het getuigenis, opdat onder Zijne leiding en op Zijn gezag onze geest zou weten, dat de aanneming tot kind Gods vast is. En terwijl de Geest ons betuigt, dat wij kinderen Gods zijn, brengt Hij, tevens zulk een vertrouwen in ons hart, dat wij God durven aanroepen als Vader. En ongetwijfeld, terwijl alleen het vertrouwen des harten ons den mond opent, zal onze tong, tenzij de Geest getuigenis geeft van de Vaderliefde Gods, stom zijn om een gebed te vormen. Want men moet altijd hieraan vast houden : dat wij niet anders God op de rechte wijze bidden, dan wanneer wij, gelijk wij Hem met den mond Vader noemen, alzoo ook in ons hart vast overtuigd zijn, dat Hij een Vader is. Hiermee komt ook dit overeen : dat niet anders dan door de aanroeping van God ons geloof bewezen wordt. Daarom toont Paulus, niet zonder reden ons tot dit onderzoek roepend, aan, dat eerst dan vaststaat hoe ernstig iemands geloof is, wanneer degenen, die de genadige belofte omhelsd hebben, zich oefenen in den gebede."

Ook hier wordt de zekerheid zonder omwegen als een zekerheid des geloofs gekenschetst, en het kenmerk en bewijs van het geloof gevonden in een vertrouwend en ootmoedig roepen tot den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus.

De zekerheid hangt dus ten nauwste samen met het geloof. Hierin nu ligt opgesloten, dat zij niet met, de schommelingen en prikkelingen van het gevoel, maar met de kracht en het welzijn van het geloof in verband staat.

En dat niet bij ieder kind van God het geloof even krachtig en welverzekerd is, wie zou het ontkennen ?

Dat ook bij den bevestigden geloovige het geloof aan beproeving en bestrijding bloot staat en ten prooi is, wie, die waarlijk verstaat wat het is, te leven uit geloof, zou het nimmer hebben ervaren ?

Was bij een David het bewustzijn van in Gods gunst te deelen niet ten eenenmale verdonkerd na Zijn gruwelijke zonde van overspel met Bathseba en doodslag aan Uria ?

Hij smeekt dan : „neem Uwen Heiligen Geest niet van mij, en verwerp mij niet van Uw aangezicht."

En wanneer een onbeleden zonde de ziel bezwaart, hoe zou dan niet het licht en de lieflijkheid van Gods aanschijn verdonkerd zijn voor het ziels-oog ?

Geeft niet wederom David uiting aan een dragelijken ziels-toestand, wanneer hij belijdt : „toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd in mijn brullen den ganschen dag".

Maar daarop breekt het licht weer dóór, wanneer de ongerechtigheid voor 's Heeren aangezicht is gebracht : „ik zeide, ik zal belijdenis doen van mijn overtreding ; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde".

Doch dergelijke verdonkeringen zijn toe te schrijven aan de werking van de heiligheid des Heeren, die met name in Zijne kinderen de ongerechtigheid niet gedoogt, en hun het zondigen moeilijk wil maken.

Evenwel, het is gemakkelijk te verstaan, dat wij hier met gansch iets anders te doen hebben dan met de „geestelijke verlatingen" waarover zoo menigeen meent te moeten klagen, die de tegenwoordigheid Gods niet gevoelt, en treurt omdat Hij zich onttrekt.

Dan wordt de zekerheid en de onzekerheid in de ziel als het grillig spel van het zonnelicht over het landschap, waarlangs de wolken jagen, die bij oogenblikken de zonnestralen doorlaten, en dan weer hun De verdonkeringen van het geloof zullen onder de toelating des Heeren geschiedende en door Zijne wijsheid gebruikt, altijd moe, ten leiden, en dan ook metterdaad uitko. men op een versterking van het geloof.

Ook wanneer het de uitwendige levensomstandigheden, de van buiten komende beproevingen zijn, waardoor het geloof wordt bestreden.

Want niet onmiddellijk is dan de ziel stil in een rustig vertrouwen ; niet met een sprong is de hoogte van het geloof bereild, waar het kind van God met den apostel zegt : wij weten, dat dengenen, die God lief. hebben, alle dingen moeten medewerken ten goede, dengenen n.l., die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Het eerst is altijd de vreeze van het natuurlijk hart voor het gevaar, voorop gaat steeds de angst en het wantrouwen, de onrust van den ouden mensch.

Dan is er strijd ; maar straks ook beschaming.

Dan wordt het kind van God opnieuw en bij toeneming ontdekt aan z'n verkeerdheid; aan het zondige van zijn kleinmöedigheid, van zijn gebrek aan eenswillendheid.

En in dien weg doet God het geloof, en daarmede de zekerheid, wassen.

Want naarmate de ziel van Gods kind meer zichzelve ziet in haar ware gedaante, in die mate zal ook de behoefte aan den Middelaar grooter zijn. In die mate zal ook de rust dieper en vaster zijn van het geloof, dat ziet op het volbrachte werk van Christus

En naarmate het geloof meer inziet in den rijkdom en de volkomenheid van het genade-verbond, in die mate zal de ziel zich meer en meer verankerd weten in de eeuwige trouw van den God des ontfermens.

Zij ontvalt zichzelve steeds meer, hoemeer de geloovige zichzelf uit de hand valt.

Met het geloof zal de ootmoed wassen ; met den ootmoed zal het geloof toenemen.

Zóó wordt de van God begenadigde zondaar buiten zichzelven-uit gewezen en uitgebracht.

Zóó wordt de zekerheid gevonden ; zoo wordt het lied der verzekerdheid geleerd, dat nu eens met blijden jubeltoon, dan weer op een zachte melodie van stil en diep vertrouwen zal worden gezongen : ik ben verzekerd, dat noch hoogte noch diepte, noch dood noch leven, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch engelen noch overheden, noch machten noch eenig ander schepsel mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's