Stichtelijke overdenking.
Jeremia 14 vers 20—22.
Jeremia's gebed.
In de dagen van Jeremia doorliepen Gods oordeelen het land Kanaan. Om de zonden des volks sloeg de Heere 't land met groote droogte. Dag aan dag zond de felle oosterzon hare stralen uit over den uitgedroogden aardbodem. En nergens was water te vinden tot verkwikking. De woudezels stonden op de hooge plaatsen om een windzuchtje op te vangen tot wegneming van hunnen dorst. Zou de Heere Zijne goedgunstigheden hebben ingekort ? Zou Hij van geen ontferming weten ?
Jeremia beeft als hij bemerkt, dat God naar Zijn heilig recht Zijn oordeelen moet uitzenden. Vandaar dat hij in ootmoedig smeekgebed de nooden van land en volk neerlegt voor den God Israels.
Zou met het oog op den toestand van ons volk dit gebed ons niet passen ? Och, dat bij het naderen van den zomer Jeremia's gebed het onze ware !
Beginnen wij dan eerst met schuldbelijdenis.
„Heere wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd."
Hoe groot zijn de geweest over ons volk ! weldaden Gods
Hij heeft ons gespaard in den wereldoorlog en heeft ons in dezen somberen tijd, in onderscheid van vele andere naties, nog overladen met gunstbewijzen. Hij schonk ons nog het licht van Zijn Woord en het geklank van Zijn getuigenis.
En wie zijn wij daartegenover geweest ? Dankbaar en God prijzende ? Wij weten wel beter. Daarom de schuld moet worden beleden !
Tegen God gezondigd al den voorbijgeganen tijd ! Verdiend de slaande hand Gods! Moet dit niet worden uitgesproken ? Neen, sterker, moet dit niet voor God worden beleden !
Gelijk een vazal zich losmaakt van zijn leenheer en al de genoten weldaden vergeet, zoo doen, wij met onze zonden. Wij vergeten God. Neen, wij gebruiken onze gaven om God te bestrijden en Zijn eer aan te randen.
In al onze zonden (en hoeveel hebben wij er niet) licht afwijking van den rechten weg, een opzij zetten van de rechten Gods
Tegen U gezondigd ! Tegen U, onzen Schepper ! Tegen U, onzen Weldoener, die ons overlaadde met Uwe zegeningen !
Wanneer wij de smeekbede opheffen naar omhoog, moet eerst de schuld worden beleden. De bidder moet het hart Gods bereiken. Doch dan ook eerst het hinderlijke kleed van omstrengelende schuld afgelegd ! God wil den smeekeling hooren, mits eerst de boeteling zijn schuld erkent.
De smeekbede opgeheven tot Gods troon ! Ook dit ontbreke niet. Schuldbelijdenis is noodig, maar ga gepaard met smeekgebed. Wat God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet.
Schuldbelijdenis alléén, voert tot den bangsten wanhoop. Smeekgebed alléén, voert tot de grootste oppervlakkigheid.
De ware bidder mag Jeremia's bede overnemen. Hij smeeke : „Versmaad ons niet om Uws Naams wil 1"
De pleitgrond van den smeekeling voor gewas en welvaart ligge alleen in den Naam des Meeren ! Dat is een sterke toren, waarheen de smeekeling vluchten mag.
Gods Naam toch is Ontfermen Om des ontfermens versmade Hij ons volk, otis land en ons bedrijf niet !
„Werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder."' In het midden onzes volks heeft Hij Zijn heerlijken troon gesticht. Gelijk Hij in het midden van Israël Zijn heiligen tempel bouwde, zoo deed Hij ook in Nederland. Hij bouwde Zijne Kerk, om daar Zijn heerlijkheid te toonen. Hij heeft nog een volk, in wier hart Hij Zijn troon vestigt.
Zij het onze bede : „Werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder." Laat toch Uw Majesteit en glans blijven uitschitteren in ons midden. Ons volk en onzen akker ten goede!
„Vernietig niet Uw verbond met ons ! Met Israël had de Heere een verbond gesloten. In dat verbond had God Zijnerzijds allerlei tijdelijke en geestelijke zegeningen toegezegd. Israël zou de vruchten des lands en bescherming tegen de vijanden genieten. Israël zou bovenal de stem der profeten, die de rijke genade Gods vertolkten, beluisteren.
, .Vernietig dit verbond niet !" zoo bad Jeremia, die de oordeelen Gods over Zijn volks zag en voor wiens oog het verbond Gods scheen te wankelen.
Zou dit verbond met Nederland gaan wankelen ? Zou de Heere doortrekken met Zijne oordeelen ? Zou Hij gaan vernietigen de tijdelijke en geestelijke zegeningen des verbonds ?
Och, dat wij den Heere dringend smeekten, dat Hij dit verbond in het midden onzes volks bevestigde !
In dit verbond is Gods genade de grondtoon. En genade rekent nimmer met de waardij van 's menschen verdiensten. Genade rekent immer met de onmetelijke liefde Gods.
Als een boeteling geklaagd over grooten afval en schrikkelijke zonde ! Als een smeekeling de smeekbede opgeheven tot God en gepleit op Gods hoogheerlijken Naam ; op de kracht van Zijne genade.
Doch dan ook als een geloovige de verwachting op den Heere geuit !
In de groote droogte heeft Jeremia geen verwachting van het schepsel. De ijdelheden der heidenen, d.w.z. de afgoden dezer volkeren konden geen regen geven. Zij hooren niet, en merken niet op.
De hemel zelf, de Schepping Gods, kon ook uit zichzelf geen regenstroomen schenken. Als God Zijne hand terughield, bleef de hemel strak en wolkenloos.
Geen verwachting zij er bij ons van het schepsel, datzelf ijdelheid is. Voor den naderenden oogst zij onze verwachting niet van ' onze hulpmiddelen en onze wijsheid.
Voor geestelijke vrucht op den akker onzer ziel zij onze verwachting niet van onze , leeraren, maar alleen van Hem, die de wol ; ken des hemels scheurt, zoodat de vruchtbare regen des Geestes neervalt op den dorstigen akker onzer ziel.
Vandaar zegt Jeremia zoo treffend : „Daarom zullen wij op U wachten."
Wachten op Gods wijsheid, die ons^kan toeschikken naar dat onze nood is.
Wachten op Gods kracht, die alles kan scheppen ons tot rijke vervulling.
Wachten op Gods liefde, die teeder waakt over de Zijnen en hunnen nood vervullen wil.
Wachten op Gods rijke voorzienigheid, waardoor wij in tegenspoed geduldig dragen, hetgeen God ons beschikt.
Wachten op Gods rijke voorzienigheid, waardoor wij in voorspoed dankbaar den Heere leven, Wachten op Gods rijke voorzienigheid, waardoor wij met het oog op de omsluierde toekomst vertrouwend opzien tot den Beschikker aller dingen.
Vv'ie wacht, overhaast niet, maar kent Gods tijd.
Daarom èn op natuurlijk èn op geestelijk terrein de hand aan de ploeg, het zaad geworpen in de voren. Maar dan ook rustig afgewacht den zegen des Almachtigen, die te Zijner tijd den hemel zal doen druppen, opdat het zaad rijpe tot den oogst !
Wachten is moeilijk voor den ongeduldigen mensch.
Toch is het de eenig-goede weg. Wie toch kan met bezorgd te zijn een el tot zijne lengte toedoen ?
Met het oog op den naderenden zomer kan uwe ziel met veel en velerlei vervuld zijn. Wat bergt de toekomst in haar schoot voor den akker, voor Nederland, voor de volkeren van Europa ?
Leve daarom in uwe ziel, na de ootmoedige schuldbelijdenis en na het krachtig smeekgebed, de verwachting van den Psalmist, die het Geloofslied zong :
Ik blijf den Heer' verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord Ik hoop in al mijn klachten. Op Zijn onfeilbaar Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's