De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Tegen onwelvoegelijke kleedij.

In zijn Isten brief aan Timotheuis — Hst. 2 vers 9 — schrijft Paulus met het oog op de vrouwen : „Desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelven versieren."

Dat zulk een herinnering noodig is in een pastoraal schrijven aan een Dienaar des Evangelies, is wel een bewijs, dat reeds in den apostolischen tijd de matigheid en de eerbaarheid met het oog op de kleeding te wenschen overliet, en dat er gevaar bestond, dat deze misstand ook onder de belijders des Heeren ingang zou vinden. Is al wat geschreven staat tot onze leering geschreven, vooral wat Paulus schrijft over het eerbaar gewaad, is van actueel belang, inzonderheid voor onzen tijd. Meer dan ooit is er oorzaak tot klacht over 't verschijnen in niet eerbaar gewaad, over onwelvoegelijke kleeding. Die klacht was in Paulus' dagen zelfs niet nieuw

Immers bij de profeten reeds klaagt de Heere over dezen misstand bij het volk des Verbonds wel als bewijs van diep geestelijk verval onder Israël.

Naarmate bij Israël het godsdienstig, het geestelijk peil daalde, zien we een toenemen van weelde en zinnelijkheid, een opgaan in de dingen, die het vleesch en deszelfs begeerlijkheden streelen, en die er op aangelegd zijn bij anderen de zinnen te prikkelen, het schaamtegevoel te verdooven. Treurig, diep treurig is het beeld dat Jesaja voor oogen stelt van het Verbondsvolk, toen de oordeelen Gods vaardig werden over hen, Jesaja, de boetgezant des Heeren, die de oordeelen Gods het weerstrevig volk aankondigt, getuigt in den Naam Zijns Zenders van Israël — H. 2 vers 16 — „Voorts zegt de Heere : Daarom dat de dochteren van Zion zich verheffen en gaan met uitgestrekten haize, en lonken met de oogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof hare voeten gebonden waren ; enz."

Als Jesaja in onzen tijd leefde, zou hij, aan hetgeen hij reeds voor meer dan 25 eeuwen geleden geschreven heeft, schier geen enkel woord behoeven te veranderen, als hij den hedendaagschen toestand weergaf.

Ook thans kan men ze zien gaan met uitgestrekten hals , met aan hals en borst diep uitgesneden kleedij, met korte rokken, die aan een ballet-danseres doen denken ; en dan dat trippelen op schoeisel, dat wel een loopen op stelten gelijkt, zoodat het schijnt, als of de voeten gebonden zijn. Vooral de kleeding van vele vrouwen geeft in onze dagen reden tot ergernis aan hen, die voor Gods Woord beven en dat Woord erkennen als 't richtsnoer van wat eerbaar en zedig is.

Het getuigt van geestelijk en zedelijk verval, van loslaten van 's Heeren Woord als onfeilbaar richtsnoer van geloof en leven en dat men het met de eerbaarheid en het schaamtegevoel zoo nauw niet neemt als Gods Woord aangeeft. Dat men liever voor den afgod, die mode heet, buigt en de grenzen der welvoegelijkheid en eerbaarheid doet verflauwen dan door God, den Rechter van hemel en aarde zich te laten gezeggen. Diens ongenoegen en toorn trotseerende. Draagt de mensch kleeding om der zonde wil, om zijn verlaten van God, zoodat ze teekenen zijn zijner schande, om zijn naaktheid te bedekken, aan zijn schaamtegevoel uiting te geven, men zou mogen verwachten, dat juist op dit punt groote soberheid werd in acht genomen.

't Is juist andersom. De kleederen, die een voortdurende aanklacht zijn tegen den mensch, tegen zijn verlaten van God, worden juist gebruikt om zijn hoogmoed te streelen, de zinnelijkheid te prikkelen en zijn diep verderf van wege de zonde in het helderste licht te stellen.

Dat men de genoemde dingen aantreft bij hen, die met God en Zijn Woord niet rekenen, bij wie de grenzen tusschen zedelijk en onzedelijk, eerbaar en oneerbaar reeds lang uitgewischt zijn, moge te betreuren zijn, het is echter te begrijpen. Maar dat er ook zijn, die Gods Woord erkennen als het richtsnoer ook voor het dagelijksch leven en de openbaring daarvan naar buiten en in dit opzicht niet vrij uitgaan mag als een treurig teeken destijds worden aangemerkt.

En toch, de gemeente des Heeren gaat in deze niet vrij uit. In haar midden worden, met betrekking tot het eerbaar gewaad, dingen gezien, die den toets van Gods Woord niet kunnen doorstaan. Hoe zou het anders te verklaren zijn, dat reeds van ambtelijke zijde waarschuwingen worden vernomen tegen het niet in eerbaar gewaad verschijnen aan de plaats des gebeds, ja, zelfs aan den disch des Verbonds ! Ja, het zijn nog uitzonderingen, doch reeds dat het feit niet kan worden ontkend, is een oorzake van droefheid en eischt waakzaamheid en getrouwheid van hen, aan wie het opzicht over de gemeente des Heeren is toevertrouwd.

Wij vernemen tegenwoordig van allerlei uiterlijke hervormingen in de Kerk.

Die Mercurius in de Kerk heeft de laatste jaren al wat opgeld gedaan, terwijl men zijn pijlen heeft gescherpt, om hem doodelijk te treffen. En 't geeft soms den indruk dat, als plaatsenhuur en kerkzak maar verdwenen zijn, men de volmaaktheid heeft bereikt in het kerkelijk leven.

Nu zullen wij geen pleidooi voeren voor deze dingen, maar meenen toch te moeten waarschuwen, dat men hiernaar nu juist niet het geestelijk peil der gemeente beoordeele. 't Zou toch kunnen zijn, dat het woord van den Heere Jezus hierop van toepassing was, toen Hij sprak over 't reinigen van 't buitenste des drinkbekers en het witpleisteren van de graven, die hierdoor van binnen geen beter aanzien krijgen.

Met al die uitwendige hervormingen gaat toch voortdurend de klachte gepaard, dat de thermometer, graad van het geestelijk leven eer daalt dan rijst, zoodat verdieping van het geestelijk leven hoog noodig is.

En al moge er bijwijlen overdrijving zijn in deze klachte, zoodat men op één punt starende, geen oog heeft voor het goede, dat God ook in onze dagen in het midden der gemeente geeft te aanschouwen en te genieten, toch zal men niet van overdrijving kunnen beschuldigen, wie zegt, dat, vooral in kleeding en anderszins, een gelijkvormigheid met de wereld zich hier en daar openbaart, die met Gods Woord in de hand niet kan worden verdedigd, en die schadelijk is voor het persoonlijk geestelijk leven, en een belemmering, dater kracht uitgaat van de gemeente in de wereld, zooals toch van haar verwacht mag worden.

Te midden van veel droevigs op dit gebied is het een verblijdend teeken, dat er stemmen opgaan, en nog wel uit niet bepaald christelijke kringen, tegen onwelvoegelijke kleeding.

Dezer dagen bevatte de „Standaard" het bericht, dat wij hier overschrijven :

„Uit Parijs wordt gemeld, dat een vijf fin twintig organisaties met meer dan 100.000 leden een campagne begonnen zijn tegen de moderne kleeding der vrouwen. De bond voor sociale rechten der vrouwen heeft een schrijven gericht tot alle vooraanstaande kleermakers en magazijnen, waarin zij voor boycot gewaarschuwd worden, als zij kleederen verkoopen, die te laag zijn uitgesneden en te korte rokken.

Door den bond is een resolutie aangenomen waarin gezegd wordt :

Overwegende dat een immoreele samenspanning plaats heeft tegen de beschaving en de nationale zedigheid, besloten deze organisaties eenstemmig hun leden uit te noodigen, eiken steun te weigeren aan winkeliers, die onwelvoegelijke kleeding, of kleeding, gevaarlijk voor de gezondheid en de zedelijkheid verkoopen, of welk magazijn ook dat dergelijke kleeding te koop aanbiedt".

Flink zoo ! 't Is verblijdend, dat juist uit Parijs, dat den toon aangeeft voor de tegenwoordig zedebedervende mode, zulk een tijding komt. Men pakt daar de koe bij de horens ; laat het niet bij zuchten en klagen, maar voegt de daad bij het woord. Uit Parijs, door Da Costa reeds genoemd „het verbeestlijkt Sodom van weleer", komt dit keer werkelijk iets goeds, dat onze navolging waard is..

Wie begint hier op daadwerkelijke wijze den strijd aan te binden tegen de lichaam verwoestende en zielverdervende mode der onwelvoegelijke kleeding ? Al neemt het getal bonden op bedenkelijke wijze toe, een bond als bovengenoemd, zal ons volk in elk opzicht ten goede komen op maatschappelijk, zedelijk en godsdienstig gebied.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's