De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid des geloofs.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid des geloofs.

7 minuten leestijd

Naschrift.

Een belangstellend lezer van de artikelen, die over bovenstaand onderwerp handelden, stelde mij voor eenige weken enkele vragen, bij hem gerezen na het lezen van deze artikelen.

Hoewel zij misschien reeds gedeeltelijk beantwoording hebben gevonden in hetgeen reeds was neergeschreven vóórdat, maar eerst in druk verscheen nadat zijn schrijven mij bereikte, wil ik toch aan zijn wensch voldoen, en te dezer plaatse kort op zijne vragen ingaan.

Gemakshalve neem ik de vragen hier over, waarvan inhoud en inkleeding natuurlijk geheel voor rekening van den vrager zijn.

Ie. Zou niet het eerste stadium in de bekeering zich steeds kenmerken door een gevoelsleven ?

2e. Gaat ook dit gevoelsleven niet gepaard met waarachtig geloof, en is het niet vrucht van dat geloof ?

3e. Is in de verzekerdheid des geloofs alle gevoelige genieting buitengesloten ?

4e. Is de „verzekerdheid des geloofs" niet iets, dat na rijke zielservaring pas iemands deel wórdt ?

5e. Is het missen van die „verzekerdheid der geloofs" een gevolg van geestelijk verkeerd gebakerd te zijn, of een gevolg van andere oorzaken ?

Wie het geestelijk leven kent èn uit den omgang met waarachtige kinderen Gods, uit de vormen waaronder en de wijzen waar op het zich openbaart, èn uit eigen zielservaring, zal ongetwijfeld weten, dat ook in het genade-leven het gevoel een belangrijke rol speelt.

Zooals het trouwens ook in het natuurlijk leven het geval is. In de schepping Gods kenmerkt zich alle dierlijk en menschelijk leven door de belangrijke functie, die het gevoel daarin vervult.

Eigenlijk vergezelt het „levens-gevoel" alle verrichtingen van de organen, omdat in het lichaam voortdurend iets gebeurt. Omdat alle leven „beweging", verandering is, is het gevoel een begeleidend verschijnsel van alle levensverrichtingen. Hoe regelmatiger en normaler het levens-proces verloopt des te gelijkmatiger zal het levens-gevoel zijn, d.w.z. doordat wij er aan gewoon raken, trekt het enze aandacht niet, staan wij er met onze gedachten niet bij stil, zijn wij er ons ternauwernood van bewust.

Maar zoodra komen er niet heftige aandoeningen, plotselinge, storende veranderingen, of ook de gevoels-aandoeningen, vaak ook de gevoels-uitingen, worden aanstonds sterker.

Wij kunnen natuurlijk hier op de vele en ingewikkelde zielkundige vragen, die zich op het gebied van het gevoels-Ieven vóórdoen, volstrekt niet ingaan.

Wij geven bovenstaande aanduidingen slechts bij wijze van illustratie, om te komen tot hetgeen ook op het terrein van het geestelijk leven zal vallen waar te nemen.

Welnu, wanneer de genade Gods gaat werken aan een zondaarshart, en het komt tot een doorbreken van het nieuwe leven, door den H. Geest gewerkt, dan zal daarbij zonder twijfel ook, ja in de allereerste plaats net gevoels-leven sterk bewogen zijn;

Misschien minder, wanneer een uitverkorene, in zijne jonkheid wedergeboren, en opgegroeid in den kring van het genade-verbond, van kind aan een geestelijk oor heeft voor het Woord des Heeren, en getrokken wordt door Zijne liefde. Dan zal er in het genade-leven een rustige, schoone ontplooiing kunnen zijn, zooals de bloemknop gestadig-aan zwelt en straks haar bladen ontvouwt, geleidelijk, zonder schokken, door geen storm of hagelvlagen geteisterd, gekoesterd en ontluikend door de stralen der voorj aars-zon.

Maar wanneer de bekeering op later leeftijd plaatsgrijpt, of in een leven, dat niet bewaard is voor groote afdwalingen en een vèr-gaanden afkeer van den Heere en Zijn Woord, ja, dan zal het genade-leven als begeleidend verschijnsel zeer zeker ook een heftig bewogen gevoel vertoonen.

De levens-gang en levens-ervaring van een Paulus is geheel anders geweest dan van een Johannes.

In menige „eerste bekeering" is strijd, is angst, is worsteling en gevaar voor vertwijfeling. En het leven, door genade gewerkt, openbaart zich niet aanstonds, niet zoo maar in éénen, in een rustig en welbevestigd vertrouwen.

In het geestelijke gaat het vaak als in het natuurlijke : een kind komt schreiend ter wereld ; een smartkreet is zijn eerste geluid; lachten leert het eerst allengs.

En toch, ook dat schreien is levens-openbaring, levensuiting.

Het zal dan ook de levens-ervaring van menig kind van God zijn, dat er heel wat onrust en tegenstreving, zeer veel vreeze en weinig rust was in zijn ziel, toen het licht begon door te breken en het genade-leven verkeerde in de weeën der nieuwe geboorte.

Met name in zulke tijden zullen er heftige gemoedsbewegingen zijn, waarin vooral het gevoels-leven is betrokken. Maar, indien het alles echt een werk van den H. Geest is, niet dit gevoelsleven uitsluitend. Dan is er óók de werking van het nog zwakke geloof, dat geneigd is de toevlucht te nemen tot den troon der genade, dat zich keert tot dien God, wiens naam, naar luid van het Evangelie Ontfermer is.

Dat in den strijd der bekeering vooral het gevoels-leven met het ontluikend geloof gepaard gaat, zal men dus zeer zeker niet kunnen bestrijden.

Dat het, gelijk de vrager het uitdrukt, een vrucht van het geloof is, zouden wij niet durven bevestigen. Wel is dit alles niet buiten het geloof, en is de bewogenheid van het gevoel bij dergelijke ziels-toestanden en - ervaringen een begeleidend verschijnsel, mitsdien ook een aanwijzing van een ontwakend geloof. Maar misschien doen wij juister door het te omschrijven in plaats van als een vrucht van het geloof als een werking van den H. Geest.

Indien nu waarlijk de H. Geest aan een zondaars-hart werkt, en God één Zijner kinderen m& t het geloof begaaft, zou men meenen, dat Hij dan Zijn werk niet zou voortzetten? D.w.z. zou het geloof niet opwassen, de geestelijke kennis niet toenemen ?

Zou de geestelijk levend-gemaakte niet door de gestadige genade-werking van den H. Geest, zich dieper inleven in den rijkdom der beloften Gods, en allengs uitgroeien tot een volwassene, tot een man in Christus ?

En behoort niet tot het wei-wezen des geloofs de verzekerdheid, die rusten durft en rusten mag in de onwankelbare trouw van den God des Verbonds ?

Na hoeveel of hoe weinig ziels-ervaring deze zekerheid het deel zal worden van een kind des Heeren, valt moeilijk te zeggen. Eenvormigheid is er in de schepping Gods niet; en evenmin in het rijk der genade. De wegen, die Hij met Zijne kinderen houdt, kunnen en zullen dus zeer verschillend zijn.

In het algemeen echter mag men dit toch wel zeggen, dat God, die het werk Zijner handen niet laat varen, verheerlijkt en geëerd wordt door het ootmoedig en rustig vertrouwen Zijner kinderen, die met wegwerping van zichzelven, het wagen met Zijn Woord alleen.

In die verzekerdheid des geloofs is zeer zeker de „gevoelige genieting" niet buitengesloten. Ho^^^ zou dat ook kunnen zijn? Als het gevoel een levens-verschijnsel en - openbaring is, dan ontbreekt het zeer zeker niet, wanneer de H. Geest in eens zondaars hart komt wonen, den wedergeborene en bekeerde in gemeenschap brengt met het Eeuwig Wezen, zijne ziel aanraakt, verlicht, zoodat zij aan zichzelf ontdekt, zich verwondert over de genade van haren God.

Doch dit neemt niet weg, dat ook bij die „gevoelige genieting" de zekerheid toch opwast uit het geloof, en aan het geloof eigen is. Want het gevoel bepaalt hem, die geestelijk leeft en geestelijk geniet, bij zichzelf, bij hetgeen hij ervaart, het geloof wijst hem op hetgeen buiten hem, onveranderlijk en vast is, de eeuwige ontferming des Heeren.

Waarom nu wordt die verzekerdheid des geloofs bij zoovelen gemist ?

Ook hierin houde men rekening met de vrijmacht des Heeren, en met de wijsheid van Hem, die weet, wat voor ieder Zijner kinderen noodig en heilzaam is.

Maar evenzeer houde de dienst desWoords rekening met hetgeen naar de uitwijzing van dat Woord het normale, het meest Godverheerlijkend is.

Is het normaal, dat een geestelij k-Ievendgemaakte in de geboorte blijft steken ? Dat hij telkens weer van voren-aan begint en maar niet verder komt ?

Is het : groote gedachten hebben van den Heere, te meenen, dat Hij met Zijne kinderen een grillig spel speelt, en het ééne oogenblik hun een rust en vrede doet genieten, die het volgend oogenblik hun weer wordt ontnomen ?

En bovenal — en zoo komen wij weer tot ons punt van uitgang terug — brengt niet de rechte waardeering van het geloof naar de opvatting van het gereformeerd protestantisme met zich, dat de geloovige zich vastgrijpen leert aan het Woord Gods, dat het, gelijk Calvijn het uitdrukt, de oogen sluit en de ooren opent, om te letten op de belofte alleen ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De zekerheid des geloofs.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's