De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

Konden we verleden week het vervolgartikel niet geven, daar het in „De Heraut" niet stond, we laten nu no. XI hier volgen, gelijk prof. dr. H. H. Kuyper dat geeft, voortgaande de kwestie van de finantieele verhouding van Kerk en Staat grondig te bespreken. Het luidt :

Geen gunst maar recht.

In de tweede plaats moet de vraag nog onderzocht worden, in hoeverre er van rechtsaanspraken der Kerk ten opzichte van deze goederen sprake kan zijn. Aangezien deze goederen niet aan de Kerk noch als geheel noch als plaatselijke gemeente gedacht, geschonken waren, maar aan bepaalde kerkelijke instellingen zooals de kerkfabriek, de pastorie, de vicarie, de kosterie enz., meent mr. Van Apeldoorn, dat men hoogstens zou kunnen spreken van een eigendomsrecht dezer kerkelijke instellingen op deze goederen, maar niet van een eigendomsrecht der plaatselijke gemeente of kerk. En daarop grondt zich dan zijn betoog, dat de Nationale vergadering in 1798 geen roof tegenover de Kerken heeft gepleegd door deze goederen tot nationaal eigendom te verklaren, aangezien men iemand niet berooven kan van wat • hij nooit bezeten heeft.

Nu is reeds vroeger door ons opgemerkt, | ' dat, al neemt men deze instituten-theorie aan, daaruit nog niet de juistheid volgt van de conclusie door Mr. Van Apeldoorn daar  getrokken. Tweeërlei mag hierbij toch niet vergeten worden. Vooreerst, dat deze ' uitdrukkelijk goederen blijkens gegeven de schenkingsoorkonden waren voor dienst Gods, en aangezien deze dienst Gods de eeredienst is, die in de Kerk plaats vond, waren deze goederen voor den dienst der Kerk bestemd. Wie deze goederen aan deze bestemming onttrok pleegde dus roof tegenover de Kerk, evengoed als Judas, toen hij het geld voor de armen bestemd voor zich zelf behield, diefstal tegenover de armen pleegde. Niet het eigendomsrecht, maar de bestemming beslist hier. Het geld voor de armen gegeven, is geen eigendom van de armen, en toch zal ieder den man, die aan de armenkas zich vergrijpt, deze misdaad dubbel zwaar toerekenen, omdat hij „de armen bestolen heeft". En in de tweede plaats, dat al werden deze goederen nader bestemd voor het onderhoud van den pastoor, vicaris, koster enz. de bedoeling hiervan niet was zekere personen, die dezen titel droegen, een inkomen te bezorgen. maar den kerkelijken dienst mogelijk te maken. Zelfs werd in het kanonieke recht, uitdrukkelijk bepaald, dat er geen Kerk mocht geïnstitueerd worden, voordat eerst de noodige fondsen voor deze kerkelijke diensten waren bijeengebracht; ze waren | de don Ecclesiae. Volkomen terecht heeft Voetius er daarom tegen geprotesteerd, toen de Overheid te Utrecht de kapittels I formeel in stand hield, maar nu, in plaats 'van de vroegere geestelijken, gewone burgers tot kannunieken liet benoemen, alleen om te zorgen, dat zij in het bezit kwamen van de inkomsten aan deze kapittels verbonden. Al mocht formeel zoo het oude instituut in stand worden gehouden, het was niet anders dan een camouflage om den kerk roof door de Overheid gepleegd te bedekken Want het was duidelijk, dat deze goederen nooit geschonken waren om gewone burgers, die den titel droegen van kannunieken, te onderhouden, maar om den kerkelijken dienst van deze kapittels in stand te houden. En wat Voetius aldus staande hield ten opzichte van de kerkelijke bestemming dezer goederen, geldt evenzeer en zelfs nog in sterkere mate ten opzichte van de goederen bestemd voor den eeredienst der plaatselijke Kerk. Hier toch had men niet te doen met 'n Roomsch instituut dat, zoo als de kapittels, na de Reformatie kerkelijk zijn bestaansrecht verloor, maar met instituten, die onveranderd bleven bestaan. De gereformeerde pastoor had een wettig recht op de inkomsten dezer goederen, evenals de roomsche pastoor dit vroeger had bezeten, en wie deze inkomsten hem onttrok, pleegde daarmede roof tegenover den „pastoor" en tegen de Kerk die hij diende. Het gevolg was toch, dat de gemeente nu zelf verplicht werd uit eigen middelen den „pastoor" te onderhouden, zooals dit dan ook metterdaad door de Nationale vergadering werd gelast.

Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd, want er is volkomen terecht op gewezen, dat bij dit vraagstuk toch ook rekening moet worden gehouden met de verandering, die de Reformatie in het Kerkbegrip, en dientengevolge ook in het kerkelijk instituut der plaatselijke Kerk, heeft aangebracht. 1) De zoogenaamde instituten-theorie, toegepast op de kerkelijke goederen, hangt ten nauwste saam met de Roomsche Kerkidee en het Roomsche Kerkrecht. De Roomsche Kerk gaat niet uit van de plaatselijke kerk als corporatieve eenheid, d.w.z. als de gemeente der geloovigen, maar vat de Kerk op als 'n kerkinstituibt om de genade mede te deelen. Het is deze Kerk als geheel gedacht, die op een bepaalde plaats een pastoor en een koster aanstelt, en wanneer er een kerkgebouw, een pastoor en een koster is, dan is de Kerk als instituut daar gevestigd. De gemeenteleden verzamelen zich om de reeds bestaande Kerk, worden aan de leiding van den pastoor onderworpen, en zoo ontstaat de parochie. Maar de pastoor is niet 'n ambtsdrager van de plaatselijke Kerk, maar evenals de vicaris, de koster, enz. een zelfstandige kerkelijke instelling. Voorzoover de gemeenteleden de goederen voor 't onderhoud der Kerk of van den pastoor hebben gegeven mogen zij volgens het Roomsche Kerkrecht daaraan het recht ontleenen, om den pastoor te benoemen en het beheer van deze goederen te voeren of daarop toezicht te oefenen, maar ze doen dit niet als gemeente, maar als schenkers dezer goederen, als patroni ecclesiae.

Houdt men dit nu niet in het oog, dan is het ook volkomen te begrijpen, dat het Kanonieke recht, geheel in overeenstemming met dit beginsel, van de Roomsche Kerkinrichting, het recht, dat de gemeente oorspronkelijk op deze goederen had, geheel heeft laten vervallen en de grondstelling volgde, dat de eigendom dezer goederen berustte bij deze kerkelijke instellingen. Zelfs behoeven deze kerkelijke instellingen niet met een plaatselijke gemeente in verband te staan, maar kunnen zij geheel zelfstandig optreden. 2) Het Protestantsche Kerkrecht gaat van 'n geheel ander Kerkbegrip uit en dit heeft ook op de Kerkinrichting natuurlijk invloed gehad. De Kerk wordt nu niet meer als een Kerkinstituut opgevat, maar als de „vergadering der geloovigen." Het ambt van den pastpor staat niet meer als zelfstandige instelling boven de gemeenteleden, maar wor­ ! telt in de gemeente. De corporatieve idee neemt nu de plaats in van de institutaire. | En dit is niet alleen een kerkrechtelijke beschouwing, maar én in de inrichting der Kerk zelve èn in het Kerkrecht, zooals dit | gecodificeerd is in de Kerkordeningen, komt deze idee tot uiting. Uit de vroegere parochies der Roomsche Kerk ontwikkelt zich nu de plaatselijke gemeente der geloovigen, waarbij niet zelden verschillende parochies, vooral in de steden, haar zelfstandig karakter verliezen en saamsmelten tot één kerkelijke gemeente. Het is niet meer een hiërarchische macht van buiten, maar het zijn de geloovigen, die bij de Reformatie de ambten instellen en voor deze ambten de personen aanwijzen. En deze ambtsdragers staan niet meer los naast elkander, maar vormen saam den raad der Kerk, die de geheele gemeente representeert of vertoont. En een ambt, dat als instituut los van de gemeente staat, kent het Gereformeerde Kerkrecht niet. Het ambt wordt een functie van het organisme der plaatselijke Kerk. De splitsing en verbrokkeling der Kerk in allerlei zelfstandige instituten maakt plaats voor de organische eenheid der plaatselijke gemeente.

Dat deze innerlijke verandering in het instituut der Kerk niet zonder invloed is gebleven op de beschouwing van de eigendomsrechten ten opzichte van de kerkegoederen, spreekt wel van zelf. Het vroegere kerkelijke vermogensrecht berust op de zelfstandige instituten van het kanonieke recht, maar het Gereformeerde Kerkrecht, dat met deze instituten brak, moest den eigendom dezer goederen wel aan de plaatselijke gemeente toekennen. Het instituut van pastoor was toen volgens het Gereformeerd Kerkrecht geen zelfstandig instituut, maar werd nu geïncorporeerd in de plaatselijke gemeente. Het kan daarom ook niet meer als zelfstandige juridische rechtspersoon optreden. Ook Richter-Dane verklaart daarom, dat de meening, volgens welke de eigendom van deze goederen niet aan de instituten, maar aan de corporatie der plaatselijke gemeente toekomt, van zelf volgt uit 't beginsel van het Protestantsche Kerkrecht. 3) Het is dan ook niet juist, wanneer mr. Van Apeldoorn beweert, dat alleen enkele predikanten in onze dagen, die van de zaken niet op de hoogte zijn, tot de opvatting zijn gekomen, dat deze goederen het eigendom der plaatselijke gemeenten waren. Voetius onze groote Canonicus, wiens scherpzinnigheid, ook op juridisch terrein, wel door niemand betwist zal worden, heeft steeds hetzelfde beweerd. 4) En dat dit niet alleen de opvatting was van theologen, maar ook van juristen, blijkt wel daaruit, dat mr. Huber, de bekwaamste van de rechtsgeleerden uit de Hollandsche School in de 17de-eeuw, wiens roem alleen door dien van Hugo de Groot overtroffen werd, even beslist als Voe tius heeft geleerd, dat de kerkelijke goederen het eigendom waren van de plaatselijke gemeenten in corporatieven zin. 5) Trouwens, gedurende de Republiek was er niemand, die deze goederen als zelfstandige stichtingen meer beschouwde. Er mocht verschil wezen onder de juristen of deze goederen na het wegvallen der Roomsche Kerk nu het eigendom van den Staat waren geworden, dus niet het eigendom der Gereformeerde Kerken, maar als het eigendom van zelfstandige instituten werden ze niet beschouwd.-Zelfs toen de confiscatie van een deel dezer goederen, die onder de administratie van den Staat stonden, in 1797 aan de orde kwam, verklaarde 't Comité Provinciaal van Holland, dat „de goederen maar van administrateurs zijn veranderd, doch dat men zich niet ontveinzen kan te moeten erkennen, dat de eigendom waarlijk kan gezegd worden gebleven te zijn aan de gemeenten, wier goederen het waren." 6) Al laten we nu de vraag, of deze beschouwing juist is, in het midden, voor een beoordeeling van hetgeen de Nationale vergadering in 1798 gedaan heeft, is het wel van belang, dat de algemeene beschouwing in die dagen het eigendomsrecht der Kerken op deze goederen erkende. De thans opgekomen instituten-theorie was in de dagen der Republiek geheel onbekend en kan dus nooit als een grond worden aangevoerd om daarmede te verontschuldigen, wat de Nationale vergadering in 1798 heeft gedaan. Die daad moet vooral beoordeeld worden naar de destijds geldende rechtsbeschouwing.

Herv. Kweekschool voor onderwijzers.

Op onze jaarvergadering moest in antwoord op een vraag geantwoord worden, dat er nog geen grond gekocht is in Zeist, noodig voor den bouw van onze Hervormde Kweekschool. De Kweekschool-commissie meent, in overleg met het Hoofdbestuur van onzen Geref. Bond, dat het aanbeveling verdient om alvorens de nieuwe Lager-onderwijswet is behandeld en aangenomen, geen koop te doen en geen contracten te sluiten. Wel blijft de commissie actief, maar waar de tijden waarin we leven toch alles reeds zoo onzeker maken, daar komt het de Commissie voor gebiedende eisch te zijn maar niet te gaan bouwen, zoolang de wet geen waarborgen geeft. f

Dat het evenwel noodig is, dat er spoedig 'n kweekschool komt, blijkt uit alles. Straks komen er tal van nieuwe Christelijke Scholen. Onderwijskrachten zullen dan overal gevraagd worden, meer nog dan nu. En daarbij kan een Hervormde Kweekschool op Geref. grondslag goede diensten bewijzen.

Of er wel leerlingen zullen zijn voor deze Kweekschool ?

Zonder twijfel. Wilt ge bewijs ?  Lees dan onderstaand bericht eens, dat we uit de bladen knippen en verder zonder commentaar hier eenvoudig overnemen. 't Is een bericht aangaande de Kweekschool op den Klokkenberg ; en 't luidt aldus :

„Voor de Christelijke Kweekschool op den Klokkenberg te Nijmegen hebben zich dit jaar 30 candidaten aangemeld, terwijl 7 beurzen beschikbaar zijn gesteld. Dit aantal steekt zeer gunstig af bij dit van andere Kweekscholen. Naar ik meen, wordt dit getal candidaten door geen enkele Rijkskweekschool gehaald, terwijl daar het getal beschikbaar gestelde beurzen toch veel grooter is. Dat de Klokkenberg zoo'n gunstige uitzondering maakt zal behalve aan de erkend degelijke opleiding ook wel te danken zijn aan het feit, dat bij de Kweekschool een internaat hoort.

Jammer dan ook, dat het aantal beurzen niet meer in overeenstemming is met dat der candidaten. Hier moeten 23 candidaten worden afgewezen, terwijl er aan andere inrichtingen te kort komen".

Zou men dus denken, dat voor onze Kweekschool met internaat te Zeist geen liefhebbers zouden wezen ?

Wat zou dat meevallen ! Temeer waar ónze menschen toch verstaan dat het stopzetten van de opleiding een „misdaad" gelijk is. Neen, niet stopzetten. Aanpakken moeten we hier. En flink ook !


1) DR.].VANLONKHUYZEN, Radicaale finantiele scheiding van Kerk en Staat, blz. 21—23 wees hierop terecht.

2) RICHTER-DANE o.m. blz. 1032.

3) RICHTER-DANE o.m. blz. 1033. Evenzoo Hüber, aangehaald bij MR. VAN APELDOORN De Kerkelijke goederen in Friesland, I. blz. 153.

4) VOETIUS, Pol. Eccl. t.

5) U. HUBER, De iure civitates lib. I. sect. V., Cap. III. §§ 44, 45 en óp andere plaatsen, aanfjegeven bij MR. VAN APELDOORN, De Kerkelijke goederen in Friesland, I, blz. 141, 142.

6) Dit citaat ontleende ik aan JHR. MR. W. H. DE SAVORNIN LOHMAN, De Kerkgebouwen, blz. 134.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's