Ingezonden,
(Buiten verantwoordelijkheid v.d. Redactie) Geachte Redacteur.
Beleefd verzoekt ondergeteekende eenige plaatsruimte in ons Orgaan, om nog even terug te komen op het referaat van ds. Severijn, en zijn antwoord op de door mij-gestelde vraag.
In de eerste plaats dan wil ik nogmaals onder de aandacht brengen, wat in hoofdzaak veler bezwaar tegen genoemd referaat was, n.l. dat 't veel te wetenschappelijk was en veel te hoog ging en daarom ongeschikt voor onze vergadering, welke voor 't meerendeel uit personen van middelmatige ontwikkeling bestaat. Nu moge prof. Van Leeuwen het toejuichen, dat de referent het onderwerp van zulk een hoog plan heeft beschouwd. Zelf gevoelde Zijn Hooggel. dat zulks voor onze vergadering minder gewenscht is, getuige het door hem zelf behandelde onderwerp nu 2 jaar geleden, hetwelk zóó duidelijk was uitgewerkt, dat het met eenige inspanning, zeer goed was te volgen en te verwerken.
Op gevaar af van nogmaals een gevoelige terechtwijzing van den Zeergel. referent te ontvangen, waag ik 't ten tweeden male mijn op de vergadering gestelde vraag te herhalen.
Vóóraf echter een kleine opmerking. Zijn Zeergel. vroeg mij n.l., waar ik zelf erkende. den graad van ontwikkeling te missen, om aan zijn referaat te knabbelen. Waarom doet u het dan ? Mijn antwoord is : Ik deed het niet, doch stelde een vraag over iets 't welk er in werd gemist.
Thans wil 'k hem echter een wedervraag doen : Maar u, dr. Severijn, wist of althans behoorde te weten, dat onze vergadering steeds trouw bezocht wordt door een groot aantal gewone leden, die warm medeleven en meermalen hebben getoond belang te stellen in ons bondsleven, óók als de predikant ter plaatse heftig tegenstander is. (Wellicht weet u zelf wel voorbeelden hiervan.) Maar die dan op die jaarvergaderingen in een referaat gaarne iets van practische waarde ontvangen, 't welk hun in den strijd der beginselen van dienst kan zijn. Waar u bovenstaand wist, en tevens zult moeten toestemmen dat uw referaat zooals het door u werd uitgesproken, hiervoor totaal ongeschikt is, daar vraag ik in gemoede : Waarom hiela u het dan ?
Bovendien ware het voorzichtiger van den referent geweest, deze vraag niet aan mij te stellen, want ware er nog tijd voor op de vergadering geweest, zoo zou 'k hem hebben herinnerd, dat er menschen van heel wat meer ontwikkeling zijn, die wel eens 'n veel grooter flater slaan, door een grooten boom op te zetten Over zaken, en heftige beschuldigingen uit te spreken tegen personen, waaruit bleek van begin tot het einde, dat spreker absoluut niet op de hoogte was en een gewoon lid hem moest herinneren dat de geheele rede onwaar en onwaardig was.
Mag ik den referent echter eens opmerkzaam maken op de uitspraak van 'n anderen Zeergel. ? Deze zei n.l. : Niet dat is geleerdheid om hetgeen wij door studie in ons opnamen, precies zoo weer te geven, doch om het in zulk een vorm te doen, dat de eenvoudige het hooren kan, en de geleerde het hooren wiL
Velen met mij zullen er zich van harte over verblijden indien een e.v, referent met bovenstaande uitspraak rekening houdt. Ten slotte mijn opmerking.
Door mij werd gevraagd, de juiste verhouding in de beschouwing omtrent het gezag der H. Schrift, door de Gereformeerden eenerzijds en de z.g.n. Ethischen en Neo Gereformeerden anderzijds, beide richtingen door mij in èèn adem genoemd, omdat ze volgens mijn bescheiden meening hoe meer ik met beide richtingen in aanraking kom, één zijn in den wortel, omtrent hun beschouwing inzake het gezag der H. Schrift.
Nu gaf Zijn Zeergel. in zijn antwoord wél aanstonds te kennen, dat tusschen beide groepen een groot verschil was, doch verzuimde dit aan te toonen. Zéér goed is mij bekend dat beide groepen in vèèl verschillen, zóó sterk zelfs dat zij in onverzoenlijken strijd met elkander schijnen te zijn. (Schijnen schrijf ik met opzet).Waag het derhalve niet een Neo-Gereformeerde te zeggen : Vriend in den grond der zaak zijt gij wat uw Schriftbeschouwing aangaat toch feitelijk Ethisch." Zoo iemand zou al de fiolen van zijn toorn uitgieten over alles wat ticiiib^. genoemd wordt, 'k Zou 't hun gaarne vergeven, want ze zijn ter goeder trouw, doch is daarmede bewezen dat mijn opmerking onjuist is ? Tenzij mij het tegendeel bewezen wordt, meen ik, dat hoezeer beide groepen 'h tegenovergestelden kant uitgaan, zij stoelen op denzelfden wortel, beide verplaatsen het zwaartepunt van de H. Schrift naar den mensch, beide gaan ook weer in gansch hun gedragslijn van den mensch uit.
Hiervoor beroep ik mij niet alleen op het-, geen mij de ervaring met beide groepen steeds duidelijker heeft doen zien, doch óók op het getuigenis van niemand minder dan prof. Visscher. Genoemde prof. zeide n.l, het geval met ds. Keek besprekende, dat hoewel ds. K. ons veel nader stond dan zijn tegenstanders, men hem echter ten onrechte onder de gereformeerden rekende, doch dat zulk een ligging Ethisch en niet Gereformeerd was.
Deze conclusie is m.i. juist, en wordt in „De Ster" van 9 Jan. 1920 ook door A. Wapenaar getrokken, wanneer hij 't over het Ethisch beginsel heeft en dan zegt: „En nu raken hier wéér de uitersten eikaar." Omtrent de vraag om de juiste onderscheiding tusschen hunne en onze Schriftbeschouwing, verwees de referent mij naar een handvol brochures, doch hiervoor meen ik beleefd te mogen bedanken, aangezien ik zelf tracht zooveel mogelijk op de hoogte te blijven, doch juist omtrent dit moeilijke punt al zooveel heb gelezen, zoowel vóór als tegen, zonder nog het laatste of beslissende woord te hebben vernomen. Bovendien was die opmerking niet geheel ad rem, want er zijn geen handvol doch huizen vol preeken verschenen en toch preekt dr. S. nog steeds.
Mogelijk is hem ook niet onbekend de gedachtenwisseling tusschen ds. G. Doekes en A. Wapenaar, naar aanleiding van de uitspraak der commissie inzake de kwestie-Netelenbos ; zoo ja, dan zal hij mij moeten' toegeven, dat mijn vraag nog niet zoo geheel misplaatst was, want ook zij kunnen nog niet tot overeenstemming komen om de juiste verhouding te omschrijven.
Had dr. S. dan ook in zijn referaat een ruime paats hiervoor ingeruimd, dan mocht het op wat lager plan zijn terecht gekomen dan nu het geval was, onze vergadering had dan iets van practische waarde te hooren gekregen, terwijl een vruchtbare gedachtenwisseling er op gevolgd ware. Thans heeft men voor 't meerendeel moeten zeggen : „'t Zal wél mooi geweest zijn, doch 't ging boven mijn pet."
En daarvoor worden onze bondsdagen niet gehouden. Oók hebben we daar liever een gedachtenwisseling met vriendelijke woorden dan met dreigende vuistbeweging.
U geachte redactie beleefd dankzeggend voor de verleende ruimte, verblijf ik met de meeste hoogachting,
Eist, (Rhenen.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's