Verhouding van Kerk en Staat.
De Regeering heeft bij Kon. Besluit van 20 Dec. 1918 een Staatscommissie benoemd tot voorbereiding eene r Grondwetsherziening, waarbij zij evenwel niet gedoeld heeft op eene eventueele herziening van Hoofdstuk VI handelende over den Godsdienst. Evenwel is de Regeering, blijkens de mededeeling van den Minister van Financiën in de vergadering van de Tweede Kamer van 24 October '19, tot de overtuiging gekomen dat met de losmaking der financiëele banden van Kerk en Staat spoed moet worden gemaakt, en aan de verschillende kerkgenootschappen zijn dan ook uitnoodigingen verzonden om in conferentie, onder presidium van den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad, de voorbereiding der zaak ter hand te nemen.
Het Centraal Comité der Antirevolutionaire partij heeft eene commissie voor de Grondwetsherziening benoemd die ook over de verhouding van Kerk en Staat' rapport heeft uitgebracht welke commissie, bestaande uit de heeren prof. dr. H. H. Kuyper, ds. M. van Grieken en dr. E. J. Beumer, over deze materie het volgende heeft uitgesproken :
„De noodzakelijkheid van deze herziening behoeft wel nauwelijks betoogd te worden, omdat ze door mannen van de meest uiteenloopende richting volmondig erkend wordt. Niet alleen, dat in Hoofdstuk VI verschillende bepalingen voorkomen, die geheel verouderd zijn en voor onzen tijd geen waar de meer hebben ; dat er leemten in voorkomen, die dringend aanvulling behoeven en dat de financiëele verhouding tusschen Staat en Kerk op een andere en meer billijke wijze geregeld behoort te worden; maar de Grondwet bevat ook meer dan eene bepaling, waardoor aan de vrijheid der-Kerken wordt te kort gedaan, of die door eene Regeering, welke aan de Kerken kwalijk gezind is, tot zeer bedenkelijke maatregelen aanleiding zouden kunnen geven. Door meer dan eene Grondwetsherzieningscommissie is de noodzakelijkheid van eene hepiening van dit Hoofdstuk dan ook uitgesproken en zijn hetzij door haar, hetzij door enkele van haar leden, zelfs verschillende voorstellen ingediend om aan genoemde bezwaren tegemoet te komen. Dat deze voorstellen toch tot geen effect hebben geleid, was vooral daaraan te wijten, dat èn de Regeering èn de Volksvertegenwoordiging in vorengenoemde tijdperken huiverig waren om zich op een terrein te begeven, waar zooveel voetangels en klemmen liggen. Nu evenwel gebleken is, dat het huidig Kabinet de moge lijkheid eener herziening van Hoofdstuk VI onderstelt, is er voor de Antirevolutionaire partij alleszins reden om met kracht op deze wijziging aan te dringen, wijl langer uitstel een zeer ernstig gevaar voor de Kerken zou kunnen opleveren.
Wat daartoe vooral dringen moet, zijn de ernstige tijdsomstandigheden, waarin we leven. De revolutionaire geest, die thans over Europa heenvaart, heeft overal, waar hij zegevierde, niet alleen op ruwe wijze den band tusschen Kerk en Staat verbroken, en de Kerken in niet geringe moeilijkheden gebracht door plotseling alle staatssubsidie in te houden, maar de Kerken bovendien aan alleriei hare vrijheid beperkende maatregelen onderworpen. En al mag gehoopt worden, dat deze revolutionaire geest onder ons volk niet de overhand verkrijgen zal, toch is het eisch van wijs staatsmansbeleid reeds nu de maatregelen te nemen, die noodig zijn om die gevaren voor de Kerken zooveel mogelijk te voorkomen en haar een van den Staat zooveel mogelijk onafhankelijke positie te verzekeren.
In bijzonderheden de wijzigingen aan te geven, die daarvoor in de Grondwet zouden moeten worden aangebracht, kan natuuriijk het doel van dit rapport niet wezen. Alleen op de voornaamste punten, die verbetering of aanvulling behoeven, kan hier worden gewezen.
En dan sta op den voorgrond, dat het beginsel, waarvan'de Grondwetgever vooral bij de herziening van 1815 en '45 blijkbaar is uitgegaan, dat de Staat volkomen vrijheid van religie moet toestaan; dat van 'n bevoorrechte of heerschende Kerk geen sprake meer kan wezen en dat de Staat zich niet mag inlaten met de inwendige aangelegenheden der Kerken, bij ons niet alleen geen bezwaar ontmoet, maar veeleer volkomen in overeenstemming is met wat ook de Antirevolutionaire partij in haar program belijdt.
Maar hoezeer we dat beginsel van de scheiding van Staat en Kerk, waarvan de Grondwetgever is uitgegaan, aanvaarden, toch wil dit niet zeggen, dat de uitwerking van dit beginsel, zooals deze in de Grondwet is geschied, daarom in elk opzicht juist is te achten.
Vooreerst strijdt met dit beginsel zelf de financiëele band, die tusschen den Staat en de Kerk gelegd of bestendigd wordt door Artikel 171 en die terecht door Buijs een gevaar èn voor den Staat èn voor de Kerk is genoemd. Door deze subsidiëering toch kan de Staat telkens gedwongen worden in kerkelijke aangelegenheden in te grijpen, wat voor de vrije ontwikkeling der Kerken niet zonder bedenking is. Terwijl de Kerken, die deze subsidie ontvangen, gevaar loopen, wanneer zij plotseling werd ingetrokken, zooals thans in verschillende landen is geschied, daardoor van haar inkomsten beroofd en in zeer moeilijke positie geplaatst te worden.
In de tweede plaats is het een grief tegen dit deel der Grondwet, dat zij in meer dan een bepaling den indruk geeft, alsof zij in de Kerken een min of meer gevaarlijk element ziet, waartegen exceptioneele maatregelen moeten genomen worden. Dit geldt bijvoorbeeld in sterke mate ten opzichte van Art. 172, waarin aan den koning wordt opgedragen te waken, dat alle Kerkgenootschappen zich houden binnen de palen der gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat; een artikel, dat terecht een onverdiende en noodelooze vernedering van de Kerken is genoemd, alsof vooral van deze een steeds dreigend gevaar voor den Staat zou uitgaan. En niet alleen, dat zulke bepalingen al zeer weinig van eerbied voor de Kerk getuigen, maar ze kunnen ook, zooals de historie bewezen heeft, misbruikt worden om op zeer bedenkelijke wijze de vrijheid der Kerken aan banden te leggen.
En in de derde plaats strijdt met dit beginsel evenzeer, dat het houden van openbare godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen alleen geoorloofd is, waar dit thans naar de wetten en reglementen is toegelaten, omdat daarmede ten opzichte van de Kerken een exceptioneele bepaling gemaakt wordt, die voor geen andere vereeniging geldt.
Toch zijn dit niet de eenige bezwaren, die tegen de bestaandeGrondwet zijn in te brengen. Even ernstig is het bezwaar, dat de Grondwetgever, die blijkbaar bedoeld heeft al wat op den godsdienst en de Kerken betrekking heeft in de Grondwet zelf te regelen, verzuimd heeft verschillende zaken te regelen, die toch voor de Kerken van groot belang zijn.
Dit geldt met name de volgende vier punten :
Vooreerst dat in de Grondwet niet is geregeld de rechtspersoonlijkheid der Kerk. Al mag volgens de bestaande jurisprudentie worden aangenomen, dat de Kerken rechtspersoonlijkheid jure suo bezitten, toch bleek telkens, wanneer in deze Kerken scheuring ontstond of nieuwe Kerkgenootschappen werden gesticht, dat over de rechtspersoonlijkheid dezer nieuwe Kerken veel verschil van gevoelen bestond. De Regeering zelve heeft ten opzichte van deze Kerken volstrekt niet altoos eenzelfde gedragslijn gevolgd en meermalen geëischt, dat zij, om rechtspersoonlijkheid te krijgen, deze volgens de bekende wet op de vereenigingen moesten aanvragen. Aan deze onzekerheid moet een einde worden gemaakt, doordat de Grondwet zelve de rechtspersoonlijkheid der Kerken vaststelt en regelt en daarmede ook de mogelijkheid uitsluit, dat de gewone wetgever de Kerkgenootschappen als gewone vereenigingen zou behandelen.
Ten tweede, dat de Grondwet niet uitdrukkelijk de vrijheid der Kerken erkent, om in alles wat haar bestuur en inwendige regelingen betreft, geheel onafhankelijk te zijn van elke Staatsinmenging. Wel wordt in Art. 173 verklaard, dat de tusschenkomst der Regeering in die kerkelijke aangelegenheden niet noodig is, maar een beslist voorschrift, dat de Regeering zich in deze kerkelijke aangelegenheden niet mengen mag, bevat de Grondwet niet.
Ten derde wordt in de Grondwet een bepaling gemist omtrent de burgerrechterlijke gevolgen, die de kerkelijke reglementen en voorschriften hebben. Toch is een dergelijke bepaling wel zeer beslist noodig, omdat reeds meermalen bij processen is gebleken, hoe de rechtbanken met deze kerkelijke bepalingen geen rekening houden.
En eindelijk zij er op gewezen, dat het ook , gewenscht zou wezen in de Grondwet een bepaling op te nemen, waarin voorgeschreven wordt dat de Regeering, wanneer zij wetten vaststelt of besluiten neemt, die hetzij de Kerken zelve raken of een terrein, waarop de Kerken haar aanspraken kunnen doen gelden, zooals b.v. het huwelijk, vooraf het advies der Kerken heeft in te winnen.
Het is op deze gronden, dat de Commissie aan de Antirevolutionaire partij den raad geeft bij de komende Grondwetsherziening er op aan te dringen en de pogingen te steunen om deze herziening ook tot Hoofdstuk VI van de Grondwet uit te strekken en wel met het doel :
lo. om uit de Grondwet weg te nemen elke bepaling, die de vrijheid der Kerken zou kunnen belemmeren of aan den eerbied, die aan de Kerken verschuldigd is, te kort doet ;
2o. dat in de Grondwet geregeld worde de rechtspersoonlijkheid der Kerken, haar autonomie in eigen kring en de burgerrechtelijke gevolgen van hare bepalingen ;
3o. dat in de Grondwet aan de Regeering de verplichting worde opgelegd om in zaken, die de Kerk rechtstreeks of zijdelings aangaan, het advies der Kerk in te winnen ; 4o. dat de financiëele band, die thans tusschen den Staat en verschillende Kerkgenootschappen bestaat, verbroken worde ;
Wat dit laatste punt betreft, meent de Commissie op twee dingen nadruk te moeten leggen. Vooreerst dat in overeenstemming met hetgeen in Art. 20 van ons program verklaard wordt, de verplichting, die thans uit Art. 171 voortvloeit, eerst worde opgeheven, nadat aan de rechthebbenden het rechtens verschuldigde zal zijn betaald. Het voorstel in 1887 door den heer Beelaarts van Blokland gedaan om de thans verleende subsidies te kapitaliseeren en deze kapitalen aan de rechthebbende Kerkgenootschappen of gemeenten uit te keeren, schijnt der Commissie daartoe de meest aangewezen weg.
Billijkheidshalve zou daarbij ook aan de Kerkgenootschappen, die dusver geen subsidie ontvangen, een kapitaal, verband houdende met hun zielenaantal, dienen te worden uitgekeerd. En ten tweede oordeelt de Commissie, dat de Antirevolutionaire partij een actie om deze financiëele scheiding van Staat en Kerk bij de komende Grondwetsherziening aanhangig te maken niet beginnen moet, dan na daarover eerst geraadpleegd te hebben met de andere Christelijke Staatspartijen en na met deze partijen tot overeenstemming te zijn gekomen over de beste wijze, waarop dit vraagstuk kan worden opgelost".
Op het onlangs gehouden Centralen convent is ook deze zaak aan de orde geweest en het Centraal Comité stelt thans aan de Deputatenvergadering, die op 13 April e.k. gehouden zal worden voor zich uit te spreken over het volgende voorstel :
1. De Grondwet eerbiedige en erkenne nadrukkelijk gezindten, die zich hebben geïnstitueerd op den grondslag eener historische belijdenis des geloofs, en een kerkenordening, welker uitspraken of bepalingen niet strijdig zijn met het grondwettelijk recht van het staatsgezag.
Mitsdien worde uit de Grondwet weggenomen elke bepaling, die thans nog de vrijheid der kerken belemmert of aan den eerbied, haar verschuldigd, tekort doet.
' 2. In de Grondwet worden gewaarborgd de rechtspersoonlijkheid dezer kerkelijke instituten en haar autonomie in eigen kring, terwijl aan den gewonen wetgever worden opgedragen de regeling der burgerrechterlijke gevolgen van de uitspraken en bepalingen in de kerkelijke confessies en ordeningen, die meer bijzonderlijk het terrein van haar rechtspersoonlijkheid en autonomie betreffen (b.v. ten aanzien der verplichtingen voortvloeiende uit Doop en Belijdenis des Geloofs, huwelijk, Zondagsheiliging e. d. g.)
3. Aan de Regeering . worde in de Grondwet de verplichting opgelegd, telkens wanneer zij in haar wetgevende bepalingen of bestuursmaatregelen een terrein betreedt, waarop de kerken krachtens haar souvereiniteit in eigen kring zelfstandige rechtsaanspraken kunnen doen gelden, haar advies in te winnen.
4. De financiëele band, die thans tusschen den Staat en de kerkelijke instituten bestaat, worde verbroken, nadat aan de rechthebbenden het rechtens verschuldigde zal zijn uitbetaald in den vorm van het gekapitaliseerde bedrag der thans verleende subsidiën."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's