De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bondsnieuws

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bondsnieuws

32 minuten leestijd

VERSLAG van de 15de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond, op Donderdag 18 Maart 1920 in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.  I. Onder vooral niet minder dan gewone belangstelling werd op Donderdag 18 Maart de 15de jaarvergadering van onzen Bond gehouden. De zaal in het bekende gebouw bleek zoowel 's morgens als 's middags zeer goed bezet De morgenvergadering werd om 11 uur door den Voorzitter geopend. Nadat gezongen is Psalm 119 vers 65 en gelezen Psalm 119 vers 97—112, gaat de Voorzitter voor in gebed en spreekt dan in zijn openingswoord ongeveer aldus : Daar ligt iets verblijdends in de belangstelling, waaronder deze onze bondsvergadering weer gehouden mag worden. Immers er blijkt uit — het gaat er ook niet om dat ons werk gewaardeerd wordt — dat er nog belangstelling leeft in de dagen van het Koninkrijk Gods. Het is een bewijs van Gods ontferming, dat de Heere ons nog geeft wat Hij anderen onthield. Maar wien veel gegeven is, van dien zal ook veel geëischt worden. En helaas dat er nu nog zoo weinig gevonden wordt van wat de dichter eens uitsprak : hoe lief heb ik Uw wet zij is mijne betrachting den ganschen dag. Daarom zou er ook reden zijn dat de Heere met Zijne oordeelen doortrok en ons zou ontnemen het goede dat er nu nog gevonden wordt. We hebben dan ook te bedenken, dat onze roeping zoo ernstig is, en dat het zoo noodig is dat wij komen tot het „laat ons onze wegen doorzoeken en wederkeeren." Immers alles wat buiten Gods Woord is, zal tenslotte wederkeeren met bitterheid. Daarom is 't noodzakelijk dat Gods Woord ons meer en meer worde ingescherpt en verheugt het ons dat op deze vergadering een onderwerp aan de orde wordt gesteld „Het gezag der Heilige Schrift" Tot het behandelen van dit onderwerp geeft de Voorzitter het woord aan. dr. J. Severijn, predikant te Leerdam, die zich bereid verklaard had over dit onderwerp een referaat te houden. Dr. Severijn het woord bekomen hebbende spreekt aldus : Het vraagstuk van de erkenning van het gezag der Heilige Schrift wijst ons op een conflict van de moderne cultuur met de Christelijke levens-en wereldbeschouwing, dat niet slechts in de huidige crisis aan den dag treedt maar sedert de dagen der Reformatie werd voorbereid. De opkomst en de ontwikkeling van de moderne wetenschap, het sociaal bewustzijn van den modernen cultuurmensch moesten een on-christelijken, zoo niet anti-christelijken geest wakker - -roepen, die van meetaf met het Schriftgezag in strijd kwam. Immers de beginselen, waarop de moderne wereld-beschouwing is gebouwd, waren reeds aanwezig in het proces dat bij de uitgang der middeleeuwen een crisis veroorzaakte in het  Europeesche geestesleven en zijn in zichzelf onvereenigbaar met de grondstellingen van de Christelijke religie, die glans en luister verspreidde over het leven der volkeren den reformatorischen geest bezield werden. Dat deze beginselen, ondanks den machtigen invloed van den Christelijken godsdienst de grondslagen van de Reformatie  ingang hebben gevonden in het volksleven van den nieuweren tijd, bewijst hun wondere vitale kracht en kan slechts verklaard worden uit het karakter van den modernen geest waaruit ze geboren werden. Zal het reeds uit dit oogpunt van belang zijn die beginselen nader te vergelijken met de fundamenten van de Christelijke wereldbeschouwing, deze vergelijking zal tevens licht werpen op het onderwerp onzer behandeling en op de beteekenis van het gezag der H. Schrift voor de toekomst. Het standpunt toch, dat het nieuwe geslacht zal innemen tegenover het Woord Gods is evenzeer beslissend vóór of tegen den Christus en daardoor zal de oplossing van de crisis van onzen tijd worden bepaald. Wij hebben derhalve in het licht te stellen : Ten eerste, dat het reformatorisch beginsel de erkenning van het absoluut Gezag der H. Schrift insluit; vervolgens, dat de beginselen der moderne cultuur met de erkenning van het gezag der H. Schrift onvereenigbaar zijn om ten slotte op de onvergankelijke beteekenis van Gods Woord te wijzen ook voor de oplossing van de vragen des tijds. De overgangsperiode van de Middeleeuwen naar de nieuwe geschiedenis, Renaissance d.i. wedergeboorte genaamd, zal steeds in de historie der menschheid als een der belangrijkste tijdperken worden bewaard. Het is de lentetijd van de Europeesche cultuurvolkeren, die in wilde en weelderige verscheidenheid het krachtige leven openbaarde, dat in den boezem bruiste. Een hartstochtelijke gloed van den zelfbewusten geest die schier allen bezielde, kon zich niet langer gekluisterd houden binnen de perken van het Middeleeuwsch bewustzijn en brak uit in ontembaren drang naar vrijheid om zich te ontworstelen aan de heerschappij der Roomsche Kerk. Alle richtingen stonden in deze worsteling schouder aan schouder, doch de macht der religie, die zich ook hier gelden deed, gaf den geweldigen schok aan het Roomsche instituut die aan Europa de vrijheid schonk, welke voortaan zou geroemd worden als de vrucht van het Protestantisme. Toch waren er motieven in dit proces werkzaam, die uit onderscheidene bron opwelden. « De geest der Renaissance deed het licht opgaan over het rijk der natuur en der geschiedenis, maakte de belangstelling gaande naar de wereld der verschijnselen en groef in de schatten van classieke wijsheid en kunst. De wereldblik werd verruimd, men waagde zich over onbekende oceanen, ontdekte nieuwe werelden en drong door tot in het hart van Azië, terwijl de natuurvorscher niet naliet ook den weg der hemellichamen te bespieden. Voor zulk een geest strevend naar een allesomvattend weten, waren de perken door de alleenheerschende Kerk gesteld, te eng. Niet meer de mensch en God, maar de mensch en de natuur waren het voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. • De Hervormers vielen in de Kerk boven alles de dwaling aan, wijl zij niet meer aan haar bestemming kon voldoen. Door hen werd beseft dat de grond der dwaling. die men in haar bestreed, moest worden ontdekt in de diepere levensbeginselen. Zij gevoelden dat omdat voor hen de hoogste belangen op het spel stonden, daar het ging om den eeuwigen staat van den mensch. Hun verzet kwam op uit den schrijnenden zielennood, uit de behoefte naar vrede en verlossing, die de Kerk niet kon vervullen De Reformatie was het noodwendig gevolg van de worsteling om vrede met den God der Schriften en de beleving van het stuk der rechtvaardigmaking door het geloof alleen, Deze worsteling en overwinning des geloofs draagt in onderscheiding van de openbaringen der religie in het algemeen een bijzonder karakter, dat zich kenmerkt door de werking van den H. Geest waarop de geschriften der Hervormers telkenmale terugwijzen. Tot die kenmerken moet gerekend een diep zondebesef dat het Christelijk bewustzijn van alle eeuwen eigen is en daar aan gepaard het getuigenis des harten, dat de  Schriftuur als 't geopenbaarde Woord Gods erkent. Deze ervaringen liggen dan ook innerlijk gebonden en voeren als vanzelf tot de belijdenis van de fundamenteele geloofsstukken, Het schuldbesef gewerkt tegenover door God èèn Geest komt n.I. niet uit den mensch op, doch is een gevolg van hoogere openbaring. Zoodra zich een verhevene, onzienlijke wereld ontsluit voor zijn geestesoog als een orde van eeuwige gerechtigheid, wordt ook de mensch zichzelf gewaar in eeuwigheidslicht Het wordt hem openbaar, dat hij met een eeuwige bestemming is geschapen en dat hij voor tijd en eeuwigheid van doen heeft met een rechtvaardigen Rechter in den hemel. Dezelfde Geest die in het binnenste een toorts heeft ontstoken, straalt hem ook tegen uit de H. Schrift en legt het getuigenis van haar goddelijken oorsprong in het hart. Het Woord wordt als een spiegel, waarin de godheid Gods wordt aanschouwd. Woord en Geest wérken alzoo tezamen en leggen den toetssteen der goddelijke gerechtigheid aan 's menschen werken en denken en leven, zoodat het klaar wordt gezien, dat hij de wet Gods heeft overtreden en dies voor eeuwig schuldig staat. Dit getuigenis doet hem vallen voor den Onzienlijke en Zijn Souvereiniteit erkennen ook in de verborgen schuilhoeken des levens, doch onderwerpt hem tevens met verstand en hart aan de Schriftuur, „zijnde een zaak buiten alle - óórdeel en beproeving gesteld." (Calvijn.) Dit beduidt niet, dat bij de eerste lichtglansen uit die hemelsche gewesten, het gansche Woord Gods als op eenmaal verschijnt in den vollen dag, doch als een snoer van edele steenen weerkaatst het den luister van Gods heerlijkheid om langzaam als bij de rijzende zon den rijkdom van Zijn deugdenbeeld te vertolken. Een geheimvolle werking gaat van dat Woord uit op den zondaar, die vanwege de gerechtigheid des Heeren in het stof geworpen, den levendwekkenden adem der genade ervaart. Wij weten, hoe een Luther met steunende klacht van zijn zonde, den dorst naar gerechtigheid vergeefs zocht te koelen aan de bron zijner goede werken. De kloosterling, die den vrede niet vinden kon in nauwgezette opvolging der kloosterwetten, door vasten en bidden en zelfkastijding de aanvechtingen der zonde niet icon meester worden, werd gedreven tot ijverig onderzoek der Schriften. Daar straalde hem hetzelfde leven toe, dat in eigen boezem werkzaam was en toch kon hij het monnikenwerk niet laten varen, hoewel ook die Schrift hem sprak van een gerechtigheid door het geloof alleen „De rechtvaardige zal uit het geloof leven, " dat was voor Luther een leerstuk zonder leven. Hierin komt vooral het karakter der Christelijke religie uit als een godsdienst der persoonlijkheid. Stelt de God der Schriften den 'mensch persoonlijk verantwoordelijk tegenover Zijn heilig wezen, de bewustwording der persoonlijkheid ontwaakt bij dezen eerst recht, als hij God in Zijn Woord rechtvaardigt, omdat Hij het doet. Doch even, als in de belijdenis van de volstrektheid der zonde, treedt dit aan den dag in de mededeeling des heils. Luther kon niet op een genadigen God in den hemel hopen, zoolang hij niet had gezien, hoe in den Christus de orde der goddelijke gerechtigheid is vervuld niet alleen voor anderen, maar ook voor hemzelf. Zoodra echter het verlossingswerk in den Middelaar hem werd geopenbaard, werden ook daarin de Schriften klaar, die van Hem getuigen, zoodat hij 't neerschreef, dat de gansche Schriftuur van Christus is te verstaan. Ook voor Luther werd de toerekening Gods van de gerechtigheid van het vlèesch geworden Woord een levensstuk, dat zijn eeuwigen grond heeft in het besluit van den Allerhoogste. Dit maakte hem tot den geloofsheld der Reformatie. Uit het levend bewustzijn dat hem en velen met hem eigen was geworden, kwam 't verzet op tegen het gezag van Kerk en priester en het behoeft geen nader betoog, dat de erkenning van de volstrekte souvereiniteit Gods en de autoriteit van Zijn Woord leiding gaf aan het werk der Hervorming. Over deze beide stukken en den weg der zaligheid zijn dan ook de aanhangers van de nieuwe leer het eens geweest, bij alle verschil, dat vroeger of later de richtingen ging onderscheiden. Het laat zich dan ook verwachten, daar het innerlijk beginsel der Reformatie zoo nauw verbonden was met het gezag der H. Schrift, dat de leidslieden voortdurend gewezen hebben op het hoog belang van het woord der openbaring en afkeerig zijn van lederen grond, die voor dat gezag werd aangevoerd, buiten het getuigenis van den H.'Gêèst, wijl ze geen ander gezag erkenden dan' dat van God. „In de kerk moet niets „anders dan het alleen zekere en heilige „Woord Gods gepredikt worden. Waar dat „ontbreekt, daar is niet meer de Kerk, maar „des 'duivels school, " zegt Luther. En het woord van Augustinus : „Ik zou het Evangelie niet gelooven, indien het gezag der „Katholieke Kerk mij er niet toe bewoog; " werpt hij tegen : „dat zou verkeerd en onchristelijk zijn, een ieder moet alleen daarom gelooven, dat het Gods Woord is, dat „hij innerlijk ervaart, dat 't de waarheid is." Calvijn duidt Augustinus dit woord niet zoo euvel. Hij kent den kerkvader meer van nabij en toont aan, dat deze niet anders heeft geleerd dan Luther en hijzelf. Ook Calvijn acht het een ongoddelijk gedichtsel, dat de geloofwaardigheid der Schrift zou afhangen van de Kerk, en leert, dat het Woord niet eerder geloof vindt in de harten der menschen, voordat het met het inwendig getuigenis des H. Geestes wordt verzegeld. (Inst. 1-7-5). In de erkentenis van de absolute souvereiniteit Gods wortelt de fiere vrijheidszin van het Protestantisme, vrijheid door onderwerping aan den God der Schriften. Hierin is Calvijn inderdaad consequenter geweest dan Luther, wijl hij uitgaande van de souvereiniteit Gods dit beginsel toepaste op het gansche terrein des levens. Het Calvinisme heeft de kracht van dit beginsel ten toon gespreid in het leven der natiën, die den Geneefschen hervormer volgden en onze eigene geschiedenis is een onbestreden pleidooi voor de cultuurkracht, die het in zich draagt. Al het leven en streven, dat in de Renaisssance tot bewustheid werd gebracht, werd in de religieuse wedergeboorte geheiligd en in de Christelijke theologie, zooals die door den grooten en vromen denker van Geneve werd verstaan gelouterd. De invloedrijke arbeid van Augustinus kwam daarbij ten goede aan de vernieuwing van het Christendom en de schoonste vrucht van de antieke beschaving werd met de erfenis der Kerk der eerste eeuwen aan het herboren Europa overgeleverd. De macht der persoonlijkheid en de bewustwording der vrijheid werden in de juiste relatie gesteld door de kracht van de Christelijke religie, die alle dingen doet zien in het licht van de Souvereiniteit Gods en tevens haar oorsprong en waarborg is. Immers, indien God wordt beleden in Zijn absolute majesteit en Zijn Woord met goddelijk gezag bekleed, dan is er geen plaats voor de tyrannic, noch ook voor onbeperkte willekeur, waartoe het beginsel der Renaissance noodwendig moest komen. „De kracht „van het Germanisme, de vrijheid van den „Christelijken geest en den adel der classiciteit versmolt hij (Calvijn) in den gloed „van zijn geest tot dat metaal van uitnemende waarde, waarop ook Hollands volk „zijn stedemaagd sloeg, om Schrift en vrijheidshoed het randschrift drijvend : „hat nitimur hanc tuemur." (Hierop steunen wij, „haar behoeden wij.) (Dr. A. Kuyper). Ondanks den grooten invloed, die van de belijdenis der Schriften is uitgegaan, zien wij het zaad der Reformatie overwoekerd door een plant van anderen wortel. Wij wezen er reeds eerder op, dat ook andere motieven zich deden gelden in den Renaissance-geest en hebben thans aan te toonen, dat Renaissance en Hervorming met elkander in strijd moesten geraken. Reeds brachten wij in herinnering, hoe de helden der Renaissance van frisschen geest bezield, alle krachten in dienst stelden van ontdekking en wetenschap en zegevierend uittogen om het gansch heelal, zoo het mogelijk ware, met het denken te beheerschen. Onder het devies: „Kennis is macht" werden de grondslagen gelegd van het gebouw der nieuwere wetenschap. In het ongegrond zelfvertrouwen van onbezonnen jeugd wierp zich het toenmalig geslacht op den rijkdom der wereld, totdat men gevaar liep aan allen grond van zekerheid te twijfelen en schier verlegen zat met de pas veroverde vrijheid. Reeds toen bleek, dat de vrijheid van allen in alle dingen geen zegen kon afwerpen, geen wetenschap bouwen, - wijl men een fundament, een vast plan en een methode miste. Welk een onderscheid hier reeds met den geest der Reformatie, die dat alles greep in het gezag der H. Schrift, 't Ware echter niet te verwachten, dat de autoriteit van het Woord werd te hulp geroepen door den mensch, die in de vrijheid en de kracht van zijn zelfbewustzijn het hoogste goed meende te hebben veroverd. Men zocht het fundament der kennis, den grond der zekerheid in den mensch zelf en werd uit den twijfel gered door den wijsgeer die in de diepte van het eigen bewustzijn den bodem der waarheid waande te peilen. In het eigen denken vermoedde hij de waarheid en haar orgaan in èèn slag te grijpen. Een moment der waarheid tastte hij voorzeker, doch de waarheid vermocht hij in zijn geest niet te vatten, aangezien deze haar troon heeft boven de aarde. Te zeer was hij nog gebonden aan de kracht van de moederkerk en daarom aan het Christelijk denken om een gebouw te kunnen voltooien op den pas gelegden grondslag. Nog erkende hij den Schepper ook van den denkenden geest en daarin schuilt 't element der waarheid, hoe gevaarlijk ook in de handen van den wijsgeer. Door het Woord toch, dat alle dingen gemaakt heeft, is ook de mensch geschapen met de gave der rede, en krachtens deze daad Gods is hij ook in zijn verstand gebonden aan de wetten door de hoogste Rede gesteld. Was dus al de menschelijke kennis ten slotte voor dezen wijsgeer nog slechts een aangeboren, een verkregen kennis, zij erlangde volgens hem de erkentenis van zekerheid juist krachtens haar goddelijken oorsprong. Gaarne wilde hij den vrome zijn geloof laten, indien hij voor zichzelf de vrijheid van denken behouden mocht en hij meende in dat denken ook een betrouwbaren gids voor de onzienlijke dingen te bezitten. Descartes moest nog ruimte laten voor een hoogere, onzienlijke wereld en kon blijkens zijn wijsbegeerte daarin een plaats voor het hoogste denken, een zelfbewusten persoonlijken God niet ontzeggen. Doch spoedig kwam de man, die met deze tweeheid brak en ze in den leermeester berispte. Hij was Spinoza, een zoon van het oude bondsvolk, die het denken Gods en der menschen beschouwde als de werkzaamheid van èèn, overal tegenwoordige rede. Daarmede was de onderscheiding van God en mensch in beginsel prijsgegeven. Nog sprak hij van God, doch niet als van den Onzienlijke, die schoon niet onkenbaar, een ontoegankelijk licht bewoont, maar van een God, die uit de duistere oorden der onwetendheid in den mensch verschijnt, zooals hij zich overal manifesteert in het volle leven der natuur. Een God der gedachte, die er is zoolang hij gedacht wordt en die er niet meer is, zoodra het bewustzijn wordt uitééngescheurd. De mensch zelf is dus een bestaanswijze van God. Het is niet zonder gewicht deze beschouwing nader te vergelijken met de waarheid der H. Schrift, doch wij zouden de perken, ons yoorgesteld, overschrijden. Alleen dient gewezen op overeenkomst en onderscheiding betreffende enkele punten. Vooreerst dan zij opgemerkt, dat ook in deze beschouwing van Spinoza weer een moment van waarheid is. Ook op grond van Gods Woord belijden wij, dat de alomtegenwoordige kracht van den Schepper alle dingen onderhoudt en regeert, zoodat zonder Zijn wil geen haar van ons hoofd vallen kan. Gelijk de hemelen Gods heerlijkheid verkondigen en het uitspansel Zijner handen werk, openbaart zich Zijn scheppende en onderhoudende kracht in alle creaturen, ook in het innerlijk leven van den mensch, wijl geen schepsel zich tegen Zijn wil roeren of bewegen kan. Ook hier de belijdenis van de volstrekte souvereiniteit Gods. Op die overal werkende kracht ziet het oog der wijsbegeerte en haar oorsprong en werking na te speuren is het doel der wetenschap. Doch de wetenschap blijft gebonden aan het tijdelijke en als ze zich begeeft in de bespiegeling van den grond en oorzaak der dingen, geraakt ze in een wereld der fantasie, waaraan de realiteit ontbreekt Dit onderscheidt dan ook de wijsbegeerte van de religie. Aan de beschouwing, die wij u voorhielden ligt geen openbaring van een hoogere werkelijkheid ten grondslag. Spinoza kent geen God boven de wereld verheven. De eenige werkelijkheid is de wereld en daarom erkent hij slechts een God in de wereld, een God in het redelijk bewustzijn des menschen. Ook deze wijsgeerige wereldbeschouwing wordt gedragen door het begrip van een absolute macht, die onverzettelijk doorwerkt in het proces der natuur en geschiedenis. Ook hier is die absolute macht grond en oorzaak van alle zijn, doch niet als een boven de wereld verhevenen en van haar onderscheidenen persoonlijken God, die alle dingen werkt naar Zijn raad, maar als een blinde, voortstuwende kracht der noodwendigheid, die de gansche wereld mechanisch drijft of als een wereldziel, welke als beginsel van alle leven tot werkelijkheid brengt in de verschijnselen, wat er in den ongekenden afgrond van het onbewuste verborgen ligt Het is duidelijk, dat de mensch bij zulk een beschouwing slechts een product is van die onbepaalde wereldkracht en zijn geestesleven de bewustwording van haar bestaan. De menschelijke ziel in het kabinet van den wereldgeest, waarin hij zijn geheimenis ontsluiert bij het licht der rede. De geschiedenis toont aan, dat de grondbeginselen van de Spinozistische wereldbeschouwing bij alle wisseling der tijden en denkwijzen niet meer werden losgelaten. De geest van Spinoza leeft nog immer voort in de moderne cultuur. De mensch ziet de dingen voor zichzelf uit, bouwt een wereld der ideeën, en meent in het intellect den grond en gids der waarheid te bezitten, omdat hij denkt, zooals hij denkt Dit is 't zelfstandig drijven van den Renaissance-geest, waarin de voorwaarden voor een conflict met het Christendom gegeven zijn. Indien aan de rede volstrekt gezag wordt toegeschreven blijft er geen plaats over voor de openbaring van een hoogste, van de wereld onderscheidene Rede, daar toch die hoogste Rede in den mensch zelf eerst tot bewustzijn zou komen. De aantrekkelijkheid van zulk een leer is duidelijk voor ieder, die weet wat in den mensch is, meer geneigd tot wereldvergoding en zelfaanbidding dan tot gehoorzaamheid aan den God der H. Schriftuur. De wortel der zonde immers is gelegen in de begeerte om als God te zijn, een begeerte die de wondere kracht van de moderne beginselen verklaart Het behoeft dan ook geen verwondering te baren, dat zij geflankeerd door sociale en politieke invloeden de massa des volks hebben ingenomen. Het gaat in de geestelijke ontwikkeling van de laatste eeuwen in den diepsten zin des woords om de autoriteit van God of den mensch. Vandaar dat de vader van de moderne wereldbeschouwing reeds aanving 't gezag der openbaring aan te tasten in haar wezen, daar hij het getuigenis van den H. Geest ontkende en de Schrift het werk van menschen oordeelde, die alleenlijk door de zelfde rede werden gediend, welke in zijn denken werkzaam was.Spinoza wordt door zijn vereerders geroemd als de voorvechter der vrijheid, die een eerste schrede heeft gezet boven de door de Reformatie gewonnen trap des geestes uit tot de volledige bevrijding van het Europeesche denken van de voogdijschap der Christelijke theologie. Wij geven het woord aan een zijner bewonderaars : „Zooals de Reformatie tegen-„over het aangematigd gezag der Kerk het „recht eener vrije overtuiging stelde, doch deze beperkt wilde weten door de Heilige „Schrift, die haar als 'het onaantastbare „Woord van God gold, zoo heeft Spinoza „het gezag der H. Schrift in twijfel getrokken en aangetoond, dat ook zij slechts „menschenwerk is, dat zijn waarheidswaar-„de heeft te betuigen voor een vrij en behoedzaam onderzoek. Het onbelemmerde „vorschen in de Schrift moest noodwendig tot bijbelcritiek voeren en deze gegrond „te hebben blijft Spinoza's onaantastbare „roem in de geschiedenis der menschheid. „Hoe veel ook aan andere handen moest „worden overgelaten, het voornaamste was „door hem gedaan." (Bolin). Inderdaad het voornaamste was door Spinoza gedaan, en dat schuilt niet in zijn aanval op de H. Schrift met name op het O. T., dat vooral op het gebied van het staatkundig leven een gevaarlijk arsenaal werd geacht in de handen der theologen, maar het was gelegen in de beginselen, die hij heeft verkondigd. Beginselen, die in ons land van meet af ingang hebben gevonden en na de Fransche Revolutie onder den invloed der Duitsche wijsbegeerte welhaast algemeen goed zijn geworden. Uit die beginselen kwam de gansche arbeid der Bijbelcritiek op, dien uit den aard der zaak een wetenschappelijke aanwinst heeft gebracht aan allerlei materiaal, die wij slechts tot schade kunnen versmaden, maar die toch naar den drang van haar ijver en in haar gevolgen slechts verwoesting heeft teweeggebracht op het terrein, waar eenmaal de vanen van het Christendom schitterden. En hoewel de teedere godsvrucht niet geheel werd uitgedoofd, toch ging haar kracht allengs verflauwen en de bestrijding van den „ongodist", om met de oude theologen te spreken, ging goeddeels over in een verdraagzaamheid, die de oude erve den vijand prijs gaf. Hoezeer we dit betreuren, wij mogen dit verval nimmer toeschrijven aan het beginsel der Reformatie, doch enkel aan de verslapping van het religieus leven. In zichzelf is de critiek daartegen niets vermag te doen, wijl zij de negatie van de werking des H. Geestes niet kan bevestigen. Reeds is haar machtigste invloed voorbij en zij zelf retireert naar de traditie en zoekt straks zich te dekken achter een moderne orthodoxie. Haar verderfelijke werking doet zich echter allerwegen gevoelen. Een algemeen erkennen van den God der Schriften, een onderscheiden van het Woord der Openbaring, een besef van een normatieve zedewet tengevolge van de paedagogische kracht van den Bijbel, 't zijn al afgelezen vruchten, wier levenssappen ten nadeele van het sociaal bewustzijn aan het volksleven werden onttrokken. Nadat het gezag werd verlegd in den mensch en de geheele geschiedenis beschouwd als een evolutie van den geest, verkreeg ook de religie een aan de rede ondergeschikte plaats. Men ving aan van religiën te spreken instede van in de religieuse verschijnselen de kenmerken van een eenige relatie van den mensch met den God des hemels te handhaven en trachtte het verschijnsel der religie zelfs te verklaren zonder God. Eveneens verdween met het geloof aan een Souvereinen God ook de eerbiediging van Zijn wil en de erkentenis van Zijn wet als bindend voor allen, en men kwam als vanzelf tot een toestand, waarvan kan gelden, wat van den ordeloozen staat der Richteren staat geschreven : „Een iegelijk deed, wat goed was in zijn oog." Oorzaak en gevolg grijpen hier in elkander om het proces der verwoesting te voltooien. Zooals wij hebben aangetoond kwam de critische wetenschap op uit een wijsgeerig beginsel en ontleende daaraan haar leiding en verschafte zich ingang in de volksziel. De invloeden, die direct van deze wetenschap uitgingen op geleerden en ongeleerden, liggen voor de hand. Eerbied en ontzag voor den Bijbel werden weggeroofd, de waardeering van Gods Woord, waar de traditie die had geplant, ging te loor en niet lang zou het duren, of een geslacht stond op, dat zich ging aanmatigen naar eigen inzicht en gevoel te beoordeelen en veroordeelen. Langs dien weg werd de Schrift niet alleen minder gezocht, maar ook minder gekend en haar eeuwige beginselen werden als een mystieke voorstelling van minder verlichte voorgeslachten verworpen. Zij ging zwijgen in de regeerzalen en in de huiskamer, wijl ze verdween uit de literatuur of niet zelden door onreine handen aangegrepen als een wapen tegen haar eigen gezag om spot en haat te zaaien. Middelerwijl week het sociaal bewustzijn steeds meer voor de stuwkracht van het modernisme, daar de weerhoudende macht van de H Schrift in steeds mindere mate de doorwerking der zonde temperde, totdat een generatie werd opgevoed, die onderwezen in de verlichting der eeuw, tot op rijperen leeftijd en langer nog onbekend kon blijven met een boek, dat ongetwijfeld den grootsten invloed heeft geoefend in de historie der menschheid. Dit gansche beloop werd in de hand gewerkt door politieke en sociale omstandigheden, die op haar beurt uit denzelfden wortel ontsproten, een bewustzijn schiepen, dat de wereld beschouwen ging als normaal, voor de overzijde der groeve geen oog had, zoodat zonde geen zonde werd geacht, ontoegankelijk welhaast voor de sprake van een eeuwige gerechtigheid, die zich vertolkt in het woord, dat slechts over een onnoozele orthodoxie den scepter vermag te zwaaien. De harmonie en de eenheid, hoezeer door den modernen geest gezocht, in de beschouwing der dingen werd verbrokkeld, en de vervreemding van de Openbaring, gaf de menigte des volks over aan de willekeur des harten. Waar de banden met een hoogere orde van zijn werden doorgesneden, en de vreeze Gods steeds schaarscher werd gevonden, werd de geestkracht gefnuikt en kwam de cultuur oplosse schroeven te staan. Het sociale moment, dat de religie in zich draagt, miste door den afval van den Christus, zijn zuiverste bron, daar in de eenheid van het menschelijk geslacht, een der meest fundamenteele leerstukken van de Schrift, de juiste grondslag van het leven der gemeenschap werd geofferd aan de leer van een natuurrecht, dat volgens de eerste profeten der nieuwere beschouwing reeds het moeilijke vraagstuk medebracht, om een oorlog van allen tegen allen te voorkomen en het egoïsme te bedwingen. De verwarring op schier alle gebied des levens, die wij in onze dagen beleven, spreekt voor zichzelf als een levend getui¬genis dat de mensch het spoor bijster is geraakt. Het verlaten van de H. Schrift beroofde hem van het goddelijk bestek voor alle tijden vastgesteld en deed hem het richtsnoer ontvallen, dat alleen hem leiden kon op den weg door den oceaan des levens door zonde en ongerechtigheid verduisterd. Daarom : terug naar het Woord, zij het devies voor onzen tijd, daar slechts in den Christus der Schriften ook voor den nood van den modernen geest voorziening en genezing zullen kunnen gevonden. In de prediking van den Gekruiste ligt de ernstige doch schoone roeping van hen, die aan Zijn Woord bleven vasthouden, een roeping waarvan de Kerk zich heeft bewust te zijn, zal de dwaasheid des kruises nog eenmaal in den boezem der volkeren triumpheeren over de wijsheid der wereld. Indien het mij mag gelukt zijn u in dit kort bestek te hebben aangetoond, dat de geest der Renaissance met dien der Reformatie In onverzoenbaren strijd tegenover elkander staan, zoo moet 't ons duidelijk zijn geworden, dat het inderdaad gaat om het gezag van de H. Schrift, zoodat het vraagstuk dat ons bezighoudt niet slechts toevalligerwijze veler aandacht blijft trekken. Toch hebben de belijders van de autoriteit des Goddelijken Woords zich te wachten voor een eenzijdige verachting van alles wat de wetenschappelijke arbeid der laatste eeuwen heeft gewrocht. Veeleer hebben zij te zoeken naar een juiste waardeering van dien arbeid, die reeds in de geschiedenis heeft bewezen niet enkel verwoestend gewerkt te hebben op het Christelijk bewustzijn, maar door het oproepen van een gezonde reactie ook zegen heeft gebracht aan een Kerk, die dreigde te versteenen in haar dogmatisme. Ook den ontwikkelingsgang der tijden heeft de Gemeente Gods te bezien bij het licht der Schriftuur, om zich op haar eigen wezen en roeping te bezinnen en zich te handhaven temidden van de beweging der tijden. Anderzijds echter dient krachtig gewaarschuwd tegen een vervloeiïng der grenzen tusschen Schriftuurlijke en wereldlijke wijsheid, een gevaar dat gezien op het streven naar saamvatting en synthese, dat onzen tijd kenmerkt, niet denkbeeldig is, maar van alle zijden dreigt. Ook al mag geen plaats aan verachting van den machtigen geestesarbeid gegeven, steeds hebben wij de scherpste anti-these te stellen tegenover de beginselen waar van men uitging, als ten eenenmale strijdig met het gezag van Gods Woord. Geen brug mag toeslagen tusschen Renaissance en Hervorming, doch ook voor onzen tijd blijve de religie van den Christus zuiver bewaard en dat kan zij slechts, indien het geloof naar de belijdenis der vaderen zich op de H. Schrift grondt en bevestigt en daar naar wordt gereguleerd. Alleen de teedere godsvrucht waarborgt de kracht en den invloed van het Christendom, die heiligend in werken kunnen ook op den geest van onzen tijd. Zal andermaal het Woord van den Christus zegevieren op de volkeren van den huldigen dag dan zal andermaal Zijn Geest een wedergeboorte verwekken, die de goederen door de cultuur tezaam gebracht geheiligd en gelouterd saam doet smelten tot een harmonie, die zegen brengt in de heerschende verwarring der geesten. Dezelfde macht, die bij den aanvang van de nieuwe geschiedenis zich openbaarde in de Hervorming is niet gestorven, maar leeft tot in eeuwigheid. Diezelfde macht kan andermaal haar mysterieuse werking doen uitgaan en den gloed des geestes uitstralen, die de veer kracht vernieuwend van 'n.verkrachte menschelijke natuur, het licht der eeuwigheid doet opgaan over de duisternis van een wereld. Kunnen wij op zulk een wedergeboorte gegronde hoop koesteren ? Wij willen niet ontkennen, dat het pessimisme in menig opzicht gesterkt wordt, niet het minst door den staat der Kerk. Zij 't ook, dat wij niet gaarne voet zouden willen geven aan allerlei drijven op het gebied der laatste dingen, dat evenals aan alle tijden van woeling en gisting ook aan de onze eigen is, evenmin zouden wij den moed vinden om het oog der gemeente te sluiten voor de teekenen, die heenwijzen naar het einde. Integendeel, wij zullen het toejuichen als de Kerk zich bewust blijkt te zijn van de toekomst des Heeren en waakzaam de ure verbeidt Zij vergete echter niet, dat zij" den dag des Heeren niet weet en geve zich niet over tot lediggang en ijdele bespiegeling in 'n wereld, die meer dan ooit haar dringen moet om haar roeping getrouw te vervullen. Het kan toch niemand verborgen blijven, dat telkens wanneer een man van invloed zich op het wereldtooneel vertoont, aller verwachting gespannen is, of men in hew het genie mag begroeten, dat den nood der wereld heeft doorzien en met krachtige hand het stuur aangrijpt, om den zinkenden bodem van den ondergang te redden. Men staat gereed om zich te onderwerpen aan zijn gezag, zelfs al zoude het tyranniek de gezegende vrijheid vermoorden, omdat er geen gezag is, door allen erkend, dat  leiding geeft voor de toekomst Ook de wetenschap blijft in gebreke. Zij is in vele opzichten gedrongen op haar eigen onderstellingen terug te komen en staat aan de grens van twee werelden, peilende in de diepte van ziel en stof naar een vasten grond voor haar kennis. Van de stofvergoding teruggekomen, richt zij zich op het onstoffelijke en aan deze zwenking gaat een zoeken naar een religie vergezeld, dat nog wel meer heeft van een bouwen der gedachten tot een stelsel dat vrede zal moeten geven aan een hart vol van pessimisme en teleurstellingen, levende relatie met God, maar 't bewijst toch dat de behoefte aan religieusen vrede leeft. Zonder twijfel zal het dan ook 'n religie zijn, die de harmonie in de wereld herstelt, zij 't ook voor een kleinen tijd. Alleen de religie vermag den mensch te binden, omdat zij haar centrale beteekenis in 't gansche leven doet uitgaan. Zal echter de leligie ook sociaal verband leggen, dan moet zij algemeen zijn, zooals Ch. Secréton het juist uitdrukt: „De maatschappij kan „niet bestaan zonder een gemeenschappelijke gedachte, die gedachte is noodzakelijk een religie." Wanneer echter die religie slechts een gedachte zal zijn, dan kan ze voor een wijle de geesten boeien, om zichzelf ontoereikend te verklaren, daar slechts een waarachtig levende religie onvergankelijk is. Toch is het niet onwaarschijnlijk dat de menschheid te eeniger tijd zal worden saamgebonden door zulk een verstands-godsdienst. Alle voorwaarden zijn daartoe aanwezig. De behoefte aan een gezaghebbende centrale idee, een zucht naar religieuse bevrediging en de strijd naar sociale gerechtigheid, die onder de natiën woelt, verzekeren de heerschappij van het vernuft, dat de idealen der menschheid in grootsche conceptie saamsnoert en de hoop der toekomst doet ontbranden om haar te offeren op het altaar der zelfvergoding. Zulk een religie der menschheid zou niet nieuw zijn, maar heeft zich reeds eerder in beginsel geopenbaard. Het oude Heidendom vereerde zijn keizers als goden en een modern paganisme, dat de wereld meende gelukkig te kunnen maken door allen vorm van godsdienst uit te roeien, eindigde in de aanbidding eener vrouw als het beeld eener ideale menschheid. Hoeveel uitnemender staat hier de religie van Christus tegenover en welk een rijkdom van eeuwige werkelijkheid is er voor Zijn volk weggelegd boven de vergankelijke idealen van deze aarde. In Hem verschijnt de nieuwe mensch bekleed met hemelsche gerechtigheid. In Hem is geschonken een eeuwige toekomst der heerlijkheid, die in de gemeenschap Zijns lichaams zich mededeelt aan al de Zijnen. Door Hem is de toegang geopend tot dat onvergankelijk Koninkrijk der hemelen, dat alles aan allen vervullen zal, die Hem kennen en vreezen, immers in Hem woont al de volheid Gods lichamelijk. Wat immer aan idealen in het menschenhart is opgeklommen is in den Christus hoogste werkelijkheid en kan ook alleen in Hem werkelijkheid worden voor den mensch uit de aarde. Daarom is er ook voor onzen tijd geen genezing dan in de waarachtige wedergeboorte, die het leven van den Zone Gods mededeelt, en de verwoesting der zonde te niet maakt. Maar daarom ook kan slechts onze verwachting van Hem zijn en van Hem alleen. Hij, wien alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde, regeert de wereld. Bij Hem berust het hoogste gezag. Dat gezag openbaart zich ook in Zijn Woord, dat van Hem getuigt en de Zijnen tot getuigen stelt. Hierin ligt dan ook de roeping der Kerk voor alle eeuwen, omdat de mensch in het licht van het goddelijk aanschijn zichzelf gelijk blijft: hij is een mensch der zonde. Dat moet beleden en kan slechts beseft bij de levende aanraking met het Woord der Schriften. Doch hoe zal de Kerk haar roeping volbrengen, als zij zelf niet leeft uit dat Woord en hoe moet droefheid ons vervullen bij den aanblik van ons kerkelijk leven. Geen uitstel mag toegestaan, doch ook in eigen kring terug naar het Woord, zonder hetwelk de oprechte godsvrucht niet tieren kan op den akker der ziele. Alleen in waarachtig geestelijk leven schuilt de wondere kracht der religie, die uitgaat naar buiten in gezin, staat en maatschappij, en het oog ontsluit voor den nood der tijden en boven al voor de eere Gods. Indien de hemelsche liefde niet gloeit in 't eigen hart, hoe zal dan de Kerk den strijd aanbinden tegen een wereld van zonde. Wanneer de kracht van den H. Geest leven blaast in het geweten, zal het blijken, dat zij niet verkort is, maar als weleer de duisternis verslaat, die een wereld in nevelen hult en haar leert buigen voor den Hoogen God en het gezag van Zijn Woord. Die Geest is der gemeente toegezegd. Mitsdien heeft zij toe te zien op haar werken en ijverig dient zij zich bewust te worden, welk een bezit haar is toebetrouwd in het Woord des Heeren, opdat zij niet worde bevonden onder de ontrouwe dienstknechten. Zal dat Woord niet als een begraven talent worden dan moet het gebruikt tot onderzoek en ten toets gemaakt op alle terrein des levens om de eeuwige beginselen uit te dragen door verdrukking en zegepraal in den Naam van Christus, die sterkend en troostend belooft: hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Bondsnieuws

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's