Leestafel.
De profeet van Opperdoes (Jan Mazereeuw), door ds. J. Kok. Uitgave : J. H. Kok — Kampen '19.
Mr. J. Loosjes, doopsgezind predikant te Bussum, gaf in het Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis een studie over Jan Mazereeuw en zijne secte en noemt daarin de artikelen van ds. Kok over „De profeet van Opperdoes" het belangrijkste wat over Mazereeuw geschreven is.
De kleine secte' der Mazereeuwers vindt men in de omgeving van Enkhuizen, in Opperdoes voornamelijk. Daar is Jan Mazereeuw in 1779 geboren en toen hij in 1822 in een roeibootje gezeten de hemelen voor zich geopend zag, waarbij 'n hemelsch licht hem omstraalde en een bizondere goddelijke openbaring tot hem kwam, heeft hij zich daar als „profeet" uitgegeven, zijnde „Het teeken van den Zoon des menschen, waarop men acht had te geven ; de Elia, die voor den Zoon des menschen zou uitgaan om aan te kondigen dat de wederkomst ten oordeel aanstaande is."
„God moest nu gediend worden in geest en waarheid, de tijden eindigden, de geestelijke eeuwige dienst begon, de middelen der genade hielden op, de prediking van het Evangelie was afgeloopen en de sacramenten waren afgeschaft. Men zou nu inwendig, op geestelijke wijze met Christus Avondmaal houden en die uitwendige exercitiën deden niets meer ter zake. De profetieën waren vervuld en daarom was hij met den Geest vervuld om de komst van Christus aan te kondigen. Er is geen ware Kerk na de apostelen geweest, zij is vervallen en dood, de leeraars zijn loondienaars en valsche huuriingen, het Herv. Kerkgenootschap is een Baalstempel en voor die er in bleven was het niet mogelijk zalig te worden, enz. enz."
Spoedig kreeg hij een aantal aanhangers en hij eischte steeds onvoorwaardelijk geloof aan zijn woord, van God hem geopenbaard. In zijn profetieën moest hij onfeilbaar geacht worden en hij sprak de zwaarste vervloekingen uit over hen die er aan twijfelden.
Zich zelf noemde hij altijd met de-meest verachtelijke namen als „nietige worm", een „madenzak, op welke het graf wacht", een „die altoos verdient van voor het stinkende en afschuwelijke gewormte bestemd te zijn, een niets beduidende sterveling." Maar hij was daarbij vast overtuigd van zijn bizondere roeping.
Hij was geen man van 't woord, hij was meer een schrijver, die in een donkere kamer een soort theologische opstellen schreef die in de samenkomsten werden voorgelezen. Deze epistels waren alleen voor de ingewijden, voor de wedergeborenen ; met hen ging hij alleen om. Dezulken hadden alleen maar wat aan zijn boeken, want „aan hen waren de woorden Gods toevertrouwd."
Ook in de dorpen rondom kwamen volgelingen van Mazereeuw en dan werd daar een soort hoofd aangesteld, die met de ingewijden samenkwam.
Dat de volgelingen „den profeet" onbepaald vertrouwden blijkt wel uit het volgende. Toen hij den haast nabij zijnden ondergang der wereld voorspeld had, hebben velen de boomen in hunne tuinen omgehakt en verbrand, de landerijen zelfs voor geringen prijs verkocht en sommigen wilden ook niet meer arbeiden, overtuigd als zij waren, dat zij geen vruchten van hunne boomen en akkers meer zouden inoogsten en dat het dus het beste was om ze te verbranden (in den winter namelijk) of te verkoopen, ten einde er toch nog eenig genot van te hebben. En toen deze profetie niet door de uitkomst werd bevestigd verminderde dat zijn gezag en invloed niet, maar bleven zijn volgelingen ten volle vertrouwen in hem stellen. Zij gaven zich blindelings aan hem over als aan hun leidsman, die naar hun meening door God met hoogere inzichten was bedeeld.
Zijn volgelingen kwamen des Zondags bijeen, beurtelings in de huizen van hen bij wie ruimte genoeg was om aan allen plaats te geven. (Later hebben zij ook hier en daar een eigen gebouwtje gehad). Er werd slechts één bijeenkomst gehouden, van s morgens 8 tot 12 uur. Die bijeenkomst werd met gebed en psalmgezang geopend (de gezangen werden niet gezongen) en ook met dankzegging alzoo gesloten. Zij lazen meestal een opstel van Mazereeuw, ook wel een godsdienstig geschrift, of uit den Bijbel, en daarna werd over het gelezene met elkander gesproken. Zooveel mogelijk gaf Mazereeuw eiken Zondag weer een nieuwe profetische verklaring of openbaring, welke dan eerst te Opperdoes werd gelezen en daarna overgeschreven voor de samenkomsten op andere plaatsen. Des Zondagsmiddags lazen zij in huis de oude schrijvers, ook op de feestdagen in hunne morgensamenkomsten. Voor de feestdagen scheen hij geen profetieën te ontvangen.
Bij de samenkomsten rookten de mannen hun pijp en dronken ze met elkander koffie. Het was en bleef een kleine secte ; in Opperdoes waren ongeveer 65 volgelingen ; te Andijk 130 ; te Enkhuizen 50 ; te Medemblik 10 a 15. De kinderen maakten zoo goed als allen geen gebruik van de school, omdat naar de meening van deze secte ook het schoolonderwijs bedorven was. Ook voelde Mazereeuw niet veel voor godsdienstonderwijs ; daar moesten de ouders zich maar , mee belasten. Zelf had hij een onbepaald vertrouwen in zijn profetieën en die er aan dorst te twijfelen werd door hem uitgescholden, waarvoor hij bizondere gave scheen ontvangen te hebben.
Algemeen was het gevoelen dat hij zou blijven leven tot Jezus kwam en dat hij op zichtbare wijze ten hemel zou varen. Zóó zelfs, dat, toen hij gestorven was, velen naar zijn graf gingen, verwachtende dat hij uit de dooden zou opstaan, althans dat er iets bizonders en wonderlijks gebeuren zou.
Bij een verklaring van Daniël 12 vers 5—9 had de profeet dan ook gezegd, dat de eerste man aan deze zijde der rivier Johannes op Patmos was, en de tweede man aan de andere zijde der rivier was hij, Jan Mazereeuw zelf. Daniël had dat niet zoo kunnen verklaren ; maar nu was het zegel van het boek afgenomen (vers 4) en Jan Mazereeuw las er in en toonde er uit aan, dat alles vervuld was. In zijn donkere kamer heeft hij . veel zéér veel geschreven — waarvan niets in druk is verschenen — over Daniël, Mattheüs 24 en 25, over de Openbaring van Johannes, enz. „Zijne geschriften zijn langdradig, onduidelijk, ernstig, voorzichtig en overvol met het aanzeggen van vloek bij vloek ; vooral voor degenen die van „zijn getuigenis" afwijken !"
Wie meer van deze secte der Mazereeuwers weten wil, leze het boekje dat ons hier . door ds. Kok wordt aangeboden. Laat men niet zeggen, dat het hier maar gaat over een „kleine secte". Want ja — laat het waar zijn dat de secte der Mazereeuwers niet groot is. Menschen als Jan Mazereeuw zijn er zoo veel geweest in den laatsten tijd en elke week staat er weer een andere Jan op, die zich voor profeet uitgeeft, dat het van groot nut is over deze dingen eens een zoo degelijk boekje als ons hier geboden wordt, te lezen ; zij het tot leering en tot waarschuwing. Want op Nederlandschen bodem groeit de schimmelplant van het sectewezen tierig en in de steden en op de dorpen zijn profeten als Jan Mazereeuw niet zelden welkome gasten. Er zijn telkens weer mannen en vrouwen die voorgeven iets „bizonders" te zijn, en juist omdat Gods Woord veel te weinig gelezen wordt en de rechte bediening des Woords veel te veel wordt gemist, maken ziekelijke leeringen niet zelden opgang. Laat ons gewaarschuwd zijn. En zij er veel gebeds, dat de Geest ons en onze kinderen stieren mag in het effen pad van de vreeze Zijns Naams, naar uitwijzen van Zijn heilig Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's