De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

28 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

Prof. dr. H. H. Kuyper schrijft in „De Heraut" nog het volgende :

Geen gunst maar recht. XII.

Ten opzichte van de kerkelijke goederen in engeren zin, d.w.z. van die goederen, die geschonken waren voor de kerk of voor de kerkelijke diensten van een plaatselijke gemeente, kan er dus geen twijfel over bestaan, dat de Kerk op de inkomsten en het gebruik dezer goederen een wettig-recht had Ze bezat dit recht reeds vóór de Reformatie en heeft dit recht door de Reformatie, die geen nieuwe kerkstichting, maar alleen de zuivering der bestaande Kerk van misbruiken was, niet verloren. Of hierbij nu van een eigendomsrecht, in strengen zin genomen, van de plaatselijke gemeente op deze goederen kan gesproken worden, is een juridisch vraagstuk, waarover we ons geen oordeel willen aanmatigen. Men weet, hoe èn het Hof van Leeuwarden bij zijn arrest van 18 Febr. 1880 èn de Hooge Raad bij zijn arrest van 20 Mei 1881 het eigendomsrecht der gemeente op deze goederen erkend heeft en dientengevolge het beheer dezer goederen thans overal in handen der gemeenten is overgegaan. Mr. Van Apeldoorn zelf meent dan ook, al bestrijdt hij de juistheid van deze beslissing dat-nu de gemeenten eenmaal het beheersrecht over deze goederen hebben verkregen, wel niemand ! haar daaruit zal kunnen verdringen, omdat er niemand is, die rechten op dat beheer zou ! kunnen doen gelden en hier dus geldt: beati possidentes, dat beheersrecht en eigendomsrecht niet hetzelfde zijn, is volkomen juist.  Maar waar de Hooge Raad het beheer aan de gemeente heeft toegekend op grond van het eigendomsrecht, en daarmede het eigendomsrecht der gemeente op deze goederen heeft aangenomen, kan hier evenzeer de vraag worden gesteld, wie dan anders dan deze gemeenten, die het beheer voeren, op deze goederen een eigendomsrecht kan doen gelden ? Het vraagstuk, aan wie het eigendomsrecht dezer goederen behoort, wordt zoo een theoretisch vraagstuk, dat voor de practijk alle waarde heeft verloren. De plaatselijke gemeenten bezitten deze goederen, oefenen daarover alle rechten uit, en wanneer de Overheid deze goederen niet confisqueert, zal wel niemand de gemeenten uit dit bezit kunnen verdringen. Alleen voor de vraag, of de Nationale Vergadering in 1798 het recht heeft gehad een deel dezer goederen tot nationaal eigendom te verklaren, heeft dit juridisch vraagstuk belang. Maar ook dan doet het er weinig toe, of men deze goederen in algemeenen zin als het eigendom der plaatselijke gemeente, dan wel als het eigendom van bepaalde kerkelijke instituten beschouwt, omdat, zooals mr. Van Apeldoorn zelf toegeeft, deze instituten na de Reformatie niet zijn vervallen, maar bleven voortbestaan. Wil men aan de Overheid niet 'n absolute macht toekennen om met de goederen te doen, wat zij zelf wil, dan had de Overheid dus het recht niet om deze goederen aan de kerkelijke instellingen, waaraan zij gegeven waren, te ontnemen en ze een andere bestemming te geven. De Overheid tijdens de Republiek heeft dit dan ook nooit gedaan ; al haar maatregelen dienden juist, om te zorgen dat deze goederen niet aan hun bestemming onttrokken of, gelijk men het toen uitdrukte, veralieneerd werden. Wat de Nationale Vergadering in 1798 deed, die een deel dezer goederen aan hun oorspronkelijke bestemming onttrok en nationaliseerde, is dus niet in overeenstemming met, maar staat veeleer lijnrecht tegenover hetgeen de Gereformeerde Overheid tijdens de Republiek had gedaan.

Alleen ten opzichte van de zoogenaamde geestelijke goederen, waaronder men dan gemeenlijl{ de kloostergoederen verstaat, kan de vraag worden gedaan, of de Overheid tijdens de Republiek deze goederen, nadat de kloosters zelf hadden opgehouden te bestaan, toch niet als haar eigendom beschouwd heeft waarover zij vrij kon be-' schikken. Zoolang de Overheid de Gereformeerde Kerk als de ware Kerk beschouwde, kon zij dan een deel van deze goederenvoor de betaling der predikantstractementen gebruiken ; maar van het oogenblik af, dat zij de Gereformeerde Kerk niet langer als de ware Kerk privilegieerde, kon zij deze goederen voor andere doeleinden bestemmen. "Van belang is dit vraagstuk, omdat het Geestelijk kantoor, dat de predikantstractementen betaalde, wel voor een deel zijn inkomsten betrok uit de kerkelijke goederen, die onder het kantoor gebracht waren maar voor een belangrijk deel ook uit deze voormalige kloostergoederen. Neemt men aan, dat de Kerk alleen op deze kerkelijke goederen rechtsaanspraken kon doen gelden, maar , niet op deze kloostergoederen dan zou daar uit volgen, dat de Kerk, nu al deze goederen in de staatskas zijn overgebracht, ' slechts op een deel dezer goederen aanspraak kan doen gelden. De kerkelijke goederen hebben de Kerken zelf onder dit geestelijk kantoor gebracht, of dit is althans met haar goedvinden geschied, opdat de predikantstractementen daaruit betaald zouden worden , maar de Overheid zou daaraan krachtens geheel vrije beschikking de kloostergoederen hebben toegevoegd, die haar eigendom waren, en op restitutie van deze en de Kerken derhalve geen de minste aanspraak kunnen doen gelden. Het is daarom, dat deze vraag in de laatste plaats onder de oogen moet worden gezien.

Nu is het zeker waar, dat de Overheid tegenover deze kloostergoederen een ander standpunt heeft ingenomen dan tegenover de kerkegoederen. De Kerken bleven bestaan, de kloosters vielen na de Reformatie weg en de Overheid had dus over de bestemming dezer goederen te besllssen. Voor een goed deel zijn deze kloostergoederen dan ook gebruikt om de schulden der provinciën, die door de oorlogskosten zoo hoog waren opgeloopen, te betalen ; ook hebben ze gediend om Hoogescholen op te richten, zooals te Leiden, Utrecht, Franeker en Groningen, en voorts dienden ze ook voor andere publieke doeleinden, terwijl ze slechts voor een gering deel gebruikt zijn voor de betaling der predikantstractementen. En waar de Overheid ten opzichte van deze goederen dus veel vrijer beschikt heeft dan ten opzichte van de kerkegoederen, komen in de besluiten der Overheid meer malen uitdrukkingen voor, die den indruk kunnen geven alsof de Overheid zich zelf het eigen domsrecht op deze goederen had toege eigend. Het is dan ook op deze gronden, dat  Mr. W.H. de Savornin Lohman meende, dat ten opzichte van deze kloostergoederen een uitzondering moest gemaakt worden en dat hiervan metterdaad kan gezegd worden, dat de Overheid ze na de Reformatie had geconfisqueerd tot Staatseigendom

Intusschen hebben de historische, onderzoekingen, die na dien tijd zijn ingesteld, wel aangetoond, dat deze voorstelling toch niet juist is. Natuurlijk kan er niet aan gedacht worden, hier in bijzonderheden af te dalen en aan te toonen, hoe de Overheid in de verschillende provinciën met deze goederen gehandeld heeft. Alleen de generale resultaten, waartoe dit onderzoek geleid heeft, kunnen hier worden meegedeeld. En dan is wel gebleken, dat de voorstelling alsof de Staat deze kloostergoederen tot Staats eigendom heeft 'gemaakt, niet juist is, want dat de meeste dezer kloostergoederen als fundaties zijn blijven voortbestaan, en dat de Overheid ook ten opzichte van deze fundaties heeft vastgehouden aan den regel, dat deze goederen, die ad pios usus gegeven waren, ook voor vrome doeleinden moesten bestemd blijven. Zelfs indien de onderstelling juist was, dat de Overheid, toen de kloosters opgeheven werden en er dus niemand was, die eigendomsaanspraken op deze goederen of hunne inkomsten kon doen gelden, deze goederen in zekeren zin als haar eigendom zou beschouwd hebben, zoo beteekent dit daarom niet, dat deze goederen nu geseculariseerd werden en de Overheid met deze goederen kon handelen naar willekeur. Wie absoluut eigenaar is van eenig goed, kan de inkomsten daarvan be-steden, zooals hij zelf wil.

Hij kan een deel daarvan aan de Kerk geven, maar doet dit dan niet krachtens eenige verplichting, die uit het bezit van dit goed voortvloeit, maar alleen omdat hij zelf het aldus wil. En hij is dan volkomen vrij om later op deze beschikking terugtekomen, zonder dat iemand hem daarover een verwijt kan maken. Maar zoo heeft de Overheid de zaken niet beschouwd. Ze nam deze goederen over van de kloosters, maar met de erkenning, dat . . . . deze goederen een pieuze bestemming hadden gehad en daarvoor moesten blijven die-„en. De bestemming van deze goederen was door het te niet gaan van de kloosters niet vervallen, want die goederen waren gegeven ten bate van de kloosters, maar, om daarmede God te dienen, voor het onderwijs te zorgen en de armen te hulp te komen. Dat drieledig doel kon ook na de Reformatie worden bereikt, doordat de inkomsten dezer goederen voor de tractementen der predikanten, voor de oprichting van Hoogescholen, die Gereformeerd waren, en voor de armen werden bestemd. Zoo is het dan ook geschied. En de Overheid deed dat niet, omdat zij zelve vroom was en uit vroomheidszin de Kerk, de School en de armen wilde helpen uit haar middelen, maar omdat zij deze goederen tot hun bestemming wilden doen komen.

Zelfs al zou men dus kunnen aantoonen, dat de Overheid deze kloostergoederen niet als stichtingen heeft laten voortbestaan en alleen als beheerster van deze goederen is opgetreden maar zichzelf werkelijk als de eigenaresse van deze goederen heeft beschouwd, dan was dit, om de woorden van mr. A. F. van Beeck Calkoen over te nemen, niet een onbeperkt eigendom, maar een eigendom met den last bezwaard, de inkomsten der goederen ad pios usus te be­steden. De waarschijnlijkheid, dat deze geestelijke goederen van hun pieuse karakter door de Overheid zouden zijn ontheven, acht hij dan ook zeer gering, niet alleen omdat daarvan geen enkel bewijs is te vinden, maar vooral, omdat de Overheid, wier besluiten beslissend waren, de Christelijke was en het niet valt aan te nemen, dat deze de eenmaal ad pios usus gefundeerde goederen hunne bestemming zou hebben ontnomen. 3) Zelfs het feit, dat de Overheid een deel van deze goederen bestemd heeft voor belangen, welke men moeilijk als pieus kan qualificeeren, acht hij dat hiermede niet in strijd is, omdat bijv. het voeren van den krijg en de behartiging van het Landsbelang de handhaving der ware Christelijke Gereformeerde religie en den strijd tegen hare vijanden inhield. 4)

Of nu de Overheid het recht zou hebben gehad om deze goederen van hun pleus karakter te ontdoen, is een vraag, die we kunnen laten rusten. Feit is, dat de Overheid tijdens de Republiek het pieus karakter van deze kloostergoederen erkend en gehandhaafd heeft en daarom een deel dezer goederen voor de tractementen der predikanten bestemd en onder het Geestelijk kantoor heeft gebracht. Is het juist, wat de tegenwoordige onderzoekers beweren, dat deze goederen niet door de Overheid zijn geconfisqueerd, dus geen staatseigendom zijn geworden, maar zelfstandige stichtingen zijn gebleven, waarover de Overheid alleen het beheer voerde, dan volgt daai^it, dat de Overheid, toen de band tusschen haar en de Kerk verbroken werd, geen recht bezat om deze goederen nu tot nationaal eigendom te verklaren. Er kan dan ook ten opzichte van deze kloostergoederen geen sprake van wezen, dat de Nationale Vergadering van 1798 niet anders zou gedaan hebben, dan wat de Overheid tijdens de Republiek deed. De Overheid tijdens de Republiek handhaafde de pieuse bestemming dezer goederen, de Nationale Vergadering onttrok ze aan deze pieuse bestemming en maakte ze tot Staatseigendom.

VERSLAG van de 15de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond, op Donderdag 18 Maart 1920 in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.II

Als br. Severijn zijn referaat heeft uitgesproken zegt de Voorzitter hem danlc voor dit gedocumenteerde stulc en geeft gelegenheid om met den referent over het gesprol^ene van gedachten te wisselen.

Van deze gelegenheid wordt gebruilt gemaakt door Ds. Prins te Giessendam en de heeren Kraan te Eist en Jansen te Zeist. •

Ds. Prins zegt dat hij met bijzonder veel genoegen het referaat heeft gehoord, maar zou een drietal vragen willen stellen van practischen aard : 1. Wat verstaat de referent onder de Heilige Schrift ? 2. Is het een gebiedende eisch des tijds dat de Statenvertaling wordt herzien ? Zoo ja, van wie moet dan de stoot daartoe uitgaan 2e en 3e. Is het ook noodig dat artikel 2 en 3 onzer Gereformeerde Geloofsbelijdenis worden herzien ?

De heer Kraan meent op een leemte te moeten wijzen. In de eerste plaats gelooft hij dat de referent voorbij heeft gezien dat hij niet voor studenten stond maar voor een meerendeels eenvoudig publiek en verder stelt hij de vraag welke de juiste verhouding is in de beschouwing van het gezag der H. Schrift tusschen de Gereformeerden eenerzijds en de z.g.n. Ethischen en Neo-Gereformeerden anderzijds.

De heer Jansen meent dat de referent zich te veel in een klein kringetje heeft bewogen door te zeer uit te gaan van het standpunt dat het gezag der H. Schrift gegrond zou zijn op het getuigenis van Calvijn. Spreker meent dat ook de Roomsche Kerkleer een aanval is op het gezag der H. Schrift en dat het gezag der H. Schrift niet gegrond is op het reformatorisch beginsel.

Dr. Severijn beantwoordt de sprekers en zegt: de vragen van ds. Prins staan geheel en al buiten het referaat. Hij raadt ds. Prins aan, als het hem waarlijk te doen is om een antwoord in dezen, naar de vakgeleerden te gaan, temeer waar over deze kwestie een breede litteratuur verschenen is.

Sprekers persoonlijke meening is dat er geen dringende behoefte is aan een herziening van de vertaling der H. Schrift. Hij meent dat de Staten-Vertaling er eene is die de kenmerken draagt dat de mannen die het gedaan hebben onder invloed gestaan hebben van de werking van den Heiligen Geest. Ook zou hij de belijdenis in deze niet willen veranderen, desnoods alleen willen uitbreiden.

Den heer Kraan antwoordt spreker dat deze zelf heeft bekend niet de ontwikkeling te bezitten zijn referaat te beoordeelen.

Waarom echter deed hij het dan toch ? Het getuigenis des H. Geestes in het hart, zooals het door ons Gereformeerden wordt verstaan is geenszins hetzelfde als de ethische opvatting.

Indien de heer Kraan hiervan meer weten wil, er zijn verschillende brochures, die hem het gewenschte licht kunnen verschaffen.

Den heer Jansen antwoordt de referent dat het nooit bij hem opgekomen is en dat hij dus ook niet gezegd heeft dat het gezag der H. Schrift gegrond is op het getuigenis van Calvijn. De heer Jansen schijnt te meenen, dat spreker door daar te beginnen, een heel stuk historie over het hoofd heeft gezien. Het is echter sprekers bedoeling geweest om te doen uitkomen dat het zelfbewustzijn in Europa eerst aan den dag gekomen is in den tijd der Renaissance. Toen eerst is de moderne wetenschap zelfbewust tegenover de Schrift gaan staan.

Prof. dr. J. A. C. van Leeuwen vraagt nu het woord en toont aan, dat de vragen die gesteld zijn geen blijk geven dat de vergadering genoeg gewaardeerd heeft het hooge plan dat referent zich had voorgesteld. Zijn Hooggel. meent dat hoogelijk gewaardeerd moet worden de principiëele wijze, waarop de spreker zijn onderwerp behandeld heeft. Zeer goed en duidelijk toch is uitgekomen, dat er in de opvatting van het gezag der H. Schrift twee stroomingen zijn en dat Calvijn in deze anders stond dan het Humanisme. Toch meent prof. Van Leeuwen ook nog een vraag te moeten doen en wel deze, of genoeg tot zijn recht gekomen is dat het heele Ipven doortrokken is van den invloed der H. Schrift? Als men b.v. ook in het midden der wereld spreekt van gerechtigheid, gelijk recht voor allen, enz., zijn dat dan niet allen leuzen en idealen die ontleend zijn aan de H. Schrift? En heeft de Kerk ook in dezen niet een taak en een roeping voor de wereld ?

Dr. Severijn antwoordt prof. Van Leeuwen dat hij dit verband wel gezien heeft, ook al stemt hij toe, dat hij het misschien niet genoegzaam heeft doen uitkomen.

De Voorzitter zegt hierop den spreker nogmaals dank voor het woord dat hij heeft willen spreken. Het kan allereerst een prikkel wezen om het nader te onderzoeken. In den weg des geloofs hebben wij vast te houden dat alleen het licht van Gods Woord vreugde en troost, rust en vrede kan geven. Inzonderheid in de donkere tijden die wij doormaken. Wij toch weten niet wat de schoot van de toekomst in zich verborgen houdt. Mocht er daarom echter maar meer en meer lust en opgewektheid gevonden worden ook voor het werk van onzen Bond en mochten inzonderheid maar steeds meerderen dat zoeken ook in den weg van de bediening des Woords. Met den wensch dat steeds meerderen lust mochten gevoelen tot het treffelijk werk van 't opzienersambt sluit de Voorzitter hierop de morgenvergadering, die op zijn verzoek door dr. Severijn met dankzegging geëindigd wordt.

De middagvergadering wordt ten 2 ure geopend met het zingen van Psalm 36 vers 3 en gebed door ds. Van der Snoek.

De Voorzitter leest hierop voor Habakuk 3 vers 2 en spreekt aan de hand van dit woord ongeveer als volgt;

Voor het eerst in ons bondsleven is het, dat wij onder buitengewone omstandigheden samenkomen. Voor 't eerst toch hebben we te gedenken dat één onzer bestuursleden ons door den dood ontviel. Ds. Boonstra is niet meer. Hij heeft gewerkt tot den avond zijns levens. Wij gedenken hem met een dankbaar hart. Ds. Boonstra was een eigenaardige persoonlijkheid, die met het eigenaardig talent hem geschonken, stond tusschen de jongeren en de ouderen. Wanneer de ouderen wel eens dingen hadden, die niet waren in de lijn van Gods Woord, dan was hij zoo uitnemend geschikt om deze dingen recht te zetten ; en wanneer de jongeren wel eens afdwaalden, dan was hij zoo uitnemend geschikt hen weer in het rechte spoor te leiden. Het heengaan van ds. Boonstra stemt ons dan ook droef. Wij gelooven echter dat God Zijn tijd kent. Op Gods tijd afgelost van zijn post hier op aarde, mogen wij gelooven dat hij nu juicht voor Gods troon, waar geen zonde en geen strijd meer bestaat. Mochten wij van hem leeren, nadat hij gestorven is, om óók te werken zoolang het dag is. Wij, de levenden immers worden door den Heere geroepen en gesteld in het midden der dingen om voort te gaan. Wij leven in bange tijden. Daarom dacht het ons goed om voor te lezen Habakuk 3 vers 2. Habakuk leefde ook in een tijd, waarin het er om ging of Gods Kerk zou voortbestaan of verbroken zou worden. De Chaldeën kwamen met macht om Gods volk onder den voet te loopen. Habakuk gedenkt dat daar reden voor was, want het volk had gezondigd en had zijn weg verdorven voor Gods aangezicht. Maar de profeet bedenkt ook dat er in Israël een werk Gods is en hij gelooft dat God zal staan voor Zijn eigen werk. De geschiedenis van Israels volk herinnerde hem daaraan, dat God Zijn Kerk had geformeerd, dat de Heere tegen de revolutie een anti-revolutie had gesteld. God had immers Abraham verkoren en met hem Zijn verbond gesticht, maar het volk Israels was telkens weer weggezonken. En als de Heere niet telkens gegrepen had naar Zijn wegzinkend volk, dan was het reeds lang verloren geweest. Daarom mocht Habakuk ook nu den God des eeds en des verbonds aanroepen en mocht hij vragen dat God Zijn werk gedenken en tot in lengte van dagen bevestigen zou. — De omstandigheden van Habakuk nu zijn teruggekeerd, en zijn gekomen tot ons en onze vaderen, tot ons en onze kinderen. We zien het dat de groote wereld gebeten door de oude slang, met zonde en ongerechtigheid doortrokken is als nooit te voren. In de dagen van Sodom is 't schrikkelijk geweest, maar wie zal ons schilderen den toestand, zooals die thans onder de volkeren van Europa en ook onder ons Christenvolk is ? Het leven als zoodanig verkankert door den dienst der zonde en der ongerechtigheid. Dit maakt dat de toestand van ons volk gelijk is aan dien van een teringlijder, zoo diep ellendig, dat er niet anders dan een ellendige ondergang uit voortkomen kan. Als vrucht van de zonde wordt de dood geopenbaard. Er komt een vervreemding en verwildering dat het vreeselijk is. Men zegt dat de Kerk daar de oorzaak van is. Maar men vergeet dat het leven des volks langzamerhand in zulk een stadium gekomen is, dat de Kerk niet meer staat in het midden des volks. In een vergadering als deze echter mag inzonderheid het oog niet gesloten worden voor de schuld die de Kerk er aan heeft. Daarom achten wij het een goede gave onzes Gods, dat er weer opwaking gekomen is in de School, in de Pers en óók in de Kerk. We mogen het goede niet voorbijzien dat de Heere ons ook in haar nog gelaten heeft. Of mogen we niet speuren dat de Heere Zijn volk nog heeft, dat God nog wonderen doet? En dan worden we er aan herinnerd dat de Heere dat doet, evenals in de dagen van Habakuk, omdat het Zijn werk is. Dit dringt ons, ziende op de voorrechten om dieper te gaan peilen de zonde en schuld, die er ligt.

Er is een verflauwing der grenzen waar te nemen. Daarom hebben wij elkander te waarschuwen en elkander te wijzen op het eenige middel van het Evangelie der zaligheid. Dat is het middel om ons volk terug te roepen tot de oude paden, tot den God des heils. Maar daarom hebben we dan ook samenwerking te zoeken met allen die staan op dezelfde belijdenis, die met ons belijden den Christus der Schriften. Door goede samenwerking is op menig terrein des levens iets goeds verkregen.

Dit moet ons opwekken om het besef levendig te houden dat het des Heeren werk is. En omdat het Gods werk is, moet het gaan in de lijn van Gods Woord. Mogen we dan mede door deze samenkomst verootmoedigd worden om het uit onze hand te leggen en het te zoeken bij Hem, die Zijn werk handhaven zal.

Na dit uitnemend woord van den Voorzitter doet hij eeni enkele mededeelLngen, o.m. over de bestuursverkiezing en geeft hierna den Secretaris gelegenheid om de notulen der vorige vergadering voor te lezen

Als deze gelezen en zonder eenige bemerking goedgekeurd en geteekend zijn, brengt de Secretaris het jaarverslag uit en spreekt aldus :

Toen we de vorige maal in jaarvergadering samen waren, werden belangrijke voorstellen gedaan en dientengevolge ook gewichtige beslissingen genomen.

Naar aanleiding van een toen uitgesproken stelling betreffende de wenschelijkheid van samenwerking tusschen de rechtsche groepen zoowel in als buiten onze Kerk en betreffende het vraagstuk van de financieele scheiding tusschen Kerk en Staat, werd in de eerste plaats aan het Hoofdbestuur opgedragen een Commissie te benoemen die deze zaak onderzoeken en bespreken zou.

Spoediger dan het bestuur zelf verwacht had, werd aan dit besluit uitvoering gegeven. Slechts enkele dagen toch na onze jaarvergadering werd te Utrecht een bijeenkomst gehouden, waartoe verschillende predikanten van de rechtsche groepen binnen onze Kerk waren uitgenoodigd, "en waarin behalve 5 leden van het hoofdbestuur, uit onzen kring ook de brs., . ds. Batelaan, ds. Beekenkamp, ds. De Bruin, ds. Kijftenbelt en ds. Van Toorn tegenwoordig waren. Op die vergadering is het kerkelijk vraagstuk van verschillende zijden bezien en is met name door onzen Voorzitter een breede en uitnemende uiteenzetting van ons standpunt gegeven. Algemeen was men van oordeel, dat het belijdend karakter der Kerk gehandhaafd moest blijven en dat de zaak niet anders geregeld kon worden dan nadat eerst de kwestie van art. 171 der Grondwet zou opgelost zijn. Om deze zaak met de andere groepen, die niet tegenwoordig waren, te bespreken, werd uit die vergadering een Commissie benoemd, waarin ook onze Voorzitter zitting zou nemen, terwijl hij het recht zou hebben zichzelf nog een lid uit onzen kring toe te voegen, waartoe later in overleg met ons hoofdbestuur onze tweede Voorzitter gekozen werd.

Deze Commissie heeft enkele malen vergaderd in welke vergadering blijkens het verslag door onzen Voorzitter in de bestuursvergaderingen uitgebracht, telkens gevoeld werd dat de financiëele kwestie het middelpunt van het kerkelijk vraagstuk is. Het was dan ook in aansluiting daarvan dat ons hoofdbestuur besloot deze kwestie wat nader te doen belichten en wel door het uitnoodigen van mr. Van Apeldoorn te Leeuwarden tot het houden van een referaat op een buitengewone ledenvergadering die, zooals bekend, 18 December 1.1. gehouden is Op die vergadering heeft mr. Van Apeldoorn „De financiëele verhouding tusschen Kerk en Staat" behandeld, welke behandeling de vraag of de uitkeering van staatswege aan' de Kerk een gunst is, 'dan wel* een recht naar voren heeft gebracht. Intusschen blijft de bestaande Commissie haar aandacht aan deze gewichtige aangelegenheid schenken en blijft het haar wensch, dat onze Regeering in overleg met de Kerken deze zaak tot de zoozeer begeerde oplossing brengen zal.

Het tweede besluit dat op de vorige jaarvergadering genomen werd was het besluit tot de benoeming van een Commissie, die pogingen zou aanwenden tot het stichten van een Hervormde Kweekschool voor Chr. Onderwijzers en Onderwijzeressen. In deze Commissie werden door het hoofdbestuur benoemd, behalve onze voorzitter en 2de voorzitter, de h.h. ds. De Bruin te Zeist, H. Turkenburg te Bodegraven en P. A. van Schuppen te Delft.

In overleg met het hoofdbestuur heeft deze Commissie haar voorbereidende werkzaamheden volbracht, zoodat dank zij haar bemoeiingen op onze buitengewone ledenvergadering van 18 December 1.1. aan het bestuur blanco crediet gegeven kon worden om verder te gaan. Aangezien met het oog op de ernstige tijdsomstandigheden er aan het tot stand komen van een dergelijke inrichting allerlei bezwaren verbonden zijn, meent het hoofdbestuur echter in dezen voorzichtig te moeten zijn, vooral ook met het oog op de a.s. behandeling van de nieuwe Onderwijswet. Toch hopen we dat de bezwaren die rezen, geen onoverkomelijke hinderpalen zullen blijken te zijn en dat we ons eerlang in het bezit van 'n Herv. Kweekschool verheugen zullen.

Het derde besluit op onze vorige jaarvergadering genomen was dat van de instelling van een Evangelisatiecommissie. Ook in dezen heeft het hoofdbestuur aan de toen verstrekte opdracht voldaan. Het .heeft een Commissie benoemd bestaande uit de h. h. ds. Rentme, ds. Gunning te Hoogeveen en Brinkers te Utrecht, welke Commissie ook reeds enkele malen schijnt vergaderd te hebben en wier rapport wij dus zeker binnen niet al te langen tijd ook tegemoet mogen zien. Verder valt uit de lotgevallen van ons bondsleven in het afgeloopen jaar te vermelden dat ons een onzer bestuursleden door den dood ontviel. Zooals bekend, is ds. Boonstra, die enkele jaren in ons hoofdbestuur met eere 'n plaats heeft ingenomen, voor enkele weken op 67-jarigen leeftijd van ons heengegaan. Aangezien zijn krachten reeds aan het inzinken waren, heeft hij het laatste jaar slechts één onzer bestuursvergaderingen kunnen bijwonen. Reeds had hij dan ook zijn voornemen kenbaar gemaakt om zich niet herkiesbaar te stellen, toen de dood ptrad en aan zijn voor onze Kerk en voor onzen bond zoo nuttig leven een eind maakte. Ds. Boonstra was een man die ook op kerkelijk terrein heel wat strijd heeft doorgemaakt. Hij was ons iemand die ook op dit gebied rijke ervaring had. Daarom heeft hij in ons hoofdbestuur een ledige plaats achtergelaten. Gelukkig dat over zijn heengaan niet zonder hope behoeft getreurd en dat de Heere, zooals daarvan ook aan zijn graf werd herinnerd, bij het begraven van Zijn arbeiders Zijn werk voortzetten en voleindigen zal.

De overige arbeid van onzen bond heeft dan ook in het afgeloopen jaar gelijkmatlgen voortgang gehad. Spreekbeurten werden in den afgeloopen winter zelfs velen vervuld. In de navolgende plaatsen werd, hetzij voor de gemeente of voor.de bestaande afdeeling voor onze Fondsen gesproken : Ridderkerk, Bolnes, Montfoort, Veenendaal, Wilnis, Alphen, Feijenoord, Werkhoven, Rotterdam, Middelharnis, Ottoland, Zeist, Vinkeveen, Bergschenhoek, Krimpen aan de Lek, Doornspijk, Oldebroek, Benthuizen, den Bommel, Schoonrewoerd, Sprang, Tholen, Ooster-Nijkerk, den Ham, Oud-Beierland, Ameide, Bleskensgraaf, Raamsdonk, Vlissingen, Hoogeveen, Wateringen, Neerlangbroek de Bilt, Hoornaar, Hasselt, Leerdam, Gameren, Numansdorp, Bergambacht, Utrecht, Garderen, Giessendam, Ter Aar, Ouderkerk a.d. Ijsel, Andelst, Groot-Ammers, Bodegraven, Leerbroek, Hoevelaken, Delft, Oosterwolde, Kampen, Rijssen, Woubrugge, Nijkerk. Mijdrecht, Monster, Arnemuiden, Elburg en Wezep.

Behalve door de predikant-bestuursleden werden deze beurten vervuld door ds. Lans, dr. Severijn, ds. Kievit, ds. de Geus, ds. Kraaij, ds. Kijftenbelt, ds. Zandt, ds. Van de Pol, ds. Pop, ds Enkelaar, ds. Steenbeek, ds. Gunning, ds. Klomp (Kesteren), ds. Van Wijngaarden, ds. de Bruin, ds. Plantinga, ds. Batelaan, ds. Bartlema, ds.Van den Berg, ds. Dekker, ds. Bieshaar en ds. Holland.

Dat deze beurten althans financieel niet zonder vrucht zijn geweest, zal straks wel blijken uit het jaarverslag van onzen penningmeester. Mogen zij niet nalaten ook geestelijke vruchten af te werpen, die bevorderlijk zijn aan het schoone doel dat onze bond zich gekozen heeft. Zeer hopen we dat door al deze beurtende Gereformeerde Waarheid zoowel verbreid als verdedigd mag zijn. '

Van onze Fondsen is op onze Bestuursvergaderingen het Studiefonds telkens een onderwerp van bespreking geweest., doordat bij de Commissie ad hoc telkens aanvragen inkwamen, waarvan het meerendeel kon worden toegestaan.

Omtrent enkele aanvragen meende het Hoofdbestuur vooralsnog een afwachtende houding te moeten aannemen, omdat of aan de capaciteit tot studie óf aan het beginsel waaruit de gegadigde bleek te leven, eenige twijfel bestond.

' Omtrent de afdeelingsverslagen valt ook ditmaal meer te klagen dan te roemen. Slechts één afdeeling zond bij den secretaris een jaarverslag in. Het was de afdeeling te Feijenoord, die in het afgeloopen jaar 9 maandelijksche vergaderingen en 2 openbare vergaderingen hield en die een bloeiende Zondagsschool onder haar toezicht heeft.

En hiermee meenen wij van de voornaamste lotgevallen van ons Bondsleven een overzicht gegeven te hebben. Moge onze Bond in 's Heeren kracht voortgaan om den herbouw van Zions muren te zoeken en alzoo een zegen voor den Naam en de zaak des Heeren te zijn".

Na het verslag van den Secretaris verkrijgt de Penningmeester het woord. Op de gewone humoristische wijze geeft de heer Fliehe ons een overzicht van den staat van de kas van den Gereformeerden Bond, alsmede van de Waarheidsvriend en van de beide Fondsen die gewoonlijk als des Penningmeesters pleegkinderen worden aangeduid. Daaruit blijkt dat de inkomsten ook dit jaar nog weer waren toegenomen en dat niettegenstaande er geen bijzonder groote giften in eens waren ingekomen. Dat er nog ongeveer ƒ 1800 meer inkwam dan het toch al niet onaanzienlijke bedrag van het vorig jaar is zeker wel een bewijs dat onze Fondsen de liefde en sympathie hebben van ons Gereformeerde volk en dat onze Penningmeester ook nu weer door zijn woord de harten dermate had weten te treffen dat di§ liefde ook in daden was omgezet. Een woord van welverdienden dank aan onzen Penningmeester, alsmede aan zijn trouwe helpster, mej. Verbeek werd dan ook door onzen Voorzitter uitgesproken, en er was zeker niemand in de vergadering die aan dat woord zijn instemming onthield.

Intusschen was de uitslag van de inmiddels gehouden Bestuursverklezing bekend geworden. De heeren Duijmaer van Twist en Fliehe bleken met zoo goed als algemeene stemmen herkozen te zijn, terwijl in de plaats van wijlen ds. Boonstra met meerderheid van stemmen gekozen bleek ds. Beekenkamp van Oldebroek. Zoowel de beide aftredenden als het nieuw gekozen Bestuurslid lieten zich hun benoeming welgevallen. We twijfelen niet of In den Secretaris van den Gereformeerden Zendingsbond zullen we een waardig opvolger van wijlen ds. Boojtistra gevonden hebben, en wij hopen zeer dat hij niet de herkozenen nog lang tot bloei van onzen Bojid zal mogen werkzaam zijn.

Ten slotte komen nog de besprekingen aan de orde. De Voorzitter beantwoordt een vraag van den heer de Jeu te Oudshoorn, betreffende de oprichting van een Hervormde Kweekschool.

Uit dat antwoord blijkt, gelijk ook uit het verslag van den Secretaris reeds gebleken was, dat de oprichting van deze Kweek school een zaak is, waarmee het Hoofdbestuur zich nog steeds ernstig bezighoudt, maar dat het met het oog op de verschillende omstandigheden wenschelijk is om, alvorens bepaalde stappen van uitvoering te doen, eerst eens afwachten wat de nieuwe Onderwijswet ons in dezen brengen zal. Ds. Lans te Monster vraagt enkele inlichtingen over het optreden van predikanten in z.g.n. Evangelisaties, en meent dat er onderscheid moet gemaakt worden tusschen het vervullen van een bondsbeurt voor een afdeeling van den Bond en het optreden in plaatselijke Evangelisaties. Het hoofdbestuur blijkt bij monde van den voorzitter in deze zaak met ds. Lans geheel eenstemmig te zijn. De voorzitter wijst dan ook op het artikel in ons Statuut, waarbij bepaald wordt dat een afdeeling van den Bond niet mag evangeliseeren zonder toestemming van het hoofdbestuur. Het hoofdbestuur is echter niet bij machte om predikanten, die toch ergens willen gaan evangeliseeren, dat te beletten, maar zou het met ds. Lans en met ds. Pop, die zich ook in dit debat mengden, zeer toejuichen, als er ook in dezen onder de Gereformeerde predikanten onzer Kerk meer eenstemmigheid was.

Betreffende de evangelisatie te Boskoop wordt opgemerkt, dat deze als zoodanig geheel los staat van den Geref. Bond.

Verder worden door de afgevaardigden van de afd. „Rotterdam" nog enkele vragen gesteld over de vergadering die met predikanten van andere richting betreffende het kerkelijk vraagstuk gehouden is. Deze vragen worden, vooral met het oog op de door sommigen gewraakte samenwerking met de z.g.n. Ethischen, door den voorzitter in den breede beantwoord, hetgeen ten slotte ten gevolge heeft, dat een voorstel van den heer Brinkers te Utrecht wordt aangenomen, dat de vergadering het hoofdbestuur mandaat geeft om in dezen naar goedvinden te handelen.

Hierna is het meer dan tijd om de vergadering, die reeds aan het verloopen is, te sluiten. Naidat de voorzitter nog een Commissie benoemd heeft om de rekening van den penningmeester na te zien, bestaande uit de h.h. ds. Kijftenbelt te Bodegraven en Brinkers te Utrecht, en zijn dank gebracht heeft aan de bestuursleden van de afdeeling Utrecht voor het voorbereiden van deze vergadering, wordt op zijn verzoek deze goedgeslaagde samenkomst door den secre­taris met dankzegging geëindigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's