Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
Het is ons aangenaam ook nu weer een van de belangrijke artikelen van de hand van prof. dr. H. H. Kuyper over de financieele verhouding van Kerk en Staat uit „De Heraut" te mogen overnemen. Het luidt:
Geen gunst maar recht. VIII.
Zoo heeft de Overheid tijdens de Republiek dus metterdaad getoond als Dienaresse Gods voor de belangen der Kerk te waken, zij heeft, zooals ook onze Geloofsbelijdenis in Art. XXXVI het uitdrukt, het niet alleen als hare roeping beschouwd om acht te nemen op de Politie of Burgerlijke orde, maar ook om de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst,
In de eerste plaats heeft zij daartoe, krachtens het jus reformandae Ecclesiae, dat haar destijds werd toegekend, zelf met krachtige hand ingegrepen, om de publieke Kerk in ons land van misbruiken te zuiveren, en gelast, dat nu overal ; tWoord des Evangelies zou gepredikt worden door al wat in haar oog „afgoderij" en „valsche godsdienst" was, te verbieden, reformeerde zij ' de Kerk naar den Woorde Gods. Aan de vrijheid der conscientie deed zij niet tekort ; zelfs tolereerde zij, dat degenen, die anders dachten, godsdienstoefeningen hielden. Maar de publieke Kerk, waarvoor zij de zorg had, moest van alle paapsche superstitiën gereinigd worden.
En in de tweede plaats, waar destijds zulk een nauwe band tusschen de Overheid en de publieke Kerk bestond, trad de Overheid nu als voogd en voedsterheer der Kerk op en zorgde zij, dat de kerkelijke goederen en fondsen, die door onze voorvaderen voor den dienst Gods gegeven waren, voor de Kerk bestemd bleven. Zij heeft niet, zooals de Overheid elders wel deed na de Reformatie deze goederen en fondsen geconfisqueerd, om daarmede zichzelf te verrijken, maar deze ten dienste der Gereformeerde Kerken laten voortbestaan. Al heeft zij, door oologsnoodzaak gedwongen, een deel van deze goederen gebruikt, om de oorlogskosten te betalen, zoo was dit toch een uitzondering en het geschiedde bij wijze van „ieening", zoodat het eigendomsrecht der Kerken op deze goedéren erkend bleef. Zelfs Mr. Van Apeldoorn geeft dan ook toe, dat de „Overheid tijdens de Republiek in den eigendomstoestand der goederen in het algemeen geen wijziging heeft gebracht".!) Of men deze goederen als eigendom der plaatselijke Kerk wil beschouwen, gelijk onze Gereformeerde theologen en juristen alsHuber deden, dan wel, gelijk de nieuwere juristen doen, als zelfstandige fundaties, doet er minder toe. Want in elk geval wordt erkend, dat de Overheid deze fundaties heeft laten voortbestaan en in de eigendomsrechten dezer fundaties geen verandering heeft gebracht. En dat de inkomsten dezer fundaties dienden voor den eeredienst der tot reformatie gekomen Kerken, was niet te danken aan een gunst van de Overheid, maar daaraan, dat de Overheid erkende, dat de Gereformeerde Kerken met hare predikanten recht hadden op die inkomsten. Niet krachtens het vrije beschikkingsrecht, dat de Overheid zich gerechtigd achtte over deze goederen uit te oefenen, gelijk Mr. Van Apeldoorn beweert, maar omdat de Gereformeerde Kerk als de wettige continuatie van. die aloude Christelijke Kerk in ons land recht had op de inkomsten > dezer goederen, hebben de Gereformeerden de kerkgebouwen en pastoriehuizen in hun bezit gelcregen en de inkomsten dezer goederen genoten.
Dat het beheer over deze goederen niet door de Kerken zelf is gevoerd, maar door de Overheid is geregeld, vloeide deels daaruit voort, dat de Overheid als voedsterheer der Kerk optrad en nu de zorg voor de betaling der predikantstractementen op zich nam, deels daaruit, dat de Overheid, toen het Bisschoppelijke toezicht op deze goederen wegviel, de plaats van den Bisschop heeft ingenomen. Voorzoover de inkomsten dezer goederen voldoende waren om daaruit de predikantstractementen te betalen, bleef het beheer in handen van degenen, die dit beheer vroeger hebben uitgeoefend, zij het dan ook onder oppertoezicht van de Overheid. Waar die inkomsten niet voldoende waren, heeft de Overheid deze goederen wel onder haar beheer genomen en in geestelijke kantoren saamgebracht, maar zonder dat hiermede in dien eigendomstoestand deze goederen verandering aangebracht werd. De Overheid trad hier alleen, gelijk Mr. W. H. de Savornin Lohman terecht opmerkt, als voogd op, die de goederen van zijn pupil beheerde. Zelfs wanneer deze goederen verkocht werden, gelijk met het grootste deel dezer landerijen geschied is, werden daarvoor in de plaats obligaties ten laste van den Staat gegeven.
Alleen ten opzichte van de kloostergoederen, wier rechtstreeksche bestemming na de Reformatie verviel, heeft de Overheid, zooals we zagen, een vrijer beschikkingsrecht uitgeoefend. Maar ook bij de nadere bestemming aan deze goederen door de Overheid gegeven, heeft de Overheid toch nooit het standpunt ingenomen, dat zij met deze goederen mocht doen, wat haar goeddacht ; zij erkende de pieuze bestemming dezer goederen en bestemde ze daarom voor de betaling der predikantstractementen, voor de Christelijke scholen en voor de verzorging der armen. Het pieus karakter dezer goederen bleef dus gehandhaafd.
Zoo was de betaling der predikantstractementen niet een weldaad of aalmoes, door de Overheid aan de Kerken geschonken, maar berustte zij deels daarop, dat de Overheid de kerkelijke goederen onder haar beheer had genomen, deels daarop, dat de inkomsten der kloostergoederen hiervoor bestemd waren als het meest voor de hand liggende doel.En waar de inkomsten van deze beide, èn de kerkelijke-èn de kloostergoederen, niet voldoende waren en de Overheid door het heffen van belastingen in het tekort voorzag, mag daarbij niet vergeten worden, dat de Overheid uit oorlogsnoodzaak, om 's Lands schulden te betalen, tal van deze goederen verkocht had en daaruit vanzelf de verplichting voortvloeide om in de predikantstractementen te voorzien. Dat „bijpassen" was, zooals Voetius het uitdrukte, niet anders dan een rechtvaardige restitutie van wat de Overheid ten dienste van het Land genaast en verkocht had. En zelfs Hugo de Groot, die anders waarlijk geen vriend was van de Gereformeerde Kerk stemt hierin met Voetius overeen.
Aan de historische rechten der Gereformeerde Kerken zoowel op deze kerkelijke goederen, als op de betaling der predikantstractementen, kan derhalve niet getwijfeld worden. Noch het bezit van deze goederen, noch het genot van deze predikantstractementen was aan een gunst der Overheid te danken, maar vloeide van zelf daaruit voort, dat de Gereformeerde Kerk, ook naar het oordeel der Overheid, geen niéuwe stichting was, maar de wettige voortzetting van de aloude Christelijke Kerk in ons vaderland
Geheel anders werd de toestand, toen na de Staatsomwenteling van 1795 hier de Balaafsche Republiek werd uitgeroepen, de Fransche revolutionaire ideeën de overhand kregen en een der eerste daden van de Nationale vergadering, die nu het bewind in handen nam, was, den band met de Gereformeerde Kerk te verbreken ; de , , heerschende Kerk" af te schaffen en aan eiken voorrang aan de Gereformeerde Kerken geschonken, een einde te maken, zoodat voortaan aan alle gezindten volkomen staatsrechtelijke gelijkheid geschonken werd.
Op de vraag, of deze daad voor de Gere formeerde Kerk voordeelig dan wel nadeelig is geweest, behoeven we hier niet in te gaan. Zoolang de Overheid zelf professie deed van de Gereformeerde religie, kon er reden wezen om de Gereformeerde Kerk als de publieke Kerk of heerschende Kerk te erkennen, maar toen de Overheid dit confessioneele standpunt losliet en geheel onder den invloed kwam van de revolutionaire ideeën, was het zeker winst, dat de band tusschen Staat en Kerk verbroken werd. Er zullen dan ook weinig Gereformeerden zijn, die een herstel van den toestand vóór de Revolutie begeeren. De vrijheid, waarin de Kerk zich thans verheugen mag, is grooter goed dan de bevoorrechting door den Staat, die — de historie onzer Kerk tijdens de Republiek heeft dit maar al te droef geleerd, — telkens op knechting van de Kerk uitliep.
Er is dan ook geen sprake van, dat wij het op zich zelf zouden afkeuren, dat de Overheid, na de revolutie van 1795, de Gereformeerde Kerk niet langer als de „heerschende" Kerk erkende, maar alle Kerken gelijk stelde voor de wet. Al was het beginsel, waaruit de Overheid dit deed, een revolutionair beginsel, het feit zelf betreuren we niet. En evenmin denken we er aan voor de Gereformeerde Kerk een herstel te vragen van de positie, die zij vóór 1795 innam. En we spreken dit daarom zoo beslist uit, omdat mr. Van Apeldoorn min of meer den indruk geeft, alsof degenen, die voor de histoiische rechten der Kerk ten opzichte van de kerkegoederen opkomen, , eigenlijk terug zouden willen keeren naar den toestand, toen de Overheid de Gereformeerde Kerk als publieke Kerk erkende. 2) Het feit van de scheiding tusschen Staat en Kerk in den zin, dien men gewoonlijk er aan hecht, aanvaarden we ten volle. Wat we alleen bestrijden is, dat de Overheid tengevolge van de ontbinding van het huwelijk tusschen Staat en Kerk het recht zou hebben gehad. vrij over de goederen der Kerk te beschikken, zoodat het aan haar stond te bepalen, waarvoor deze goederen voortaan zouden bestemd worden.
Juist uit de ontbinding van het huwelijk tusschen Staat en Kerk volgde, dat de Overheid ophield als Opperbeheerder van deze goederen op te treden. Haar beheersrecht over deze goederen ontleende zij daaraan, gelijk zij zelf had uitgesproken, dat zij als voogd en voedsterheer der Kerk optrad. Maar zotrdra de Overheid zich niet langer geroepen achtte voogd en voedsterheer der Kerk te zijn, had zij over deze goederen der Kerk ook niet meer te beschikken, en nog veel minder had zij het recht deze goederen tot nationaal eigendomte verklaren. Volkomen terecht heeft mr. Gratama in zijn recensie van de dissertatie van mr. jhr. B. M. de Jonge V. Ellemeet opgemerkt, dat de hoofdvraag is, of de Overheid tijdens de Republiek als eigenaresse dan wel als beheerster over deze goederen beschikt heeft.3)Was de Overheid eigenaresse, dan kon zij, ook waar haar band met de Kerk ophield, met deze goederen doen wat zij wilde. Maar als de Overheid alleen het beheer over deze goederen voerde als voogd der Kerk, dan volgt daaruit vanzelf, dat zoodra deze voogdijschap ophield en daarmede de Overheid ook ophield het opperbestuur over de kerkelijke en geestelijke goederen te voeren, het recht der Overheid om over deze goederen te beschikken, verviel.
Het is daarom, dat we aan mr. Van Apeldoorn niet kunnen toegeven, dat „de Overheid, nu zij eenmaal het standpunt innam, (n.l. dat zij de Gereformeerde Kerk niet langer als de ware Kerk erkende) daaruit ten opzichte van de kerkelijke goederen de consequenties getrokken heeft welke alleszins logisch mogen heeten, en dat zij in beginsel niet anders heeft gedaan dan de Gereformeerde Overheid deed na het verbod der Katholieke religie." 4)
De eenige logische consequentie van het neutrale standpunt, door deOverheid na 1795 ten opzichte van de Kerken ingenomen, zou geweest zijn, dat de Overheid van elke bemoeiing met het beheer dezer goederen zich onthouden had. Zoolang de Overheid meende te kunnen uitmaken, welke de ware Kerk was, stond het aan haar, als voedsterheer der Kerk, te zorgen, dat de goederen voor den eeredienst geschonken, ook ten bate van deze Kerk kwamen. Maar van het oogenblik af, dat zij verklaarde, dit niet te kunnen doen en daarom alle Kerken als gelijk te beschouwen, kon zij over deze goederen ook geen beschikkingen meer nemen. Ze was nu geen voogd en voedsterheer der Kerk meer. Een souverein recht om over deze goederen der Kerk te beschikken naar haar welgevallen, bezit de Overheid niet. Ze had, wanneer zij de Gereformeerde Kerk niet wilde handhaven in het bezit of genot dezer goederen, óf aan den rechter de beslissing moeten overlaten, aan wie deze goederen toekwamen óf ze had een minnelijke schikking kunnen bevorderen tusschen de Kerken, die op deze goederen 'n aanspraak maakten.
En nog veel minder juist is het, dat de Overheid in 1798 niet anders heeft gedaan dan de Gereformeerde Overheid deed na de Reformatie. Revolutie en Reformatie hebben niets met elkander gemeen. Er is dan ook geen grooter tegenstelling denkbaar, dan wanneer men ziet, hoe de Gereformeerde Overheid in de 16e eeuw ten opzichte van deze goederen gehandeld heeft en wat de revolutionaire Overheid in 1798 heeft gedaan. Het duidelijkst zal dit blijken, wanneer we in een volgend artikel nagaan, hoe de Nationale Vergadering in 1798 over deze goederen gedacht en wat ze tenslotte over deze goederen besloten heeft.
1; MR. VAN APELDOORN. De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat, blz. 31.
2) t. a. p. blz. 18.
3) In het Nederlandsch Archievenblad No. 1 van 1907/'08. Zie MR. J.F. VAN BEECK CALKOEN, Onderzoek naar den rechtstoestand der Geestelijke eti Kerkelijke goederen in Holland na de Reformatie, blz. 286 noot 2.
4) t. a, p. blz. 18.
En toch is het daar op Duinoord tusschen Den Haag. en Scheveningen zoo mooi wonen !
Dat ziet b.v. op arbeid onder de militairen. Dat kan ook zien op evangelisatiearbeid ; ook natuurlijk op evangelisatiewerk onder de intellectueelen.
Wel aardig bedacht.
In den Haag zijn 14 Herv. predikanten, terwijl een 15de predikantsplaats is gesticht.
Van die 14 predikanten — straks 15 in getal — zijn er een zestal, die tot de ethischen behooren ; en wel de predikanten van Gheel Gildemeester, Vermeer, Welter, Cramer, Schuller en Molenaar.
Verder vindt men er een zevental confessioneele predikanten ; 't zijn de heeren Posthumus Meijjes, H. Schokking, M. M. den Hertog, de Bie, Troelstra, van den Bosch en te Winkel.
Voorts is er één vacature : dr. Gerritsen (ethisch) en dan moet voorzien worden in de 15de predikantsplaats, welke pas gesticht is.
Wat zou men beroepen in die twee vacante plaatsen-?
De Confessioneele Kiesvereeniging „Evangelie en Belijdenis" heeft zoowat het roer in handen ; dat is bij de laatste beroepen en verkiezingen wel gebleken.
En dus die Kiesvereeniging zou wel weer de lakens uitdeelen, dacht men.
Maar daar wilde de Kerkeraad een stokje voor 'steken. Want die Kiesvereenigingen zijn zoo partijdig en zoo onverstandig. En daarom bedacht de Kerkeraad van den Haag een nieuw middel, om de zaken in het rechte spoor te leiden en te houden.
Zij redeneerden zoo : ' de menschen van de confessie hebben de meerderheid ; ook in het kiescollege. En dat kiescollege is niet op zij te zetten. De confessioneelen zijn daar aan 't woord. Daarom werd dan ook door den Kerkeraad — die overigens niets te zeggen heeft bij 't beroepingswerk, doch zich eenvoudig gebonden weet aan de uitspraken van het Kiescollege — voor de nieuwe predikantsplaats een confessioneel drietal aangewezen. Dat zou het Kiescollege wel goed vinden.
Maar in de vac. Gerritsen (ethisch) moest dan, naar het oordeel van den Kerkeraad, een ethisch domine beroepen worden en daa'rom werd dan ook naast het confessioneele drietal een ethisch drietal opgemaakt en bij het Kiescollege aanbevolen.
Toch wel aardig bedacht
Zoo kon naast een confessioneel predikant (de 8ste dan) een ethisch domine worden binnen geloodst (de 7de in den kring) — en de gereformeerden konden voor de zöoveelste maal toekijken en op een strooitje bijten.
Neen, dat had de Kerkeraad van den Haag, die de eerste Kerkeraad is welke buiten het Kiescollege om, leiding aan het beroepingswerk wil geven, nu anders moeten aanpakken. Een beetje rechtvaardiger en verstandiger. Dan had het een mooi begin geweest in deze. Wat nu totaal verknoeid is. Gelukkig, dat de kiesvereeniging „Evangelie en Belijdenis" verstandiger is geweest en gezegd heeft : we moeten hier in Den Haag nu ook eens eindelijk een gereformeerden dominee hebben en daarom stellen we voor om naast het zestal ethische predikanten en het zevental confessioneelen, in de vacature-Gerritsen geen ethisch man té beroepen, maar een gereformeerd predikant, zooals ds. Van Dorp, van Rotterdam, ds. Remme, van Huizen of ds. Bieshaar, van Utrecht.
Waar we de handelwijze van den kerkeraad in 's-Gravenhage in deze niet prijzen kunnen, hebben we een woord van lof voor de kiesvereeniging „Evangelie en Belijdenis" en voor het besluit van het kiescollege, en we hopen hartelijk, dat de Heere den gang van zaken verder met Zijn zegen gunstrijk mag kronen.
Ja — daar mag Amsterdam nu wel eens een voorbeeld aan nemen.
Daar zijn de confessioneele broeders nog niet tot zoo'n hoog standpunt gekomen.
Wat voor de kerkelijke gemeente daar beslist tot schade is. Een treurig teeken.
In de Ned. Herv. Gemeente van Zutphen, waar één rechtzinnig predikant staat, en waar 4 predikanten zijn van moderne of Evangelische richting, bestaat een Commissie, die ingesteld is om de leden der gemeente te bezoeken en hen dan omtrent de kerkelijke zaken wat op de hoogte te stellen. Zoo krijgt b.v. ieder die met attestatie inkomt van een of meer van die leden der Commissie van Bijstand bezoek en kan zich daardoor wat gemakkelijker aanpassen aan den gang van het kerkelijk leven.
Een uitnemende zaak, welke elders navolging verdient. Want vooral in de steden is de klacht algemeen : „Ik heb nooit iemand van de Kerk gezien." En daar verschuilt men zich achter, om nooit ook zelf dan naar de Kerk om te zien.
Die Commissie van Bijstand in Zutphen vraagt telkens bij nieuw ingekomenen, of men bezoek van een predikant wenschte. Zoo ja, dan wordt de predikant, dien men begeert, gewaarschuwd en men kan op zijn komst rekenen.
Heel veel ambitie blijkt er evenwel in Zutphen niet te zijn, om eens met een dominee
En wat is hier nu nog bij op te merken ?
In „Ons Blad" waarin ds. Faber (modern) de cijfers meedeelt, wordt vermeld welke doniiné's zooal door de 149 belangstellenden werden begeerd en dan krijgt men dit lijstje : 79 vraagden bezoek van ds. C. J. van Paassen (rechtzinnig) ; 21 van ds. Fetter (die vertrokken is en modern was) ; 21 van ds. J. L. Faber (modern) ; 16 van ds. J. Henzel (Groningsch) en 2 van dr. Van den Bergh van Eysinga (ultra-modern.)
Nadere explicatie is hier wel overbodig.
De orthodoxe predikant, die alléén staat, meer aanzoek dan de 4 vrijzinnige predikanten saam !
En zoo is er bij het overigens zoo treurig verschijnsel nog iets verblijdends.
Is dét nu de manier ?
In Den Haag is de ethische invloed sterk aan 't afnemen. Héél veel kans om er een ethisch predikant bij te krijgen is er niet. Men heeft het nog even geprobeerd in de vacature-dr. Gerritsen; maar die kans is vrijwel verkeken. Toch zouden de ethischen graag nog een domine hebben.
En er is een plan gerezen.
Daar ligt Duinoord ; en daar is een heele wijk in wording. Daar wonen nog al wat „intellectueelen" ; tenminste van die OWers, met wat intellectueelen er tusschen en dan een heele reeks van huizen en straten, waar gewone menschen wonen of komen wonen, die overal in Den Haag te vinden zijn.
Dat is de wijk der „intellectueelen" geworden nu.
En daar hoort natuurlijk een ethisch domine te werken.
Vandaar het plan om voor de Duinoordwijk een ethisch predikant te beroepen.
Maar het kiescollege in Den Haag is niet te vertrouwen.
Anders kon natuurlijk een nieuwe predikantsplaats gesticht worden en de beroepen predikant voor de Duinoord-wijk worden aangewezen. Beter nog, er zou een z.g.n. Buurtgemeente kunnen worden gesticht, met eigen kerkeraad en eigen predikant, met eigen kerk en pastorie.
Evenwel stuit in Den Haag voor de ethischen nu alles af op het niet-ethische kiescollege. En zoo kan „Duinoord" niet speciaal ethisch gemaakt en gehouden worden.
Als deel van de Haagsche Gemeente zal het op gelijken voet behandeld moeten worden als de andere deelen der Gemeente.
Nu is er een Commissie gevormd, speciaal om voor de geestelijke belangen van Duinoord te zorgen. Een Commissie bestaande uit ethische menschen. Die ethische menschen laten een kerk bouwen met pastorie. Die ethische menschen hebben een domine benoemd, — ds. Creutzberg, van IJmuiden — en nu zal daar in die Duinoordkerk het ethisch beginsel alleen zeggenschap hebben.,
Doch daar is een schaduwzijde aan verbonden. Heel die beweging zal natuurlijk niet-kerkelijk zijn. En de domine die daar komt, zal buiten de Kerk komen staan.
Dat is vervelend. Vooral voor den dominee.
En daarom is er nu dit op gevonden. De Duinoord-kerk is juist precies op Scheveningschen grond gebouwd.
Als nu de Scheveningsche kerkeraad en het Scheveningsche kiescollege zich er eens voor wilden laten gebruiken, om zoogenaamd een nieuwe predikantsplaats te stichten — betaald door de Haagsche ethische Duinoord-Commissie — en als dan het kiescollege van Scheveningen eens ds. Creutzberg beroepen ging. Da"n was ds. Creutzberg zoogenaamd predikant van Scheveningen — kerkvoogden en kerkeraad van Scheveningen stonden natuurlijk in werkelijkheid buiten alles ! — en de ethischen in Den Haag hadden een Duinoord-wijk met eigen predikant, speciaal voor Duinoord bestemd.
Zoo kon men, met de ethische portemonnaie toch z'n doel bereiken.
Maar is daarvoor nu de bepaling in het Regl. voor de kerkeraden ingebracht „predikanten kunnen voor de vervulling van een of meer bizondere werkzaamheden worden btroepen en in verband daarmede geheel of gedeeltelijk van de andere werkzaamheden worden vrij gesteld ? "
Wij gelooven er niets van.
Maar dat is niet om in een bepaalde wijk een bepaald wijkpredikant te kunnen beroepen, die overigens een doodgewoon predikant is, net als al de andere predikanten, maar dan van een bepaalde kleur, door een bepaalde Vereeniging uitgekozen.
Ons dunkt, noch de kerkvoogden, noch de kerkeraad, noch het kiescollege van Scheveningen kunnen en zullen ook maar één oogenblik denken over deze zaak, welke door de ethische Duinoord-Commissie of predikant aanhangig gemaakt is.
Vindt men in Den Haag of in Scheveningen dat er niet genoeg predikanten zijn om allen arbeid in de gemeente te verrichten, dan moet en kan er een nieuwe predikants
En is er een speciale werkzaamheid __ wat in de Duinoord-wijk heelemaal niet is — dat dan de kerkeraad hierin beslisse naar uitwijzen van het Reglement, waarbij dan verder ook gewoon in den Reglementairen weg gehandeld en gewandeld moet worden.
Wat de Duinoord-Commissie nu wil trachten te doen, om door het kiescollege van Scheveningen een door de-Commissie aangewezen predikant te laten beroepen, lijkt ons heelemaal absurd.
En in Scheveningen zal men wel bedanken voor de eer, veronderstellen we.
Dat hoort onder ons niet thuis.
De Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden te Rotterdam heeft aan den kerkeraad een verzoek gericht om 's Zondags of op eenige Zondagen in het jaar een der kerkgebouwen ter beschikking der Vereeniging te stellen, om aldaar godsdienstoefening jn vrijzinnigen geest te houden. De opkomst bij de godsdienstoefeningen in de Nutszaal, zoo schrijft men, wijst er op, dat daaraan steeds stijgende behoefte bestaat.
In Februari 1911 werd het zelfde verzoek gedaan. De kerkeraad beschikte daarop afwijzend, daarbij twee argumenten gebruikend : Ie. de kerkeraad heeft rekening te houden met de lijnen door het kiescollege aangegeven ; 2e. een prediking in vrijzinnigen geest werd door den kerkeraad in strijd geacht met wat z.i. onder EvangelJeprediking verstaan moet worden.
Sub 1, merkt thans de Vereeniging van Vrijz.-Hervormden in bovengenoemd adres op, „dat, wanneer de kerkeraad uitsluitend die lijnen volgt, slechts voorzien wordt in de geestelijke behoeften van één deel der gemeenteleden, n.l. de ultra-orthodoxe partij Wij gelooven toch niet, dat u als Christenen, de alléénheerschappij in de Ned. Herv. Kerk zult willen opeischen, daarbij geen acht slaande op .de geestelijke belangen der anderen. Ook wij vrijzinnigen zijn op rechtmatige wijze lid van de Ned. Herv. Kerk, die ons steeds ief en dierbaar blijft, niettegenstaande men de rechten eener belangrijke minderheid tot heden in onze gemeente niet erkent. Ook wij worden door de zelfde kerkelijke wet beschermd als de gereformeerden, confessioneelen en ethischen."
Sub 2 spreekt de vereeniging de hoop uit , , dat dit verouderd standpunt" thans niet meer dat van den kerkeraad zal zijn. Ook vrijzinnigen prediken „den Christus." Zij het op andere wijze dan de orthodoxen. Beiden vinden rechtmatige plaats in de Ned. Herv. Kerk. Waarom dan de eersten onderdrukt ? Bovendien loopt onbevredigdheid met de orthodoxe geloofsprediking, bij niet voldoende voorzien in andersoortige, vrijzinnige geloofsprediking, uit op onverschilligheid en ongeloof, waarvoor de kerkeraad toch geen verantwoordelijkheid zal willen dragen."
Tot zoover het adres van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden, welk adres ze óók verzonden hebben aan den Hervormden kerkeraad te Delfshaven.
Wij behoeven bij deze dingen niet lang stil te staan.
Want het is weer de oude fout in de redeneering, dat men beweert als „vrijzinnigen" in de Herv. Kerk evenveel recht te hebben als de „ethischen", de „confessioneelen", de „gereformeerden", enz.
Onze Kerk bestaat niet uit partijen. Onze Herv. Kerk staat op den grondslag van Gods Woord en de belijdenis.
Ieder die in de Herv. Kerk leeft moet zich daarmee kunnen vereenigen ; en verder wordt niet gevraagd of iemand modern, ethisch, confessioneel of gereformeerd is.
Op den grondslag van Gods heilig Woord en de basis onzer kerkelijke belijdenisschriften behoort ieder te staan, óók de kerkeraden, die tot verzorging van de Gemeenten geroepen zijn.
Nu zouden we op dien grondslag met ieder willen praten, die zich mede op dien grondslag plaatsen wil.
Maar zij, die geheel afgegleden zijn van de basis der hoofdwaarheden van het Evangelie, hooren in onze Herv. Kerk niet thuis.
En aan de menschen een Evangelieverkondiging te geven, waar het hart van het Evangelie uit weggerukt is, zou van een kerkeraad, die beter weet, onverantwoordelijk en onbarmhartig zijn.
Een vader of moeder geeft ook maar niet aan een der kinderen, wat deze vraagt „oindat hij het zoo graag wil." Als 't geen hij „zoo graag wil" glad verkeerd is, weigert de vader of moeder; ook al meent het kind, met hangende lip, dat hem „onrecht" wordt aangedaan.
Maar is dat wel zoo, dat de modernen afgegleden zijn van de basis van Gods Woord en den grondslag der belijdenis ? En is het wel zoo, dat het evangelie, hetwelk zij brengen en begeeren, geen evangelie, geen goddelijke blijde boodschap meer is, 't welk armen zondaren dan ook niet kan geven wat 't hoogste goed is ?
Ja — helaas ! is dat zoo.
En om nu zonder veel redeneeren dit toch even met de stukken te bewijzen, laten we hier volgen een „Stichtelijke overdenking" uit het weekblad voor de Vrijz. Hervormden gaande over de verschijning van den Heere Jezus aan de Emmaüsgangers, waaruit blijkt dat Jezus gestolen is. Hij is er niet meer in. En zoo gaat het lijnrecht in tegen Gods heilig Woord ; lijnrecht in tegen-onze belijdenis — onthoudende wat het allernoodzakelijkste is voor een zondaarshart, dat Jezus Christus waarlijk uit de dooden is opgestaan
En nu moet men het ons niet al te zeer Kwalijk nemen, als wij bij zuik een vaisch evangelie, waarbij de dierbaare waarheid van Gods Woord verworpen wordt, er geen oogenbük over denken, om voor zulk een zaak plaats te ruimen In onze Herv. Kerk.
Dat ïs geen evangeiie-verkondiging. Dat is geen Christus-prediking.
En dat hoort allerminst thuis in onze Herv. Kerk, gelijk ieder die tot haar toetreedt zéér wel weet of behoort te weten.
En nu bedoelde ..Stichtelijke overdenking", weike blijkbaar van de hand van ds. .Meindersma van den Bosch is.
„Een der mooiste verschijningsverhalen is wel dat hetwelk bekend staat onder den naam , , de Emmaüsgangers."
Twee volgelingen van Jezus gingen op den Zaterdagmorgen na den noodlottigen Vrijdag van Jerazalem naar Emmaös. Hunne harten waren bezwaard, en hunne gesprekken liepen over de treurige voorvallen der laatste dagen. Een derde voegde zich bij hen, en vroeg naar wat zij verhandelden, en waarom zij zoo droevig zagen. Het was de Heer. die naast hen ging. maar hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden.
Zij storten hunne harten uit, en de onbekende vertroost hen. en als zij inkeercn in een huis, dan noodigen zij hem met de woorden : ..Blijf met ons, want het is bij den avond, en de dag is gedaald." "En hij gaat naar binnen, en spreekt den zegen uit over het brood, breekt het en geeft het hun.
En nu worden hunne oogen geopend, en kennen zij Jezus, doch op hetzelfde oogenbiik is hij verdwenen. .Maar de moed is weer levend bij hen geworden. Nu begrijpen zij wat eerst hun raadselachtig was, nu is het geloof versterkt en bekrachtigd.
Wij voor ons kunnen niet anders dan dit verhaal zinnebeeldig verstaan, en wij meenen ook. dat gansch de inkleeding ons daartoe recht en reden geeft. En wij gevoelen ons aan deze mannen verwant: wij zijn dikwijls als zij, die een gang naar Emmaüs deden, en op den weg werden vertroost, enz, "
Hier is dus een verschijning (op Zaterdagmorgen nog wel) waarbij niemand verschijnt.
„Ze hebben mijnen Heere weggenomen'' kunnen we hier met Maria .Magdalena uitroepen.
En neen — wie zóó Gods Woord verknoeit en-geweld aandoet, hoort niet in onze Herv. .Kerk thuis '
Ook bij alle schoone woorden wordt hier geen fondament ter zaligheid gelegd. En dat hebben we noodig in het midden van ons volk en in het midden van onze Kerk.
Wij hebben iets beters.
De modernen, die de Godheid van Christus loochenen, die de verzoenende kracht van Zijn bloed ontkennen, die de wonderverhalen der Evangelisten anders uitleggen. die de opstanding van Christus uit de dooden bestrijden, als zijnde niet waar gebeurd, leggen óók Christenen te zijn en beweren ook het evangelie te verkondigen den menschen. .Maar zij dwalen hierin. Want zij twijfelen, waar Gods Woord spreekt
Zij loochenen. wat het Heilig Evangelie ons brengt.
Dat hebben Luther. ZwingH, Caivijn anders gedaan. Die hebben gevoeld, geloofd er. beleden wat de oude Christeniieid voelde, geloofde en beleed.
En dezelfde kracht Gods tot zaligheid hebben de Hervormers daarin gekend als de apostelen.
Pauius heeft als onderstelling de geschiedkundige betrouwbaarheid der Evangeliën. .-Als het leven van Christus, naar de Evangeliën, geen feit is, dan valt Pauius als stof ineen.
En ook de Hervormers vallen in stof uiteen, zoodra de grondslag hunner rechtvaardigingsprediking eene stomme dwaling ware. Hier ligt het criterium, het punt waar ales om draait
Te twijfelen staat zoo mooi. zoo voornaam. Zoo geleerd.
En daarom twijfelt men aan alles. Oók of God wel bestaat vraagt men met een ernstig gezicht
Ook of Christus wel bestaan heeft verte!t men diepzinnig onder elkander.
Maar hierin twijfelen wij niet Gods Woord twijfelt hier ook niet De apostelen twijfelen ook niet De oude Christenheid twijfelde ook niet De Hervormers hebben ook niet getwijfeld Onze belqdenis twijfelt ook niet Orize Herv. Kerk twijfelt ook niet God bestaat Christus bestaat
En zooais de Handelingen der .Apostelen ineenzakken als de Evangelisten zich schuldïg gemaakt hebben aan vroom bedrog: zooals de brieven enkel en alleen steunen op den verlossingsweg over Golgotha; zooals de .Apostelen roemend in niets anders dan de opstanding van Christus, zóó zullen wij ook niet twijfelen in deze. maar gelooven en belijden, wat Gods Woord ons in deze leert.
Wij laten ons niet ontnemen wat zeker en waarachdg is : wat steeds de grond van het christelijk geloof is geweest. En waar de Apostel zegt: „indien Christus niet opgewekt is zoo is uw geloof te vergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden, zoo zijn ook verloren degenen, die ïn Christus ontslapen zijn" — daar is het heilige onverdraagzaamheid, wanneer wij in onze Herv. Kerk geen ander Evangelie dulden, dan in Gods Woord is geopenbaard.
We willen den menschen geen ander Evangelie geven, omdat zij aan een ander Evangelie niets hebben.
Dan worden ze eenvoudig gevuld met filosofische beschouwingen ; en alles wordt opgebouwd uit de natnurtijke ontwikkeling van het persoonlijk leven.
Wij kennen gelukkig een ander fundament ; een andere bron : een anderen troostgrond.
En omdat we een ander Evangelie kennen, dan de ontkennende en de twijfelende modernen, geven we den menschen ook dat andere Godsgetuigenis, dat zooveel vaster staat en zooveel heerlijker is.
Omdat we iets beters hebben, willen we , 'I het slechte niet duiden.
Hierin twijfelen we niet.Hierin twijfelen we niet geen oogenblik. '
Omdat alle menschen, boe verschillend ook in leeftijd, hoe onderscheiden ook in belangensfeer en temperament in den grond dezelfde natuur hebben en dezelfde veriossing behoeven, waarvan de christen in den Catechismus getuigt: , , dit is mijn eenige troojst beide in leven en in sterven, dat ïk niets mijns maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Die met Zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle geweid des duivels verlost heeft."
Dat is het Evangelie, waarvan Jezus gezegd heeft : „predikt het allen creaturen". En Eén is onze .Meester !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's