De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus : „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij liever dan dezen? ; Joh. 21 : 15—17.

„HEBT GIJ MIJ LIEF ? "

Wij lezen van Paulus, dat hij zich daarover verblijdde, dat zijne Corinthiërs bedroefd waren geweest. Niet, dat hij er behagen in had om hen te bedroeven, integendeel, dat berouwde hem, doch nu hij de vruchten zag, had hij er geen spijt van.

Beter, een wonde te ontvangen, waarop een eeuwige genezing volgt, dan zonder wonde, maar dan ook eeuwig krank te blijven.

Ik wil niet zeggen, dat de wereld er menigmaal geen lust in heeft om op wreede wijze oude wonden weer open te rijten. Doch als het om genezing gaat van den patiënt, dan is dat het groote wereldverzuim, dat zij de dingen laat, zooals ze zijn.

Wij zien dit met name in onze dagen. Allerwegen openbaart zich bij de Gode vijandige wereld het streven om af te breken en te vernietigen zonder meer. Dat is het helsch genot van de mannen der revolutie. Het is het revolutionaire „neen !"

Hoe geheel anders gaat het dan toe in het Koninkrijk Gods. Dat bemerken wij aan Paulus, dien wij daarboven aanhaalden. En hij heeft het van den Heere geleerd. Wanneer er op het erf der genade dingen gebeurden, die niet hadden moeten plaats hebben, dan laat de Heere die niet zooals ze zijn. Hij laat ze niet passeeren. Wanneer het niet anders kan, welaan de oude wonden moeten geopend worden, doch ter volkomen genezing.

Daar mag de zonde allerminst geduld of toegelaten. Hoeveel moet er afgeleerd worden, dikwijls onder tranen en droefenissen. En daartoe geeft Hij zulk een teeder onderricht. En als de hoogmoed dan weer weggeslagen is, opent Hij de armen weer en zegt : „alles is vergeven en vergeten." Slechts onopgemerkt gaat Hij niets voorbij. Hij zou niet oprecht met hen omgaan, wanneer Hij dat wel deed.

Bedroeven ter bekeering, dat doet de Heere de Zijnen telkens weer om hen aldus te louteren, te beproeven en straks te verlilijden met Zijne liefde.

Zoo komt de Heere Jezus hier tot Simon met een driemaal herhaalde vraag. Zes andere discipelen waren er bij tegenwoordig. Gij ook heden in den geest, lezer ? Mogen wij verstaan, hoe die vraag des Heeren ook bij ons om een antwoord roept, want, hierom gaat het toch boven alles : „Hebt gij Mij lief ? "

De onbekeerde wereld zal tenslotte aan eigen liefdeloosheid sterven.

Wij vinden den Heere met de discipelen weder aan de zee van Tiberias. Het heerlijke feit Zijner opstanding lag nu in tusschen Zijne verhooging aan het kruis en deze stonde. Uit de dooden was de Heere den Zijnen weergegeven en hunne stemming moet overeengekomen zijn met die van Abraham als hij zijnen zoon Izaak bij gelijkenis als uit de dooden ontving.

Zooeven was Hij hun verschenen en had Hij zich bewezen te zijn wie Hij is, in de wonderbare vischvangst.

Toen was het gewone menschelijke hand-werk, dat zij, zonder nadere instructies weer liadden opgevat, uitgeloopen op de verheerlijking van den opgestanen Heiland. Ze Hadden hun trek gedaan met het net. En daarna hadden zij hun trek, d.w.z. hunne trekking betoond, elk op zijne wijze.

Aan den oever vonden zij een kolenvuur gereed en visch daarop liggen en brood. En daar hielden zij het middagmaal,

Zal Simon, Jona's zoon, nog iets gedacht hebben ? Mij dunkt, hij kon wel denken : „wederom bij 't kolenvuur." Hier deugde het beter voor hem dan bij dat andere, al zou hij ook hier moeite krijgen. Maar daar kreeg hij moeite van de zijde der wereld en hier van de zijde des Heeren Jezus.

Het middagmaal was afgeloopen. De tijd voor het vertrouwelijk gesprek was daarmee gekomen. Wie zou het gesprek openen? Kinderen moeten zwijgen, als vader wat zeg gen wil. Ook de discipel, als de Meester wil spreken.

Daarom moesten zij ook hier wachten. Eertijds klonk het in het huis van den Farizeeër : „Simon, ik heb u wat te zeggen." En hij antwoordde : „Meester, zeg het."

Zal het hart van dezen Simon hier niet geklopt hebben ?

Daar zat toch nog iets tusschen den Heere en hem ; daar moest nog iets vereffend worden, namelijk. hetgeen .Simon in - Kajaphas' voorhof had gedaan. Wel kon hij het weten, dat de Heere hem vergeven had. Zeg aan Zijnen discipelen, en aan Petrus I" zoo had het geklonken uit den mond des engels.

De Heere was ook van Simon gezien. Maar bepaalde woorden schenen er nog niet over gesproken te zijn.

De Heere opent dan het gesprek, niet met een verwijt, maar met de vraag : „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij liever dan dezen ? "

Christus noemt hem hier bij zijn ouden naam ; bij datgene, wat hij van huisuit was. De Heere begint in die naamgeving met hem van onderen op. Niet „Petrus", rotsman.

Hij wordt genoemd bij zijn familienaam, niet bij zijn genade-naam.

„Liever dan dezen? " zegt de Heere en daarbij zal Hij wel gewezen hebben op de zes andere discipelen. Anderen willen hier lezen : „liever dan dit ? " namelijk uw handwerk, uw beroep, doch de eerste verklaring heeft meer zin.

Daarmee herinnert de Heere hem aan zijn boute woorden : „al werden zij allen geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.

„Gij Simon, zijt gij nog de dapperste, de voorvechter, de eerste in uw oog ? "

Wel diep beschamend is die vraag, hoewel het nog een zachte straf voor Petrus was. Daar zijn gedurig, tijden in het leven van Gods kinderen, dat zij zichzelf meer gelooven dan den Heere. Zij vertrouwen dan meer op hun eigen kracht, dan dat zij acht slaan op des Heeren Woord. Voor 't oogenblik komt de Heere hun dan niet verder tegen. Later evenwel komt Hij er op terug, wanneer de uitkomst Zijn Woord rechtvaardigde.

Hoe moest Simon die vraag treffen. Ze moest een wereld in hem wakker roepen. Hoe nam hij ze op ? Hij gaf dit kostelijk antwoord : „Ja Heere, Gij weet, dat ik U liefheb !"

In dit antwoord zijn verschillende dingen schoon en der opmerking waardig, als een bewijs hoeveel Simon geleerd had.

Ie. Hij zeide : Ja Heere, Gij weet." Hij bevestigt dus die vraag, eeriijk en oprecht,  Hij valt hier niet in een ander uiterste. Toen hij geroepen had : „al werden zij ook allen .geërgerd, ik nimmermeer !" was hij vervallen in het uiterste van dwaze zelfoverschatting. Thans echter valt hij niet in het andere uiterste van voorgewende nederigheid door te zeggen : „Neen Heere !"

2e. Hij sprak : „Gij weet." Dus niet : ' „Heere, ik weet", m.a.w. hij vertrouwt zijn eigen weten.en gevoelen niet meer ; maakt daar geen grond van. Dat was wel eens heel anders geweest in zijn leven. Thans maakt hij geen grond meer van het zijne. Hij werpt het terug op het weten des Heeren en zoo vinden wij hier dan met recht het hoogste beroep.

Welk een groot verschil is er tusschen dat ik en gij. Vele menschen zijn niet gerust vóór zij het zélf weten den Heere lief te hebben. Nochtans ligt in het : „Heere Gij weet het !" hoogere rust. Want onze wetenschap bedriegt ons zoo menigmalen of is althans niet altijd even vast, en als daarin onze zaligheid lag, wie zou dan zalig worden?

Maar Zijne wetenschap berust op vaste wetten.

3e. Ook is der opmerking waardig : Simon zegt niet : „liever dan dezen", maar : dat ik u liefheb." Hij zegt dus niet: „ik heb U meer lief dan de anderen." Hij kan nu alleen voor zichzelf spreken. Dat vergelijkend spel des vromen vleesches heeft opgehouden

In waarachtige liefde toch zit geen hoogmoed, geen afdwalen van-haar voorwerp. Echte liefde houdt zich niet met anderen en met anderer liefde bezig ; alléén met haar voorwerp.in ware liefde zit „ootmoed" en dus geen opgeblazenheid. Zij pronkt niet. Zij bloeit, onbewust van haar eigen schoonheid.

4e. Simon gebruikt hier voor „liefhebben" een ander woord dan de Heere.

Christus gebruikt het woord „agapan, een woord dat duidt op de diepgevoelde liefde der gehoorzaamheid, der overgave van den wil, uitkomend in de daad.

En Simon antwoordt met het woord : „philein", hetwelk beteekent : „de 'liefde zetelend in het menschelijk gevoel." Hij wil dus zeggen : „ik ben U hartelijk genegen ; ik heb U lief als een vriend ; ja, ik ben aan U gehecht."

Gevoelt gij het onderscheid, lezer ? Dat eerste liefhebben, waarop de Heere Jezus doelt, durft Simon niet te aanvaarden. Hij wist wel : die liefde van het volkomen beminnen, van de gehoorzaamheid, ja van de overgave van zijnen wil had hij niet betoond. Daarom antwoordt hij er bescheiden op met dat andere woord. Hij kan het immers niet ontkennen, dat hij den Heere lief-heeft, maar tegelijk ook, dat hij schuldig staat; •

Zoo ligt dan in deze verklaring zijner hefde tegelijk zijne schuldbelijdenis. Wel een bewijs hoe Simon thans bang geworden is , voor groote, schoone woorden. Hij geeft ons hier een heerlijk exempel ter bedachtzaam heid. Ook wij hebben zoo menigmaal wat groots over de lippen gebracht zonder nadenken.

Het wordt soms zoo gemakkelijk gezegd ; „Ik heb den Heere lief."

Maar weten wij wel, wat Hij eigenlijk : van ons vraagt ? Kennen wij den aard der' : vereischte liefde ? Namelijk .dat Hij van ons  vraagt de liefde van volkomen overgave van onzen algeheelen wil ?

Juist Gods kinderen zullen op dit punt ; bedachtzaamheid en voorzichtigheid leeren

; Simons antwoord is den Heere thans genoeg en Hij zegt : „Weid Mijne lammeren." De kleinen weiden wordt nu zijn taak. De lammeren gaan Hem het meest ter harte, Staat er van Hem niet geschreven : „Hij' zal de lammeren in Zijnen schoot dragen ? "

. NU kan Simon die kleinen begrijpen, nu hijzelf klein is. Zoo is het trouwens met alle dienaren des Woords en kinderen Gods.

Als ze zélf klein zijn geworden, dan kunnen de kleinen wat aan hen hebben. Een ' groote kan geen kleinen weiden ; die zal hun meer slaag dan weide geven.

Wij stellen ons voor dat het nu een oogen blik stil geworden is. Daarna herneemt de Heere Zijn vraag, eenigszins gewijzigd : „Hebt gij Mij lief ? " (agapan). Die anderen zijn er nu wel afgelaten maar verder gebruikt de Heere nog het zelfde woord. Hoezeer moet Petrus' vleesch er onder door. 't Is als zegt de Heere : „Weet gij dat zeker ? " En ook : „Is uw liefde die, waarop Ik recht heb ? "

Een mensch wil toch gaarne op zijn woord geloofd worden en het doet u toch pijn als iemand u toont : „eigenlijk kan ik u niet meer vertrouwen." Dat komt nu van den val en de verloochening. Zij maken dat vragen noodzakelijk.

Simon antwoordt weer : „Ja Heere, Gij weet, dat ik U liefheb !"

Weer een terugwerpen op 's Heeren alwetendheid. Weer een bevestiging. Want ware liefde kan niet ontkennen. Maar oók weer gebruikt Petrus hetzelfde woord als tevoren (philein).

De Heere zegt nu : „Hoed Mijne schapen" Wij zien hier een opklimming in Petrus' roe ping. Thans mag hij ook de ouderen op den weg tot steun zijn. „Wees hun herder, hun leidsman, hun gids op den weg."

Dus de Heere geeft een steeds grooteren post van vertrouwen.

Hierna treedt vermoedelijk pauze in. weer een

Daarna vraagt de Heere ten derden male : „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief ? " Zou de Heere er dan waarlijk aan twijfelen ? Het schijnt wel zoo, want thans heeft! de Heere Zijn woord voor liefhebben (aga pan) losgelaten en dat van Petrus overgenomen (philein).

Het is als wil de Heere zeggen : „Simon, gij zegt : „Ik ben aan U gehecht 1" maar weet gij dat ook wel zeker ? Hebt gij Mij dan waarlijk lief met vriendelijke toegene genheid ? Kunt gij ook dat verantwoorden, ' wat gij daar zeidet ? " •.

Dat wordt Simon te sterk. Dat de Heere hem driemaal vroeg en dan op zulk een wijze. Ook dat getal „drie" zei hem zoo ontzettend veel. Hij werd bedroefd als in Kajaphas' voorhof. Het lag in zijn ziel : „Heere, vraag • mij maar. Vraag mij maar driemaal ; vraag mij maar duizendmaal ; ik heb Uw vertrouwen verbeurd, " Nu kwam alles boven.

, Die derde vraag werd den discipel een scherp tweesnijdend zwaard. Hij werd bedroefd.

En nu : die den Heere niet waarlijk liefhad, zou na die derde vraag wel weggegaan zijn ; die zou de eer aan zichzelf gehouden hebben. Maar Petrus is op alles voorbereid. Hij zegt : „Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb." Dat „ja" heeft hij er nu nog afgelaten, het wordt als het ware ' een onmiddellijk beroep op den Heere Zelf. Het is als zegt Hij : „Heere, ik weet niets meer en zeg ook niets meer, maar Gij kent toch de diepste roerselen van mijn hart. Gij kent toch Uw werk wat mij aangaat."

Welk een schoone belijdenis, en dat na deze herhaalde vragen. Ja, een ziel kan bedroefd worden onder de vragen des Heeren, maar als het Gods werk is, zal zij het nooit ' kunnen ontkennen. Dat blijft stellig en beslist. Het zal ook verdiept worden. "

Nu krijgt Petrus nieuwe opdracht : „Weid Mijne schapen." Eigenlijk staat er „schaapkens", want in dit woord neemt Christus de lammeren en de schapen lieflijk te samen. '„Weid hen", d.w.z. geef hun voedsel, bestuur, leid en regeer hen onder Mijn opzicht.

Ten aanhoore van de zes andere apostelen wordt Petrus weer in zijn ambt hersteld.

Zulke leidslieden en herders zijn de gewenschte, die onder het kruisverhoor van de vragen huns oppersten Herders bezweken en gelouterd zijn. Onder dat kruisvuur worden trouwens alle kinderen Gods beproefd en gevormd en afgericht.

Zoo neemt de Heere de Zijnen telkens apart en al breken dan moeilijke uren aan, nochtans zijn ze onmisbaar in hun leven en achteraf heerlijk.

Zijn wij al eens onder dat kruisvuur van vragen genomen door den Heere ? In algemeenen zin zeer zeker. Hoeveel wordt ons toch gevraagd onder de prediking des Woords maar ook in ons eigen leven. Onder die vragen des Heeren ontbreekt ook deze niet : „Hebt gij Mij lief ? "

Zijn wij er wel eens bedroefd onder geworden wanneer wij bemerkten, dat de Heere maar door bleef vragen, altijd weer het zelfde, als scheen Hij ons niet te gelooven. Ach ! velen beschouwen de prediking des Woords als een gewone uitlegkundige verhandeling van den tekst. Het vragen stellen vinden zij niet aangenaam en zij zeggen „de toepassing maken wij zélf wel."

Zou de Heere ook recht hebben ons die vraag herhaaldelijk te doen : „Hebt gij Mij lief ? " Is Hij ook ónze liefde alleszins waard? Sommigen zeggen : „Wat is dat voor 'n vraag aan mij ? Ik ben onbekeerd !"

't Is waar, eigenlijk heeft het geen zin om dit aan de wereld te vragen. Maar daarom is zij er nog niet mee af.

De Heere zoekt Zijne gevallenen met die vraag weer op en somtijds grijpt Hij daarmee ook voor het eerst in het menschenharte

Gelukkig, zoo die herhaalde vraag ons bedroefd maakt. Zoo ze ons door ontdekking des Heiligen Geestes op de rechte plaats brengt ; zoo ze ons kleiner, ootmoediger, voorzichtiger, bescheidener maakt. Zoo zij ons leert ons des te meer te verlaten op het werk Gods om Christus' wil geschied.

Gelukkig het volk, dat in de diepste verbrijzeling het antwoord toch niet schuldig blijven kan. De Heere zal dan weer het afgedwaalde kind herstellen in Zijn gunst en gemeenschap. En het wordt het levenslied van al die kinderen : „Ja wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad." Gelukkig het volk, dat onder deze vraag mag uitroepen : Heere, wij beroepen ons niet op onze liefde, maar op de Uwe, waarin Gij U overgegeven hebt in volkomen gehoorzaamheid tot in den dood toe ; om voor ons te lijden en te sterven ; waarin Gij sterker dan de dood tot ons zijt weergekeerd ; waarin Gij door Uwen levenden liefde-Geest ook ons harte in liefde deedt ontvonken.

B.

F. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's