Uit het kerkelijk leven.
De victorie van de Vakvereeniging.
Het stukje „Obstructie of Sabotage ? " voorkomend in het laatste No. van ons blad - was ingezonden met de bedoeling het op te nemen in het voorlaatste No. Maar overvloed van copie verhinderde het toen op te nemen. Nu hadden we het wel heelemaal kunnen laten uitvallen, want de zaak waarover het ging, was reeds in een heel ander stadium gekomen — de Synode was reeds in buitengewone vergadering saamgel< omen en een heel stuk van het werk was zelfs al afgedaan toen ons Blad verscheen — maar met opzet hebben we wat eenmaal op de drukkerij was, laten zetten en afdrukken, omdat, al is alles in een ander stadium reeds gekomen het stukske zelf niet zonder beteekenis is.
Wat kan men er uit zien ?
Dat de Synodale Commissie — men kan een mooie foto zien van dit College in het Jaarboek voor de Ned. Herv. Kerk 1920, uitgave Ruijs te Utrecht — blijkbaar tegen de uitgesproken bedoeling van de Synode des vorigen jaars, de Synode niet wilde samenroepen in buitengewone zitting, ter behandeling van het rapport in zake de verbetering der predikantstractementen, 't welk in opdracht van de Syno.de door een daartoe benoemde Commissie tijdig was ingezonden
Hierin lijkt het ons toe, dat de Synodale Commissie — doet men zulke dingen schriftelijk af ? — zich leelijk vergaloppeerd heeft en daarin heeft bewezen, dat het geenszins 'aanbeveling verdient, om al te veel in handen van deze kleine Commissie te leggen (zooals b.v. dr. Bronsveld zou willen als er een grootere Synode komt, welke hij overigens ook wel begeert).
Maar wat ook uitkomt is dit : dat nu de leiding in onze Kerk plotseling, door de onverantwoordelijke handelwijze van de Synodale Commissie, die eenvoudig had moeten doen, wat de Synode haar opgedragen had, is overgegaan in handen van den Bond van predikanten, dus in handen van een Vakvereeniging.
Nu is dat wel naar den geest van onzen tijd, want op elk gebied heeft de Vakvereeniging langzamerhand het hoogste woord, als is 't in ons land gelukkig nog niet zóóver gekomen als in Duitschland, waar de Vakvereenigingen zelfs hebben aan te wijzen, wie er de hoogste regeeringsambten zullen bekleeden ; maar dat neemt niet weg, dat, wat zich hier nu heeft voorgedaan op de erve van onze Herv. Kerk van zeer bedenkelijken aard is, waartegen we dan ook aanstonds bescheidenlijk onze stem willen verheffen.
Zeker, de malle wijze waarop de Synodale Commissie hier gehandeld heeft is de oorzaak ; en die Commissie verdient dus een afstraffing, maar voelt men niet, dat we den verkeerden kant uitgaan, als de Bond van predikanten met zijn 11 a 12 honderd leden in een oogenblik de heeren van de Synodale Commissie den schrik op 't lijf kan jagen en hij zelfs kan maken, dat waar de Synodale Commissie met 5 tegen 3 stemmen besloten heeft de Synode niet in buitengewone vergadering saam te roepen, den volgenden dag de Synodeleden toch werden geconvoceerd, om hals over kop naar Den Haag te komen ; zóó gehaast, dat de primileden, die niet konden komen, niet eens tijd hadden hun secundus te waarschuwen.
Dit unicum is weer mogelijk in onze Herv. Kerk en het is weer dienstbaar om het weinigje vertrouwen, dat velen in de kerkelijke leiding, zooals die onder ons gevonden wordt, hebben, andermaal te verzwakken.
Als dit alles nu maar hiertoe mag medewerken, dat we spoedig een héél andere kerkregeering krijgen, vooruit dan maar.
Maar als ook dit ons weer voorbijgaat, zonder dat we tot radicale wijziging in onze kerkelijke organisatie komen, nu, dan kunnen we alle hoop op beterschap in deze wel opgeven.
Dan nog een klein poosje, dan is onze Herv. Kerk héélemaal weg.
Buitengewone algemeene Synode.
Woensdag 21 April j.l. is de Algemeene Synode onzer Herv. Kerk in buitengewone zitting saamgekomen.
Tragisch was het, dat ds. Cremer, van roek in Waterland, zoo plotseling was over leden, toen hem de oproep voor de Synodale vergadering juist bereikt had. Ds. van Meurs, van Beemster, was nu in zijn plaats tegenwoordig. Afwezig waren ds. van Druten, te Rijnsburg, en prof. Van Veen, oudouderling te Utrecht. Voor ds. van Druten kwam later zijn secundus, ds. Van der Grient, te Maassluis ; de secundus van prof. Van Veen is niet verschenen.
Zooals men weet, was het punt van de agenda het Rapport van de Commissie, ten vorigen jare door de Synode benoemd, om allerlei gegevens te vergaderen inzake de predikantstractementen, om tegelijk dan middelen en wegen aan te wijzen, waardoor de tractementen over heel het land kunnen worden herzien en op peil gebracht.
De Commissie bestond uit de heeren : dr. Weijland, ds. D. Boer, van Grootebroek, ds. Eilerts de Haan, van Heiioo, dr. De Vrijer van Odijk en ocderling H. Veenman, te Wageningen, terwijl door die Commissie de hulp en medewerking was gevraagd en was erkregen van de heeren mr. W. M. F. Treub en dr. Holwerda, wiskundig adviseur van de Nationale Verzekeringsbank.
Het rapport stelt op den voorgrond het beginsel, „dat de regeling van de predikants tract ementen moet zijn een algemeene, die alle gemeenten der kerk omvat. En de Algemeene Synode is het eenig lichaam waarvan eene dergelijke regeling kan uitgaan. De Kerk moet zorgen voor hare dienaren en het hoogste Kerkbestuur mag niet langer lijdelijk toezien, dat de financiëele positie van de predikanten onhoudbaar is en steeds meer wordt. Het minimum-tractement moet bestaan uit
lo. een aanvangssalaris dat verschilt naar het zielental der predikantsplaats. De gemeenten behooren te worden verdeeld in drie klassen : gemeenten met minder dan 1000 leden per predikantsplaats ; die met 1000 tot 200Ó en die met meer dan 2000. Het aanvangssalaris voor de eerste klasse zal bedragen f 2500, voor de tweede ƒ 3000, voor de derde ƒ 3500.
2o. Tien tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 200.
3o. Een kindergeld voor kinderen tot 6 jaar te geven ƒ 50 per kind, voor die van 6 tot 12 jaar ƒ 100 en voor die van 12 jaar tot de wettige meerderjarigheid ƒ 200. Om tegemoet te komen in de kosten van groote gezinnen zullen deze bijdragen voor gezinnen met meer dan drie kinderen moeten worden verhoogd met 50 procent.
4o. Vrije woning of vergoeding wegens gemis hiervan.
Daarvoor is noodig een som van pl.m. ƒ 7.000.000.
Men wil dit geld vinden uit :
a. Rijkstractementen ;
b. inkomsten van pastoriegoederen en kerkelijke goederen, waarvan 10 pet. zal geheven worden, en wanneer het minimum aanvangssalaris is verkregen, nog 10 pet. meer ;
c. de inkomsten van het fonds tot verbetering der schraalste predikantstractementen ;
d. de heffing van een hoofdgeld en een hoofdelijken omslag van de leden der Kerk.
Thans worden aan hoofdelijken omslag, vrijwillige bijdragen enz. verkregen ruim 2 millioen. De gemeenteleden zullen dus een bedrag van ongeveer ƒ 4.400.000 moeten opbrengen. Men stelt voor van de meerderjarige leden een hoofdgeld van ƒ 1 te heffen en verder een hoofdelijken omslag van hen, die in den hoofdelijken omslag der burgerlijke gemeente zijn aangeslagen. Er zal een raad van beheer, bestaande uit ten minste 7 leden, worden ingesteld voor de kas van de predikantstractementen. De Algemeene Synode benoemt een directeur, bij voorkeur een financieel-fiscaal specialist."
Ziehier, in 't kort, wat 't rapport voorstelt. Maar om de discussies eenigszins te kunnen volgen, moeten we uit de toelichting der Commissie eerst nog een en ander mededeelen.
Zoo b.v. wat de Commissie zegt over de heffing van 10 pet. van de zuivere opbrengst der kerk-en pastoriegoederen. Hier komt men immers te biecht bij kerkvoogden en bij predikanten die het beheer hebben over de pastoriegoederen. Wat heeft de Synode daarover te zeggen ?
De Commissie zegt dan :
„Hier komt natuurlijk dadelijk de vraag naar den rechtsgrond van dezen eisch. De Commissie laat deze vraag in het midden. Indien kerkvoogden als beheerders der kerkegoederen en predikanten als beheerders der pastoralis beslist weigeren de bijdragen te storten, dan zullen zij niet gerechtelijk gedwongen kunnen worden. Maar het is te verwachten, dat zij, als zij de zaak goed begrijpen, niet zullen weigeren. De voorgestelde regeling plaatst er groote voordeden tegenover. Ook de predikanten van rijke gemeenten ontvangen de tweejaarlijksche verhoogingen en de kindergelden uit de kas voor de predikantstractementen en het is niet meer dan billijk dat zij hiervoor een deel van hunne inkomsten afstaan.
Maar de Commissie zou de storting dezer bijdrage niet geheel aan de goedgezindheid van kerkvoogden en predikanten willen overlaten. Van de betaling ervan moeten alle' uitkeeringen uit de kas voor de predikantstractementen worden afhankelijk gesteld. Géen aanvulling van het aanvangssalaris, geen verhooging en geen kindergeld wordt verkregen, indien niet kerkvoogden en predikanten zich verbinden de bepalingen van de voorgestelde regeling uit te voeren. Ja, de Commissie wil nog verder gaan. Zij wil daarvan afhankelijk stellen de goedkeuring der predikantsberoeping. Voor het welslagen van een algemeene regeling is het nu eenmaal beslist noodzakelijk, dat zij in alle gemeenten wordt aanvaard en uitgevoerd en de Kerk mag niet langer toelaten, dat gemeenten predikanten krijgen zonder goede waarborgen voor een behoorlijke bezoldiging, En opdat predikanten en kerkvoogden begrijpen, dat het zaak is van den aanvang af aan de gestelde eischen te voldoen, behoort te worden bepaald, dat, om later de rechten op uitkeeringen te kunnen erlangen, de vanaf de invoering van de regeling achterstallige gelden moeten worden aangezuiverd."
Hier is dus de rechtsgrond omzeild en als beginsel aangenomen : „wilt gij niets, dan ontvangt gij niets."
Ook handelt de Commissie over het heffen van hoofdgeld en van hoofdelijken omslag door de Kerk.
Zij zegt daarvan in de Toelichting :
„De heffing van een hoofdgeld en een hoofdelijken omslag van de leden der Kerk :
Omdat deze woorden te veel doen denken aan dwang is de vraag opgekomen of daarvoor niet zachter termen kunnen gevonden worden.
De Commissie brengt die vraag bij u over. Zelve meent zij echter de dingen thans bij den werkelijken naam te moeten noemen.
Er worden dus voorgesteld een hoofdgeld en een hoofdelijke omslag. Het eerste is noodig omdat er zijn die niet door een hoofdelijken omslag zijn te treffen en toch zeer goed iets kunnen opbrengen voor de Kerk. Dit hoofdgeld moet gevraagd worden van allen, die, volgens art. 3 van het algemeen reglement, tot de Kerk behooren en meerderjarig zijn. Alleen vrouwen, wier echtgenoot het betaalt, zijn daarvan vrijgesteld.
Behalve dit hoofdgeld moet eenhoofdelijke omslag worden geheven van alle meerderjarige lidmaten, die in den hoofdelijken omslag der burgerlijke gemeente zijn aangeslagen.
Bij het voorstel tot invoering van een hoofdelijken omslag komt allereerstde vraag aan de orde of de Kerk dien wil.
Ter beantwoording hiervan zijn van belang de antwoorden ingekomen naar aanleiding van de te dezer zake door de Synode ingestelde enquête. De Commissie heeft deze antwoorden onderzocht en de daarin ontvangen gegevens verzameld en beoordeeld in de hierbij gevoegde bijlage.
Zij komt daarin tot de conclusie, dat de stemming ten opzichte van de beoogde algemeene belasting van dien aard is, dat met voorzichtig beleid de invoering daarvan zonder al te groote schokken zal kunnen plaats hebben en spreekt den wensch uit, dat de Synode daaraan te meer vrijmoedigheid moge jgntleenen tot het invoeren van een algemet'uen kerkelijken hdofdelijken omslag, "die wenschelijk en mogelijk is gebleken.
Er zijn ongetwijfeld bezwaren.
Zoo wordt door velen de verwachting uitgesproken, dat de invoering van een hoofdelijken omslag aanleiding zal zijn, dat een groot aantal leden de Kerk zullen verlaten. Voor dit uittreden kunnen zich verschillende beweegredenen doen gelden. In de eerste plaats gebrek aan belangstelling, die zich uit in gemis aan offervaardigheid. Is dit het geval, dan mogen wij dat betreuren, maar er geen aanleiding in vinden een regeling tegen te houden, die den bloei en het bestaan raakt van de Kerk. Ernstiger wordt de zaak, indien de beweegreden haar grond vindt in den strijd der partijen, waardoor men geen voorziening vindt in zijne godsdienstige behoeften en toch voor het feit zal worden geplaatst dat men moet betalen. Hier betreft het werkelijk belangstellende leden, die de Kerk niet mag verliezen. Toch is de Commissie van oordeel, dat ook dit bezwaar het plan tot het invoeren van een algemeenen kerkelijken hoofdelijken omslag niet mag doen opgeven. Zij ziet geen ander middel om tot een afdoende regeling der tractementen te komen en alle middelen van anderen aard daartoe bij de gehouden enquête aanbevolen zijn, zooals in de bijlage is aangetoond, ten eenenmale ontoereikend. De Commissie geeft echter, om een uittreden van dergelijke belangstellende leden te voorkomen aan de Synode met den meesten ernst in overweging, maatregelen te beramen, waardoor de ingekomen gelden zooveel mogelijk ten goede komen aan de voorziening in de godsdienstige behoeften van allen, ook van hen, die thans wegens verschil van richting, die in eigen gemeente niet kunnen vinden. Het is van het grootste gewicht, dat alle leden der Kerk samenwerken in de behartiging van het groote belang, dat de Synode wil regelen. Maar warme samenwerking is alleen te verkrijgen, als tegenover plichten ook rechten worden erkend, althans tegenover de gevraagde offers ook het genot wordt gegund.
Een groote moeilijkheid ligt voorts in de regeling van de heffing. Om een voor het geheele land gelijkmatig drukkende billijke heffing te kunnen invoeren, zou het zeer gewenscht zijn, dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de kohieren van de rijksinkomstenbelasting. Dit zou ook het maken der aanslagen zeer vereenvoudigen en vergemakkelijken. Maar deze kohieren zijn geheim en volgens betrouwbare inlichtingen bestaat er geen kans, dat de Kerk daarvan inzage zal kunnen verkrijgen. Daarom moet een andere weg worden ingeslagen. Wij zullen ons moeten aanpassen aan de kohieren der burgerlijke gemeenten. Naar ons uit goede bron ter oore kwam, bestaat het plan deze kohieren betrouwbaarder te maken, zoodat zij toereikend zullen zijn om daarop den kerkelijken hoofdelijken omslag op te bouwen. Het is te hopen, dat zij toegankelijk zullen worden gesteld voor de Kerk. Geschiedt dit niet, dan kan eene kerkelijke belasting moeilijk worden ingevoerd en dit zou een ramp zijn voor de Kerk, omdat haar het eenige middel om te voorzien in de financiëele eischen, uit handen zou zijn genomen."
Wat den Raad van Beheer betreft, daarvan zegt de Commissie :
„Het beheer van de op de aangegeven wijze gevormde kas voor de predikantstractementen wil de Commissie zien toevertrouwd aan den raad van beheer. Hij moet bestaan uit 7 leden, te benoemen door de Synode uit invloedrijke leden der Kerk.
De Commissie stelt zich voor, dat er mannen gevonden zullen worden die dit belange loos op zich willen nemen en zoo niet, dan zou zij daaraan een honorarium willen verbinden, vast te stellen door de Synode.
Als hoofdambtenaar wil de Commissie zien aangesteld een directeur, te benoemen door de Synode op voordracht van den raad van beheer. Bij voorkeur moet daarvoor gekozen worden een finantiëel-fiscaal specialist. Hij moet goed bezoldigd worden.
De lagere beambten moeten worden benoemd door den raad van beheer op voordracht van den directeur.
De werkzaamheden van den raad van beheer zijn zeer belangrijk. Hij heeft het toezicht op de regeling van de predikantstractementen in alle gemeenten, die zijn goedkeuring behoeven. Hij bepaalt het bedrag der uitkeeringen uit de kas voor de predikantstractementen. Hij regelt de heffing van de middelen voor deze kas onder goedkeuring van de Synode."
Omdat in het Reglement gedurig gesproken wordt van een minimum-tractement, zegt de Commissie daarvan :
„Tot nu toe werd alleen gesproken van de minimum-tractementen. Hierbij wordt echter uitgegaan van de gedachte, dat vele gemeenten de tractementen boven het minimum zullen brengen. Hieromtrent kan niets worden voorgeschreven. Wel kunnen daarover aanwijzingen worden gegeven. De Commissie is van oordeel, dat aan de gemeenten voor dit doel volkomen vrijheid moet worden gegeven om de middelen bijeen te brengen op de wijze die zij zelve het meest geschikt zal achten, hetzij door vrijwillige bijdragen, hetzij door een hoofdelijken omslag ten eigen behoeve, hetzij door huur van zitplaatsen of anderszins.
Om echter een tweeden hoofdelijken omslag overbodig te maken, moet aan de gemeenten de bevoegdheid worden verleend, om door middel van opcenten op den kerkelijken hoofdelijken omslag van de eigen lidmaten bijdragen te heffen voor eigen behoeften."
Wat emeritaats-en weduwenpensioen aangaat, zegt de Toelichting :
„In het reglement wordt bepaald, dat zal worden uitgekeerd aan predikanten, die bij de invoering ervan emeritaat hebben verkregen, een bedrag van ƒ 1000 vermeerderd met ƒ 25 voor elk door hen vervuld dienstjaar tot een maximum van 40, met dien verstande, dat van het aldus verkregen bedrag wordt afgetrokken wat zij aan pensioenen en uitkeeringen als emeriti genieten, en aan predikantsweduwen een bedrag van ƒ 1500 na aftrek van wat zij als predikantsweduwen aan pensioenen en uitkeeringen genieten.
De Commissie meent, dat de financiëele nood van emeriti en weduwen een dergelijke uitkeering rechtvaardigt. Het bedrag is willekeurig genomen, maar zeker niet te hoog."
Vraagt men nu : hoeveel geld zal op deze manier noodig zijn, dan is het antwoord : ƒ 6.660.378 per jaar.
De Commissie zegt daarvan :
„Dit is een zeer, zeer groote som. Zal zooveel bijeen zijn te brengen ? Aan inkomsten staan hier tegenover de bijdragen van de kerk-en pastoriegoederen — volgens het gehouden onderzoek zijn de totaalinkomsten uit deze bronnen te schatten op ƒ 3, 700, 000. Rekenen wij, dat alle bijdragen inkomen, dan wordt hieruit verkregen ongeveer ƒ400.000. Komen de bijdragen niet in, dan worden de uitkeeringen uit de kas ook zooveel minder.
De inkomsten uit het fonds ter verbetering van de schraalste predikants-tractementen zijn te gering om veel gewicht in de schaal te leggen. Wij kunnen dus gerust zeggen, dat bijna het geheele benoodigde bedrag moet gevonden worden uit het hoofdgeld en den hoofdelijken omslag.
Door de gemeente wordt thans aan hoofdelijken omslag, vrijwillige bijdragen, collecten, huur van zitplaatsen opgebracht een totaalbedrag van ƒ 2, 044, 388. Tellen wij de ƒ 400.000 aan bijdragen uit de kerk-en pastoriegoederen er af, dan zou er dus meer moeten worden betaald door de gemeenteleden een bedrag van ongeveer ƒ 4, 400, 000. Nog eens, dit is een zeer groote som, waarvan nog niet te zeggen valt, of ze bijeen te brengen is. De Commissie ontveinst zich dit vplstrekt niet. Zij heeft zich dan ook de vraag gesteld, of er niet te bezuinigen valt. Zij is echter van meening, dat het gevraagde minimum-tractement in geen enkel opzicht te hoog is en daarom zou zij in de bepalingen daaromtrent geen verandering willen brengen. Alleen is eenige bezuiniging mogelijk door een gewijzigde klassificeering der gemeenten. Wordt deze in plaats van klasse 1 tot 1000, klasse 2 1000—2000 en klasse 3 boven 2000 zielen der predikantsplaats : klasse 1 tot 1500, klasse 2 1500—3000 en klasse 3 boven 3000, dan zou dat de totaalkosten verminderen met ƒ213.500. Een verdere bezuiniging is mogelijk, doordat de Synode een ruim gebruik maakt van de bevoegdheid, om geen uitkeeringen te doen aan gemeenten, die naar haar oordeel met andere gecombineerd moeten worden en voor predikantsplaatsen, die zeer goed kunnen worden opgeheven. Maar ook dan nog is teleurstelling mogelijk en kan de kerk voor het feit komen te staan, dat zij met de gelden, die inkomen, niet kan voldoen aan de verplichtingen, die zij in dit reglement op zich genomen heeft.
Voor dit geval wil de Commissie aan de Synode de bevoegdheid verieenen, zooeven genoemd, om de uitkeeringen uit de kas voor de tractementen geheel of gedeeltelijk uit te stellen.
De Commissie heeft hiervan geen voorschriften willen geven, maar deze zaak geheel aan de prudentie der Synode laten.
Zij adviseert echter, indien zoolang de middelen onvoldoende zijn, de uitkeeringen niet te doen of te verminderen in deze volgorde :
Ic. De toelage aan emeriti en weduwen-Wanneer dere gegeven kunnen worden zou 't mooi zijn, maar zij behoorwi h»t minst 2e. Bijdragen in de storting voor pensioenen voor dienstdoende predikanten. Allereerst toch moeten de tractementen op peil worden gebracht en is dit geschied, dan kan men een voldoende storting van de predikanten zelf eischen en desnoods de pensioenen iets lager stellen dan de bedragen door de Commissie genoemd.
Hierdoor wordt uitgewonnen ƒ396.215.
3e. Kindergelden. Deze zouden op de helft kunnen worden teruggebracht waardoor zou worden bespaard ƒ 192.000.
4e. Pedodieke verhoogingen. Niet anders dan in geval van de hoogste noodzakelijkheid zou de Commissie deze willen zien verlaagd. Maar moet het om de plannen niet in gevaar te brengen, dan kan hierop weer worden bezuinigd. Worden de verhoogingen gereduceerd tot de helft, dan is daarvoor minder noodig een bedrag van ruim ƒ1.000.000. Wat aan hoofdgeld en hoofdelijken omslag zal worden ontvangen, valt moeilijk te zeggen, zelfs niet al is de aanslag op grond van nauwkeurige kohieren geschied. Ten opzichte van het aantal weigerachtigen is geen berekening te maken.
Daarom stelt de Commissie voor, de eerste heffing te doen geschieden over het jaar 1921 en de eerste uitkeering over 1922. Dit geeft wel een zeer te betreuren uitstel van de zoo hoog noodige tractementsverhooging, maar de veilige weg moet worden bewandeld om niet alles in gevaar te brengen. De gemeenten, wier hoofdelijke omslag dan aan de kerk is overgegaan, ontvangen over 1921 terug wat zij volgens de nu geldende regeling noodig hebben.
De Commissie stelt zich dus dezen gang van zaken voor : In'1921 wordt de regeling van 't tractement voor iedere gemeente gemaakt volgens de bepalingen van het reglement. Hieruit blijkt wat noodig zal zijn voor geheele of gedeeltelijke uitvoering van het volgende plan. In dit zelfde jaar worden de lijsten van de leden opgemaakt met het oog op het hoofdgeld en de kohieren van den hoofdelijken omslag. De Synode besluit op grond van deze gegevens in hoever het plan zal worden uitgevoerd en stelt 't vermenigvuldigingscijfer vast voor de heffing van den omslag, alles op advies van den raad van beheer.
De opbrengst van de daarna gehouden heffing verschaft aan de Synode de gegevens om in 1922 te bepalen in hoeverre de uitkeeringen kunnen worden gedaan."
Hadden we meer plaats dan namen we ook het Reglement op de Predikantstractementen in zijn geheel op (44 artikelen). Dan zou men moeten zeggen, dat het een knap stuk werk is. En in zooverre verdient de Commissie zeer zeker een woord van lof en van dank, bizonder van al de predikanten. Want de nood in de pastorieën is veelal groot, zéér groot ; zóó ontzettend groot, dat men soms geen raad meer weet. Letterlijk haast geen boeken meer in de kast en geen kleeren meer aan 't lijf ; omdat het tractement vér, vér beneden peil is.
Maar is, wat de Commissie hier voorstelt, ook uitvoerbaar ? Kunnen we de wegen die bewandeld moeten worden, goedkeuren ? Is er een rechtsgrond voor deze dingen ? Zal de teleurstelling straks niet bitter, bitter groot zijn ?
Bij de discussies in de Synodeis daar ook op gewezen, bizonder door prof. Slotemaker de Bruine.
Maar daarover de volgende week.
De hoeveelste verdunning ?
Prof. dr. H. Th. Obbink verklaart in „Bergopwaarts" met het oog op de onderlinge verhouding tusschen confessioneelen en ethischen, dat de begrippen confessie en geloof der gemeente geen tegenstelling zijn.
„Immers, wat is de konfessie anders" aldus de schrijver, „dan het geloof der gemeente", n.I.'der gemeente van voor 300 jaar ? Wat de gemeente toen geloofde en beleed, is in de belijdenisschriften neergelegd, als het toenmalig geloof. En men was er zich van bewust, dat het eêne tijdelijke geloofsuitdrukking was, en wilde ze dan ook telkens hebben herzien. Welke herziening nooit heeft plaats gehad, zoodat ze tot heden toe geldt als „het geloof der gemeente." Het is echter niemand onbekend, dat ze dat in den zin, dien men er toen aan hechtte, niet meer is. Ook niet in gereformeerde kringen.
Tegen een lid der Amsterdamsche „Vriendenkringen", die mij kwam polsen inzake een ouderiingschap, zeide ik : ik ben het niet met de konfessie eens, want ik heb gravamina. Hij antwoordde : ik ben het er wel mee eens, maar ik heb gravamina. Wij waren het er dus geen van beiden mee eens, maar drukten ons verschillend uit. Wij vertegenwoordigden beiden het geloof der gemeente, maar terwijl hij al den nadruk legde op de gemeente van voor 3000 jaar, legde ik den nadruk op de gemeente van nu. Dat is meer 'n verschil in mentaliteit dan in geloofsovertuiging. En vooral ook dit : terwijl ilc meen, dat elke tijd het recht en den plicht heeft, zijn geloof op zijne wijze te formuleeren, meende de ander dat ook wel, maar zonder de konsequentie te aanvaarden.
Zoodat de kwestie voor mijn besef zOo komt te staan : zoowel konfessioneelen als ethischen hebben geen anderen grondslag dan het geloof der gemeente. En beide zijn het ook hierin eens dat de formuleering van dat geloof nooit „definitief" kan zijn, maar voortdurend moet open staan voor toetsing en korrektie op grond der H. Scfirift. Maar de ethiscfien bewaren die konfessie in meer vloeibaren vorm, de konfessioneelen in meer gestolden toestand."
Wij vragen onwillekeurig als we hier van den vloeibaren vorm der confessie lezen, welken de ethischen gebruiken : van welke verdunning is die vloeistof ?
Ons dunkt, we moeten hier maar klaren wijn schenken, opdat we weten wat we aan elkaar hebben.
*** Vrijzinnigen vereenigt U !
In de N. R. Ct. lazen we in het Zondagochtendblad van 25 April j.l. het volgende bericht:
„Den 14den dezer zijn, naar wij in „de Hervorming" lezen, in het gebouw der Vrije Gemeente te Amsterdam eenige theologibche hoogleeraren en predikanten bijeen gekomen ter bespreking van de vraag, of krachtiger samenwerking tusschen vrijzinnig-christelijke gemeenten en voorgangers niet gewenscht en noodzakelijk genoemd worden moest. Het bleek, dat men in de erkenning van deze noodzakelijkheid volkomen overeenstemde.
De daarop volgende besprekingen liepen over de mogelijkheid van het nauwere contact.
Uit de naar voren gebrachte punten noemen wij :
Het gemeenschappelijk stichten van voor den godsdienst bestemde gebouwen in de zich uitbreidende groote steden, in welke gebouwen de religieuse samenkomsten om beurten door de predikanten der samenwerkende gemeenten zouden kunnen worden geleid ;
De gemeenschappelijke uitbreiding van den gemeentelijken arbeid in vrijzinnigen geest onder de van de kerk vervreemde arbeiders door het oprichten van in de arbeidersbuurten liggende wijklokalen ; Het gemeenschappelijk beleggen van grootere propagandistische vergaderingen en van cursussen ;
Het overleg plegen bij de vaststelling der predikbeurten en der afzonderlijke gemeentelijke lezingen, waardoor het gelijktijdig houden van elkaar schade doende godsdienstige bijeenkomsten zooveel mogelijk wordt tegengegaan ;
De vergemakkelijking van tijdelijke aansluiting van leden en lidmaten bij geestverwante kerkgenootschappen, in plaatsen waar het eigen kerkgebouw niet door eene gemeente vertegenwoordigd is ;
Grootere samenwerking bij 't godsdienstonderwijs, om daardoor, voorzoover dit niet samenhangt met de toetreding tot de gemeente, tot gemeenschappelijk onderwijs te komen.
Men oordeelde algemeen, dat men terstond aan het werk moest gaan en niet moest wachten tot de algemeene vergadering van den Nederlandschen Protestantenbond, hoewel men het wenschelijk achtte het daarheen te leiden, dat misschien later de bond zich met de behartiging dezer belangen zou belasten.
Diensvolgens besloot men zich te wenden tot de kerkgenootschappelijke besturen en groepsbesturen met het verzoek ieder twee personen te willen afvaardigen naar een algemeen vertegenwoordigend lichaam, terwijl later dergelijke verzoeken, aan de afzonderlijke gemeenten gericht, plaatselijke vertegenwoordigende lichamen zouden kunnen doen ontstaan. De aldus in het leven geroepen lichamen zullen plaatselijk en landelijk het bovengeschetste program, naar de omstandigheden uitgebreid of beperkt trachten te verwezenlijken.
De in te dienen verzoeken worden geteemend door : prof. dr. J. G. Appeldoorn, ds. A. Binnerts Sz., ds. F. Dijkema, ds. S. W. N. Gorter, voor de Doopsgezinden ;
Gorter, voor de Doopsgezinden ; prof. dr. J. Lindeboom, dr. J. P. Cannegieter Dz., dr. A. van Iterson, dr. M. C. van Mourik Broekman, voor de Hervormden ;
prof. dr. H. A. van Bakel, ds. D. Drijver, ds. A. D. Wempe, voor de Lutherschen ; ds. A. C. Schade van Westrum, ds. A. H.
van der Hoeve, voor den Ned. Prot. Bond ; prof. dr. G. J. Heering, dr. I. Hooykaas,
ds, W. J. Wegerif, voor de Remonstranten ; ds. H. G. van Wijngaarden voor de Vrije Gemeenten."
Wij juichen het toe dat de modernen op kerkelijk terrein elkaar gaan zoeken, zonder te letten op kerkelijke scheidsmuren.
Zoo kan men met vereende krachten wat bereiken en het kan een mooie voorbereiding zijn om straks te komen tot samenvloeing m eén kerkelijke bedding, misschien gemaakt dan naar het model van de Vrije Gemeente te Amsterdam.
Want al dat vasthouden aan kerkelijke onderscheidingsteekenen is voor de vrijzinnigen toch eigenlijk dwaasheid en kon men bij elkaar komen, dan zou er zeer zeker méér kracht ontwikkeld worden dan nu bij dat altijd gedeeld optrekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's