Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tussphen Kerk en Staat.
Wij blijven met belangstelling volgen hetgeen prof. dr. H. H. Kuyper schrijft over bovengenoemd onderwerp, dat aan de orde van den dag is. Het 15de vervolgstuk luidt als volgt :
Geen gunst maar recht. XV.
Dat art. 4 der Additioneele bepalingen, waarin verklaard werd, dat alle geestelijke goederen, waaruit dusver de predikantstractementen betaald werden, nationaal eigendom zouden worden, alleen zien zou, gelijk mr. Van Apeldoorn beweert, 1) op de goederen van het geestelijk kantoor te Delft en dat van de gebeneficieerde goederen te Utrecht, schijnt mij daarom toe minder juist te zijn. Artikel 4 was niet anders dan de nadere uitwerking van art. 21 der Burgerlijke en Staatkundige grondregels van de nieuwe Staatsregeling en daarin was bepaald, dat elk kerkgenootschap voortaan verplicht zou zijn zelf voor het onderhoud van zijn predikanten te zorgen. Daaruit blijkt, dat de bedoeling der Nationale vergadering wel degelijk geweest is om alle geestelijke goederen, ook die welke onder het beheer der kerkelijke gemeenten gebleven waren, en niet alleen die welke onder het beheer stonden van de gewestelijke of stedelijke overheden, zooals mr. Van Apeldoorn meent, 2) te nationaliseeren. De Kerk moest van al haar inkomsten beroofd worden en zelf voor het onderhoud harer dienaren zorgen.
Maar zelfs al nemen we aan, dat de opvatting van mr. Van Apeldoorn juist is en de Nationale vergadering alleen de hand heeft willen leggen op die geestelijke goederen, die de Overheid onder haar beheer had, zoo maakt dit wat de rechtsquaestie betreft geen verschil. Ook wat deze goederen betreft erkent mr. Van Apeldoorn toch dat zij geen eigendom van den Staat waren, al administreerde de Overheid ze, maar zelfstandige stichtingen, en de vraag blijft dus : met welk recht de Overheid in 1798 deze goederen tot nationaal eigendom verklaard heeft ? Mr. Van Apeldoorn meent het recht der Nationale vergadering om dit te doen, te kunnen vindiceeren door zich te beroepen op wat de Gereformeerde Overheid vroeger met deze goederen had gedaan. „Evenals de Gereformeerde Overheid, schrijft hij, de geestelijke en kerkelijke goederen ten deele bestemd had voor de ware Gereformeerde religie, ten deele daaraan een geheel nieuwe bestemming gegeten bad, of ook ze ten profijte van 's Lands kas verkocht, zoo wilde de Overheid in 1798 deze goederen ten deele bestemmen voor alle gezindheden, welke voor haar alle gelijkwaardig waren, en ten deele daaraan een geheel nieuwe bestemming geven. Het laatste deed zij ten aanzien van die goederen, welke tot dusverre onder het directe beheer van de Overheid hadden gestaan." 3)
Dat dit beroep op wat de Gereformeerde Overheid gedaan had met deze goederen, niet juist is, behoeft, na wat we vroeger hebben aangetoond, wel nauwelijks betoog meer.
Wat de zoogenaamde „kerkegoederen" betreft, die in die geestelijke kantoren v/aren ondergebracht, zoo is het zeker niet juist, dat de Overheid daaraan een nieuwe bestemming gegeven had door ze te bestemmen voor de betaling der predikantstractemehten. Mr. Van Apeldoorn zelf geeft toe, dat ze door de oorspronkelijke gevers bestemd waren voor het onderhouden van den pastoor, koster, enz., en dat deze bestemming door de Reformatie niet was teloor gegaan, daar de Gereformeerde pastoor de plaats had ingenomen van den Roomschen pastoor. 4) Welk recht had de Nationale vergadering dan om die goederen, die nooit haar eigendom waren geweest, nu tot nationaal eigendom te verklaren, en daaraan 'n geheel andere bestemming te geven ?
Eenigszins anders staat het met de kloostergoederen, die evenzeer ten deele in deze geestelijke kantoren waren ondergebracht, om daaruit de predikantstractementen aan te vullen ; want bij deze goederen is het metterdaad waar, wat mr. Van Apeldoorn opmerkt, dat de Gereformeerde Overheid daaraan een nieuwe bestemming heeft gegeven, omdat de oorspronkelijke bestemming dezer goederen door de Reformatie vervallen was.
Maar ook hierbij mag toch niet vergeten worden, dat de Gereformeerde Overheid niet naar willekeur met deze goederen gehandeld heeft, ze niet beschouwd heeft als bona vacantia, waarmede zij doen kon wat zij wilde, maar het pieus karakter van deze goederen erkend en gehandhaafd heeft. Zij heeft, ook waar zij aan deze goederen een nieuwe.tbestemming gaf, erkend, dat deze goederen bestemd waren voor den dienst Gods en daarom de inkomsten dezer goederen bestemd deels voor de Kerk, deels voor het onderwijs, deels voor de armenzorg. Van een willekeurige beschikking over deze goederen was dus geen sprake, want de Reformatoren hadden op, grond van 't oude Kanonieke recht steeds volgehouden, dat deze goederen voor dit drietal doeleinden behoorden bestemd te worden.
Dat de Nationale vergadering, door ook deze goederen tot nationaal eigendom te verklaren en voor geheel andere doeleinden te bestemmen, dus niet hetzelfde, maar juist het tegenovergestelde gedaan heeft van wat de Gereformeerde Overheid had gedaan, is duidelijk.
Wel heeft mr. Van Apeldoorn, om de Nationale vergadering te verdedigen, er op ewezen, dat al werden deze goederen nu nationaal verklaard en al dienden zij niet meer voor de betaling der predikantstractementen, ze toch hun pieuse bestemming bleven behouden, aangezien de Nationale ergadering deze goederen bestemde voor het onderwijs en de armenzorg, 5) maar dit argument gaat niet op.
In de eerste plaats dient er wel op te worden gelet, dat dit besluit der Nationale vergadering nooit is uitgevoerd. Toen deze goederen in 1808 uit de geestelijke kantoren zijn overgeschreven naar 's Lands schatkist, is daaruit niet een afzonderlijk fonds gevormd om daaruit het onderwijs en de armenzorg te bekostigen, maar zijn zij gebruikt om 's Lands schulden te delgen. Het pieuse karakter is dus te niet gedaan.
Maar ook al ware dit niet het geval geweest en deze goederen bestemd geworden voor onderwijs en armenzorg, zooals de Nationale vergadering wilde, dan is het een woordenspel wanneer men dit een pieus doeleinde noemt, omdat onderwijs en armenzorg steeds als zoodanig werden gerekend. Het is toch duidelijk genoeg, dat onderwijs en armenzorg niet op zichzelf pieuse doeleinden zijn, maar alleen een pieus karakter krijgen, wanneer zij met de Kerk in verband staan.
Wat de bestemming dezer gelden voor de armenzorg betreft, waarschuwt mr. Van Apeldoorn zelf er dan ook tegen, dat „men uit het feit, dat (onder de Gereformeerde Overheid) de kerkvoogden, die deze goederen beheerden, ook voor niet-Gereformeerde armen zorgden, niet moet afleiden, dat we hier zouden te doen hebben met wat wij tegenwoordig burgerlijke of staatsarmenzorg noemen." Na op verschillende feiten gewezen te hebben, waaruit dit verschil blijkt, gaat hij aldus voort: „En dit was niet anders dan de logische consequentie van het stelsel der publieke religie eenerzijds en de opvatting, dat de armenzorg een zaak was der Kerk, anderzijds." Hij wijst er dan ook op, dat de Staten van Friesland zich volstrekt niet schuldig maakten aan een tegenstrijdigheid, doordat zij in één adem het aanwenden van de opbrengsten der kerkelijke goederen voor wereldlijke of politieke doeleinden verboden, en geboden, dat uit deze goederen alle armen zonder onderscheid van religie steun zouden ontvangen. Zij zouden zich daaraan wel schuldig hebben gemaakt, laat hij er op volgen, indien zij in de verzorging der armen door kerkvoogden, de behartiging niet van een kerkelijk, doch van een staatsbelang hadden gezien. 6)
Dat is volkomen juist. Maar daaruit blijkt tevens, dat de bestemming, die de Nationale vergadering aan deze goederen gaf, geen pieuze was. Want de Nationale vergadering, die deze gelden voor de armenzorg bestemde, beschouwde de armenzorg niet als een zaak van de Kerk, maar als een Staatsbelang. Wat zij wilde was staatsarmenzorg. Wat de Gereformeerde Overheid verboden had, n.l. om deze goederen voor politieke doeleinden te gebruiken, dat heeft de Nationale vergadering gedaan.
En hetzelfde geldt natuurlijk evenzeer ten opzichte van het tweede doel : het onderwijs. Een pieus doel kan het onderwijs alleen heeten, wanneer de school in verband staat met de Kerk, of dient voor een Christelijke opvoeding. Daarom was de Christelijke School, zooals deze bestond tijdens de Republiek, een pieus doel. Maar de School, die de Nationale vergadering wilde, was geen pieus doel, maar een politiek doel. Ze wilde, gelijk Van der Palm in de Schoolwet van 1801 het uitdrukte, een school om „deugdzame menschen en nuttige leden der maatschappij te vormen." De Bijbel moest daarom van de schooi weg en in de plaats daarvan zou komen een eenvoudig samenstel van den natuurlijken godsdienst." 7)
Het klinkt daarom wel ietwat zonderling, wanneer mr. Van Apeldoorn verklaart, dat de Nationale vergadering deze goederen nu ja wel aan de Kerk ontnomen heeft, maar toch hun pieus karakter heeft gehandhaafd door ze voor pieuse doeleinden te bestemmen.
Staatsarmenzorg en Staatsonderwijs zooals de Nationale vergadering dit wilde, zijn toch waarlijk geen pieuse doeleinden. Veeleer kunnen ze dienen om alle ware piëteit te ondermijnen. En zoo is het door de Nationale vergadering bedoeld.
En wat de laatste opmerking van mr. Van Apeldoorn betreft, dat de Gereformeerde Overheid toch ook een niet onbelangrijk deel dezer goederen ten bate van 's Lands schatkist had verkocht, zoo behoeft er alleen aan herinnerd te worden, dat dit geschied was uit noodzakelijkheid om de oorlogskosten te dekken ; dat de Gereformeerde Overheid daarbij verklaard had dit geld te lee'nen en later te zullen teruggeven, en dat in plaats van deze goederen de Overheid de verplichting op zich genomen had, de predikantstractementen te betalen. Ook dit was dus gansch iets anders dan de Nationale vergadering deed, die zonder eenige oorlogsnoodzaak deze goederen confisqueerde en tegelijk alle betaling der tractementeh deed ophouden.
Dr. H. H. K. meerderjarig zijn en tot de Herv. Kerk behooren, moeten zonder onderscheid ƒ 1.— betalen ; terwijl dan een hoofdelijke omslag geheven zal worden van alle meerderjarige lidmaten, die in den hoofdelijken omslag der burgerlijke gemeenten zijn aangeslagen. aan de kas voor de predikantstractementen moet worden afgestaan ? " trouwens niets uit te staan. Wij mogen niet nalaten, het eenige middel, dat er is, toe te passen.
1) a. b. u. bk. 19.
2) a. b. u. blz. 17.
3) a. b. u. blz. 18.
3) a. b. u. blz. 18. 4) a. b. u. blz. 9.
5) a. b. u. blz. 17.
6) De Kerkelijke goederen in Friesland. Deel II blz. 21, 22.
Buitengewone Algemeene Synode. II.
We hebben nu iets gehoord van hetgeen het Rapport der door de Synode benqemde Commissie inzake de regeling van de predikantstractementen wil. Er moet voor alle predikanten een minimum tractement komen en deze regeling zal niet meer worden overgelaten aan de vrijheid van de plaatselijke gemeente, maar er komt een universeele regeling, geldend voor alle gemeenten, voor de geheele Kerk. De plaatselijke gemeenten zullen dan, in overeenstemming met hare draagkracht, dat minimum tractement mogen aanvullen.
De eigenlijke regeling komt dus in handen van de Synode ; aan haar moet worden afgedragen 10 pet. van de zuivere opbrengst der kerke-en pastoriegoederen enz. Bovendien zal de Synode dan een hoofdgeld van 1.— opleggen aan allen die tot de Kerk behooren, hetzij als lidmaat of als dooplid of als geboren uit Herv. ouders. Allen die dus meerderjarig zijn en tot de Hervormde kerk behooren moeten zonder onderscheid ƒ 1.— betalen ; terwijl dan een hoofdelijke omslag geheven zal worden van alle meerderjarige lidmaten, die in den hoofdelijken omslag der burgerlijke gemeenten zijn aangeslagen.
De bepalingen, die de Commissie ontworpen heeft, zijn van dien aard, „dat de aanslag voor niemand bezwaren kan opleveren." Kleine inkomens blijven vrij, voor de andere wordt ruime aftrek toegestaan. Zoo zal een ongehuwde, die ƒ 1600 inkomen heeft, niet meer behoeven te betalen dan ƒ 1.50. Als hij ƒ 4000 inkomen heeft, betaalt hij ƒ 6.54. Heeft hij ƒ 15000 inkomen, dan is hij er af voor ƒ 33.66. Voor gehuwden is het verschuldigde bedrag nog lager, ook in verband met het aantal kinderen.
Wanneer deze algemeene hoofdel. omslag komt, vervallen de plaatselijke hoofdel. omslagen. Wat de kerkvoogdij noodig heeft voor plaatselijke behoefte, kan ze vinden door middel van opcenten, juist als bij de gewone belastingen.
Gaan we nu even na wat er bij de discussie in de vergadering van de Synode voor op-en aanmerkingen gemaakt zijn in betrekking tot de voorstellen van de Commissie, die verklaart dat dit de eenige mogelijkheid is om de predikanten te helpen en de Kerk te redden.
Och-— eigenlijk is er weinig discussie geweest. Een paar menschen hebben wat gezegd en een paar hebben den mond even open gedaan, en daarmee uit. Waar anders de sluizen van welsprekendheid in de Synodale vergadering nog wel eens open kunnen staan, nu niets daarvan. In een oogenblikje was het Rapport behandeld en besloten dit voorstel ter beoordeeling aan de Kerk toe te zenden.
Ieder voelde, dat het hier om een uiterst belangrijke zaak gaat. Hier moet geholpen worden. Maar ieder voelde ook, dat het hier 'n uiterst moeilijke regeling is, waarin eigenlijk niet kan geholpen worden, zoolang onze Herv. Kerk is zooals zij is. En dat maakt het zoo uiterst moeilijk om z'n stem te bepalen, als er dan een bepaald voorstel komt. Het moet — en het kan, het mag niet ! Maar de leden der Synode hebben liever dat de Kerk zelf dat straks maar zegt, dan dat zij dat nïi uitspreken.
Vooral de kerkelijk hoogleeraar prof. Slotemaker de Bruine en de secretaris der Synode hadden nog al bezwaren. En deze twee, die toch zeker niet de minsten in het gezelschap waren, en die men gelukkig ook niet verdenken mag en kan, dat zij de predikanten en de Kerk niet willen helpen — déze twee verklaarden zich ten slotte tegen het voorstel der Commissie, dat wil zeggen : prof. SI. de B. stemde tegen en de secretaris zei, dat het plan onuitvoerbaar was, maar stemde voor.
Waarom prof. S. de B. tegen stemde ? Wel, eenvoudig omdat hij het onmogelijke van deze regeling voelde ; en anderen o.m. de vice-president, de quaestor-generaal en ds. Van der Grient met hem.
Ten eerste toch wordt de autonomie der plaatselijke gemeenten geheel opgeheven. De plaatselijke gemeenten zullen al hare vrijheden verliezen. Zij zal zelve niet meer het tractement enz. van den predikant mogen regelen. Zij zal alles moeten laten regelen door de Synode. De plaatselijke gemeente zal alles uit haar handen moeten geven.
Voelt men niet, dat hiermee verloren gaat wat we onder de ongelukkige Synodale organisatie van 1816—'52 gelukkiglijk nog hadden bewaard tot op heden, en wel de autonomie der plaatselijke gemeente, uitkomend in haar recht om haar eigen predikant te bezoldigen boven het Rijkstractement, dat door het Rijk ook aande plaatselijke gemeente uitbetaald wordt ?
Daarbij grijpt de Synode, naar de rechten van de kerkvoogden en de rechten van de beheerders der pastoriegoederen.
De Synode zal voortaan één en al zijn in bestthir en beheer ; en de plaatselijke gemeenten zullen voortaan niet veel meer zijn, dan kleinere of grootere stukjes van het geheel, in alles onder de Synode staande, die alles reglementeert.
Natuurlijk dat daar niets, niets van komen kan in onze Herv. (Geref.) Kerk !
Prof. Slotemaker de Bruine zei er dit van :
„Er zijn groote verwachtingen gewekt, waardoor de teleurstelling, als deze komt, te grooter zal zijn. De Commissie heeft de vraag naar den rechtsgrond terzijde gelaten. Daarbij is zij bedacht geweest op het geval, dat er kerkvoogden en beheerders van pastoriegoederen onwillig zouden zijn om mee te doen ; en die niet mee betalen zouden dan ook niets ontvangen." (De dominé's zouden dat gauw weten, welke gemeenten niet meedoen en — de „vakvereeniging" zorgt daar wel voor — die gemeenten zouden dan ook geen dominé krijgen. Bij een eventueel beroep zou ieder bedanken lazen we ergens).
„Maar", zoo vervolgde prof. Slotemaker de Bruine, „maar hoe zal men handelen indien er kerkvoogden en beheerders van pastoriegoederen zijn, die te goeder trouw meenen, dat van deze goederen niet een gedeelte voor dit doel mag worden afgestaan, aangezien zij alleen dienen mogen voor de plaatselijke gemeente ? "
Dat in de eerste plaats.
En dan verder : „Zullen grootere gemeenten niet-in groote moeilijkheden geraken, als zij voor hare behoeften alleen opcenten mogen heffen, terwijl de hoofdelijke omslag zelf
Waar dus de Commissie voorstelt, dat met de autonomie der gemeenten'moet worden gebroken, daar verklaart prof. Slotemaker de Bruine, dat hij zich met dat gevoelen der Commissie niet kan vereenigen, en we zijn hem daar dankbaar voor.
Wij kunnen dat ook niet.
In dat verband vraagde prof. SI. de B. welke gemeenten zich tegen een algemeenen hoofdelijken omslag verklaard hadden.
We hebben niet gelezen, dat hierop is geantwoord.
En dat achten we toch van het grootste belang, dat gepubliceerd wordt welke gemeenten zich, blijkens de enquête door de Commissie ingesteld tegen verklaard hebben
Prof. SI. de B. vreesde, dat de Commissie al te optimistisch in deze was, en wij vreezen dat met den hoogleeraar !
Ten slotte verklaarde prof. SI. de B. dat het hem moeilijk viel mede te werken tot een onverantwoordelijke daad, die op teleurstelling moet uitloopen. Hij zou liever een vroeger reeds meermalen gedaan voorstel opnieuw willen doen, n.l. dat een gemeente geen predikant mag hebben, als zij niet naar hare draagkracht zorgt voor goede bezoldiging van den Evangeliedienaar. Hij wil liever dat er geen predikant is, dan dat er een predikant is die honger lijdt.
Bovendien zeide hij : „is inderdaad mijn vrees uit de lucht gegrepen, dat, als dit reglement wordt ingevoerd, men in de groot ste practische moeilijkheden zal komen ? Er zal dadelijk 4 ton noodig zijn. Maar wat zal de Raad van Beheer moeten doen, als in 't eerste jaar 50 pet. inkomt van hetgeen zal moeten inkomen ? Het betreft hier niet het geven van toelagen, maar het wegnemen van den geheelen grondslag der bestaande tractementsregeling, om daarvoor een andere in de plaats te stellen. Hoe, indien dit laatste mislukt ? "
Al is het niet precies op dezelfde wijze, toch spraken de quaestor-generaal der Synode mr. Hogerzeil, de secretaris der Synode, dr. Bakhuizen van den Brink en ds. Zoete, de vice-president, alsook ds. v. d. Grient van Maassluis in denzelfden geest.
Mr. Hogerzeil zei o.a. dat vooral het feit, dat de rechtsgrond in het midden is gelaten, hem weinig heeft bevredigd.
De secretaris dacht daar weer wat anders over. Die zei met een zekere gemakkelijkheid : „wij leven in een tijd, waarin men zich om rechtsgronden niet veel meer bekommert."
De vice-president ds. Zoete is van oordeel, dat het verkeerd is te breken met het beginsel, dat de gemeenten voor debezoldiging moeten zorgen. Het rapport wil, dat dit zal worden overgebracht bij de kerk.
Spr. gelooft, dat er bij velen wel liefde zal zijn voor de gemeente op zichzelve en voor den eigen predikant, maar dat er veel minder belangstelling zal blijken te zijn voor de kerk in haar geheel. Hij is overtuigd, dat de gelden er niet zullen komen.
Spr. heeft bezwaar tegen den hoofdelijken omslag. Het geheele stelsel van belasting met opcenten acht hij in strijd met het wezen van de kerk. Het is de dood van alle offervaardigheid. Ook vreest hij, dat het aantal uittredenden niet zal meevallen. Spr. vereenigt zich met hetgeen door de praeadviseurs is gezegd. Hij vindt het ook zeer bedenkelijk, dat de commissie ad hoc de Synode reeds stelt voor de mogelijkheid van een échec."
Toen de leden van de Synode in 't kort hadden gezegd wat hun gedachten in deze waren, werd het woord gegeven aan ds. Eilerts de Haan, de rapporteur der Commissie, mede opsteller van het Reglement met toelichting.
Aan zijn verdediging ontleenen we het volgende :
De rapporteur is aanvankelijk vervuld van een gevoel van dankbaarheid. Het blijkt, dat ieder overtuigd is, dat hier een daad moet geschieden. Vroegere voorstellen, waarop door dr. Slotemaker de Bruine, den secretaris en den president is gewezen, moesten worden verworpen, omdat geen middelen waren aangewezen, waardoor dergelijke maatregelen tot wezenlijk effect zouden leiden. Bij de enquête is gebleken, dat men bij het aangeven van middelen om in den nood te voorzien, niet beseft heeft, wat er noodig is. Geen enkele van al die middelen kan ook maar eenigszins voldoen, om te komen tot het doel. Ook de enquête heeft overtuigend bewezen, dat het reglement der Commissie ad hoc het eenige middel is.
Dat er bezwaren genoemd zijn, het is begrijpelijk. Het verheugt spr. dat men die bezwaren heeft gevoeld.
Ie. de rechtsgrond. Hier moeten twee dingen .worden onderscheiden. In de eerste plaats de rechtsgrond om iets te krijgen uit kerk-en pastoriegoederen. In dit reglement is die rechtsgrond omzeild. „Wilt gij niets, dan ontvangt gij niets". Dat is hier als beginsel aangenomen. Wordt er geweigerd, wat spr. niet hoopt, dan zou het geen direct nadeel opleveren.
Maar nu de rechtsgrond, waarop de geheele zaak rust. Heeft de Synode het recht om een hoofdelijken omslag te heffen ? Neen zeggen sommigen. De Synode is geen beheerscollege, zoo beweren zij. Hier kan de eene rechtsgeleerde tegenover den anderen staan. Maar intusschen moet de Synode handelen. En de zaak van het heffen van een hoofdelijken omslag van de leden der kerk heeft met de beheerskwestie qua talis trouwens niets uit te staan. Wij mogen niet nalaten, het eenige middel, dat er is, toe te passen. 2e. het bezwaar tegen het algemeen beginsel, dat de regeling uit handen van de gemeenten wordt gelegd in handen van de kerk. Toegegeven moet worden, dat hier een gansch nieuwe zaak komt. Maar dat is geen bezwaar. De tegenwoordige regeling heeft volkomen gefaald. De rijke gemeenten leveren niets op en de arme gemeenten blijven zonder hulp. De kerk is verantwoordelijk voor hare dienaren en mag niet toelaten, dat de gemeenten voor die dienaren niet behoorlijk zorg dragen.
Spr. gelooft, dat het gevoel van liefde voor de kerk in haar geheel zal toenemen.
3e. Men heeft gevraagd, zal het geld er komen ? En men heeft bezwaar tegen den dwang. De Commissie zelve heeft dat bezwaar zeer ernstig gevoeld. Maar met vrijwilUge bijdragen komt men er niet.
Niet ieder is te treffen in den hoofdelijken omslag. Maar ieder kan gemakkelijk iets bijdragen. Daartoe dient het hoofdgeld.
De Commissie heeft zeer sterk gevoeld de moeilijkheid van de opcenten. Men heeft gevraagd, zal op die wijze het financieren in grootere gemeenten niet onmogelijk worden. Welnu, dat heeft de Commissie zeer ernstig overwogen. Zij is zeer huiverig voor een dubbelen hoofdelijken omslag en heeft die willen vermijden. Zij is echter van oordeel, dat bij de herziening van de Generale Kas, zooals in 't tapport is voorgesteld, in de moeilijkheid van vele gemeenten kan worden voorzien. Deze regeling zal ook zeer spoedig leiden tot juist inzicht van hetgeen de gemeenten behoeven.
4e. Wat de uitbreiding betreft, zeker, het zou te betreuren zijn. Maar dit mag ons niet weerhouden.
De onverschilligen van heden zouden de oorzaak zijn van den ondergang der kerk en van het lijden der belangstellenden.
Wel zal de kerk moeten tegemoetkomen aan degenen die geen voorziening vinden in eigen godsdienstige behoeften en toch zullen moeten betalen.
Wat de gehouden enquête betreft, dat deze niet bevredigend is geweest, erkent ook de Commissie. Een groot deel der ingekomen antwoorden is om verschillende redenen waardeloos.
Voorzeker is de vrees voor teleurstelling gegrond. Maar de Synode wordt gesteld voor de vraag : deze maatregelen te nemen of toe te laten dat de kerk ten onder gaat. De Commissieleden nemen geenszins voor hun rekening wat de Bond van predikanten zegt of belooft. Onredelijk optimisme koesteren zij niet. Maar het" is noodig, dat de kerk worde gewezen op hare verplichtingen. Wil zij niet, dan zal de verantwoordelijkheid voor de mislukking niet op de Synode, maar op de kerk rusten. Sommigen die met kleine middelen in 't belang van de predikantstractementen heeten te ijveren, zullen hier allicht tegenstanders blijken te zijn. Dat zijn degenen die eigen macht en invloed zullen willen behouden in strijd met het wezenlijk belang der kerk. Maar dit mag ons niet weerhouden. En spr. hoopt en'vertrouwt, dat het hier geen „coup de désespoir", maar' van „espoir" zal zijn, welke tot zegen zal wezen voor dé geheele kerk."
Dr. Slotemaker de Bruine andermaal het woord voerend, dankt den rapporteur voor de wijze waarop hij de zaak heeft bepleit. Spr. blijft van meening, dat de quaestie van den grondslag hier niet mag worden „omzeild." Mag men een gebouw oprichten, terwijl men zegt omtrent de soliditeit van den grondslag geen zekerheid te hebben ? Met den grondslag staat en valt het slagen van dit plan. Is het dus niet wijs beleid, eerst een beslissing af te wachten inzake het beheer ? De Commissie is ook niet zeker, dat het huis, eenmaal gebouwd, naar behooren zal worden gevuld. Toch wil zij het aanbevolen middel toepassen, omdat er geen ander middel is. Is de opzet van de Commissie zoodanig, dat temporiseeren en geleidelijk invoeren niet mogelijk is, dan wijst spr. er op, dat alleen uitstel hier reëel werk zal kunnen leveren. Spr. deelt niet het bezwaar tegen den „dwang." Maar men moet hier rekening houden met de kracht van 't historisch gewordene. Het zal enkele jaren duren, eer men geleerd zal hebben met dat historisch-gewordene te breken. Onmiddellijk zal dat hoofdgeld en die hoofdelijke omslag niet binnenkomen.
Ook wat betreft de quaestie van de openstelling der kohieren zal men nog eenig geduld moeten hebben.
Indien het mogelijk ware te besluiten : de gemeente geeft eerst het voor haar mogelijke en de rest wordt aangevuld door de kerk, dan zou spr. dien weg goedkeuren. Maar hier is 't juist andersom."
De heer Zoete kan wel wenschen, dat over deze regeling de kerk worde gehoord, maar die regeling aannemen, zooals zij daar ligt, zal hij vooralsnog niet kunnen.
De secretaris zegt, dat het beginsel, waarvan dit reglement uitgaat, dat de kerk zal moeten zorgen, nu de zorg der gemeenten heeft gefaald, zijn volle instemming heeft. Doch de uitvoerbaarheid van deze regeling acht hij volstrekt onmogelijk. Hij zou willen gaan in den weg, door dr. Slotemaker de Bruine aangewezen.
Ds. Van der Grient vindt de bezwaren zoo groot, dat hij zijn stem niet zal kunnen geven aan deze regeling. Spr. gelooft niet dat de kerk zal ondergaan, als dit reglement niet wordt ingevoerd.
Ds. Bongers wijst er op, dat wij hier nog geen eindbeslissing hebben te nemen. Wij mogen dit reglement niet verwerpen, voordat wij weten hoe de kerk er over denkt Men vergete niet, dat de Cl. vergaderingen verleden jaar zoo goed als eenparig op een regeling hebben aangedrongen, die toen door de Synode moest worden verworpen. Laat ons nu zeggen : welnu, hier hebt gij dan een regeling."
Als het woord hierna opnieuw aan den rapporteur is, maakt hij duidelijk, „dat het niet aangaat, de gemeenten eerst te laten zorgen en dan het ontbrekende door de kerk te laten aanvullen. Op die wijze zullen de wéinig-offervaardige gemeenten, welke het misschien zeer goed kunnen doen, worden geholpen ten koste van armere, welke doen wat zij kunnen.
Intusschen, laten zij die het gevoelen van dr. Slotemaker de Bruine deelen, zelven een goed gedocuriienteerd ontwerp aanbieden. Wie het aangeboden plan verv/erpt, moet met eene andere regeling komen."
Alsnu brengt de president de vraag in stemming, of het aangeboden Reglement voorloopig zal worden aangenomen en aan het oordeel der kerk zal worden onderworpen. Tegen verklaren zich een der praeadviseurs en een lid, zoodat met op één na algemeene stemmen is besloten, het Reglement aan de consideratiën van de provinciale kerkbesturen en de classicale vergaderingen te onderwerpen.
Over de kleine wijzigingen die daarna in het Reglement zijn aangebracht (o.a. zal het niet in 1921 maar eerst in '22 eventueel in werking treden) spreken we nu niet.
We weten nu wat het Reglement wil en hoe men verschillend denkt over dezen weg tot verbetering van de predikantstractementen.
Wij voor ons achten dit Reglement absoluut onuitvoerbaar en meenen nog altijd, dat het naar Gods oirdinantie is, dat de gemeente zorgt voor haar leeraar.
De roeping en de rechten van de plaatselijke gemeente blijven in deze ongerept en ongeschonden I
En als de gemeente leven mag bij en uit het Woord, zullen ook alle middelen, naar uitwijzen van dat Woord beproefd worden, om den leeraar en den kerkedienst te onderhouden.
Maar men solt nog altijd in onze Herv. Kerk met dat idee : „voor elk wat wils." En dat maakt dat onze Herv. Kerk een huis is en blijft, dat tegen zichzelf verdeeld is.
Ook in het plan van deCommissie komt dat weer uit.
Alsof het de meest gewone zaak van de wereld isj schrijft men zonder blikken of blozen (zie onder 4 van 't geen de rapporteur ter verdediging van het plan der Commissie zei), dat er een algemeene hoofdelijke omslag moet komen van alle lidmaten en dat de Synode dan zorgen moet, dat uit de algemeene kas uitkeeringen geschieden aan de verschillende godsd.-kerkelijke partijen die er zijn, opdat niet de een alles en de ander niets krijgt.
Hier wordt dus absoluut geen rekening er mee gehouden, dat de Herv. Kerk een belijdenis heeft en. dat ieder in de Herv. Kerk voorstander van het Evangelie van Jezus Christus, naar Gods heilig Woord genomen, zijn moet.
De Kerk geen pilaar en vastigheid der Waarheid, maar een Vereeniging van elk wat wils.
Dat wordt zoo maar even in 't voorbijgaan gedecreteerd als de hoogste wet en het eenige middel, dat de Kerk red^den kan.
Om een voorbeeld te geven :
In Utrecht zal vanwege de Synode van het kerkegoed 10 pct. enz. geïnd worden, een hoofdgeld van ieder die tot de Herv. Kerk behoort worden gevraagd, een hoofdelijken omslag geëischt van ieder lidmaat, en de Synode zal, als er zoo b.v. ƒ lO.OOO van Utrechts Herv. Gemeente binnenkomt, er zorg voor dragen, dat er tegemoetkoming gegeven wordt aan hen, die zich met de prediking der Utrechtsche predikanten niet kunnen vereenigen en die mitsdien buiten-kerkelijk des Zondags samenkomen.
Allen betalen — en dan wordt men naar de partij en naar de richting door de Synode erkend en kan men op eigen houtje verder kerkje spelen.
Zoo b.v. zullen in Utrecht de vrijzinnig-Hervormden worden erkend als kerkelijke partij ; zoo in Voorburg de ethischen ; zoo in Delft de ethischen en de confessionèelen; zoo in Woerden de gereformeerden ; enz.
Voelt men niet, dat alles, alles roeptom de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ?
Laat men de hoofdzaak toch hoofdzaak laten ; en laat men de dingen toch niet van den verkeerden kant aanpakken om tot verlossing uit de misère te komen.
Zóó althans komt men er nooit!
Dit wordt één groote mislukking. En dan is 't misschien te laat voor een betere oplossing.
De Ethischen.
Het valt niet te ontkennen, dat de invloed der ethischen in de laatste jaren aanmerkelijk in het midden van onze Herv. Kerk is verminderd.
De Gemeente wil over het algemeen de ethische prediking niet ; noch in de steden, noch in de dorpen ; waarvan, zooals de volksmond zegt, vooral de oorzaak is, dat de ethische predikanten over 't algemeen zoo'n „flauwe" preek geven ; waarbij ook 't woord „water en melk" nog al eens gebruikt wordt.
Zoo is de ethische groep èn in de katheder èh op den kansel wel aaninvloed afgenomen. Eertijds zoo oppermachtig is zij nu bepaald zwak geworden. En het laat zich niet aanzien, dat er spoedig in deze voor de ethischen verbetering zal komen.
Toch wil men trachten weer wat vooruit te komen en daartoe is een Commissie gevormd bestaande uit de h.h. J. Gouverneur, pred. te Zierikzee, P. J. Molenaar, pred. te 's-Gravenhage, prof. H. Th. Obbink, hoogleeraar te Utrecht, C. J. van Paassen, pred. te Haarlem, prof. J. R. Slotemaker de Bruine iioogleeraar te Utrecht en prof. A. J. de Sopper, hoogleeraar te Groningen, die trachten zal 'om de ethischen weer meer als één groep bij elkaar te krijgen.
De eerste vergadering daartoe is gehouden te Utrecht en volgens de courantenverslagen is deze bijeenkomst goed geslaagd, want er waren een 300-tal bezoekers en er is een vereeniging gesticht met een Statuut, terwijl bovenstaande Commissie in haar geheel als bestuur is gekozen.
Ds. Van Paassen, pred. te Haarlem, heeft op de oprichtings-vergadering te Utrecht, welke door ± 300 personen werd bijgewoond, een inleidend woord gesproken en wel als volgt :
„Het is — zoo sprak de inleider — „het is niet te doen om een ethische partij te formeeren of een ethische richting in te slaan of een ethische theologie te beoefenen. Geen partij, omdat het een partij altoos om succes te doen is. Geen richting omdat hij veeleer bedoelde het standpunt te kennen te geven vanwaar wij uitgaan dan den kant waarlieen wij willen gaan. Geen theologie, oindat er geen ethische triculogie bestaat of z i. ook maar bestaan kan.
De woorden : partij, richting, theologie zijn in samenvoeging met ethisch den spreker uit den booze. Hier passen alleen woorden als : zuurdeesem, correctie, methode en bovenal beginsel. De vergadering moest dan ook — zoo hoopte hij — geen theologisch karakter dragen of in theologische discussies verloopen. Bedoeld was : de vraag onder de oogen te zien of het niet tijd werd een vereeniging tot versterking van het ethisch beginsel in het leven te roepen. Met dit ethisch beginsel werd het beginsel bedoeld waarvan dr. D. Chantepie de la Saussaye uitgegaan was en in aansluiting aan hem de hoogleeraren Iz. van Dijk (Groningen), J. H. Gunning Jr. (Amsterdam en Leiden), Chantepie de la Saussaye Jr. (Amsterdam en Leiden) en Valeton (Utrecht), om van later komenden te zwijgen.
De spreker heeft getracht dit ethisch beginsel van de la Saussaye Sr., die naar zijn oordeel gedaan heeft wat Heinrich Bullinger gedaan heeft tegenover het Scholasticisme in de reformatische theologie te karakteriseeren. Hij heeft aangewezen waarom en in hoeverre de eerste mannen van het ethisch beginsel zich tegen rechtzinnigen zoowel als tegen vrijzinnigen hebben verzet. Zij wilden niet uitgaan van een begrip en hebben de theologie geplaatst op den bodem van het persoonlijk geloof.
Er is na het heengaan van de oudere garde veel veranderd maar het ethisch beginsel is gebleven en, naar sprekers meening, had het beteekenis ook voor den tegenwoordigen dag. Maar zou het die beteekenis behouden en meer beteekenis krijgen, dan was het z.i. noodig, dat de voorstanders van het ethisch beginsel kwamen tot een zekere organisatie, in welk verband herinnerd werd aan het woord van Thorbecke : „Beginselen zonder organisatie zijn wegwijzers zonder weg". Hij meende dat 't noodig was dat de mannen en vrouwen van ethisch beginsel zich met elkander beraadden over de dingen die noodig waren voor kerk en volk. Natuurlijk wist hij wel, dat het uiterst moeilijk zou zijn geestverwanten te verzamelen en te vereenigen, omdat er zooveel verschil van meening was. Maar de Commissie, waarvan hij deel uitmaakte, had een poging gewaagd om tot een vereeniging, die een zeer bijzonder karakter zou dragen, te komen. Met enkele voorbeelden uit de praktijk werd het wenschelijke, zoo al niet noodzakelijke van zulk een vereeniging aangetoond Een nieuwe partijvorming had men niet op' het oog. Van eenigen dwang verwachtte men geen heil. Alleen met geestelijke wapenen moest worden gestreden. Om stembussucces was 't niet te doen. Volmaakt was spr. het eens met dr. De Vrijer, die in zijn onlangs verschenen „De Gereformeerd Ethischen gezegd heeft, dat het onze taak is 'n de historisch gegeven groepen der kerken tegen de doode orthodoxie te strijden met met booze woorden maar door de betooning van de kracht van het Evangelie. Er zou in het ontwerp-Statuut dat ter ta-'el gebracht werd, zoo weinig mogelijk gereglementeerd worden. Men zou af willen wachten wat onder Gods leiding uit de vereeniging, indien zij opgericht werd, groeien zou. Noodig was allereerst de geestelijke opbouw der gemeente en hij hoopte van "arte dat al zijn geestverwanten, hetzij dan 'n hetzij buiten een eventueele vereeniging tot versterking van het ethisch beginsel, in zonderheid in de Ned. Herv. Kerk, aan dien opbouw mede zouden werken."
Tot zoover het inleidend woord van ds. Van Paassen, dat wij hier overgenomen hebben, zooals wij het lazen in de N.R. Ct Van de discussie die volgde vermelden we dit :
Ds. Hunninger van Amsterdam acht het noodig meer voeling met elkaar te houden. Laat de commissie ad hoc permanent worden. Statuten en reglementen acht hij onnoodig.
Prof. De Zwaan zegt : er wordt geen vereeniging gevormd ; er is er een. Maar een vereeniging moet statuten hebben ; men sterft daar niet aan. Laat het bestuur statuten aanbieden.
Oud-zendeling Niks, leerling van Gunning vraagt wat het geloof der gemeente is. Spr. heeft heel wat ethische preeken gehoord, maar die waren duister, vaag, daarom is precisie noodzakelijk.
Dr. Gouverneur (Zierikzee) antwoordt den heer Niks, dat wij hier niet kunnen uitmaken wat het geloof der gemeente is. Wij zijn hier omdat 30 Juni tot deze vergadering is besloten. Deze vereeniging wil geen kerkelijke manoeuvres ; ethische, sociale, kerkelijke vraagstukken moeten wij hier bezien uit het oogpunt van ethische beginselen. Vele gemeenteleden zullen dit waardeeren.
Prof. Slotemaker de Bruine bewonderde de korte uiteenzetting van den praeses. Hij had gedacht dat aanwezige gemeenteleden reeds het v/oord zouden gevraagd hebben, want niet alle gemeenteleden mogen geacht worden te weten wat ethisch is. Als er nu, gelijk wel eens gebeurt, maar geen inferieure kenmerken genoemd worden. Kunnen gemeenteleden duidelijk en goed zeggen wat zij voor ethisch houden ? "
Dr. J. W. Gunning, privaat-docent in Utrecht, gevoelt zich gedrongen hier te uiten Hij meent dat de voorzitter omtrent het ethisch beginsel goede dingen heeft gezegd. Bijeenkomsten als deze acht hij noodig. Wat de vraag van prof. Slotemaker de Bruine aangaat zegt spr., dat het z.i. niet volstrekt juist is te spreken van ethisch beginseL Al kunnen we niet zeggen wat ethisch is, wij kunnen wel spreken van een ethische mentaliteit. Het is een zekere mentaliteit ; wij voelen haar in vele personen ; ook in Gereformeerden. Er is een zeker aanvoelen van de geestelijke waarheden ; een groote groep voelt instinctmatig. Wij hebben min of meer dezelfde mentaliteit. Men kan niet precies definieeren, maar op den voorgrond komt : het leven, de persoonlijke ervaring. Dat komt op den voorgrond omdat het in de menschen op den voorgrond staat. Al loopen de formuleeringen uit elkaar, als het maar komt uit de ervaring.
.Dr. Van Hasselt (Rotterdam), scheikundige en ingenieur verzekert, dat hij bij ethischen iets nieuws hoort ; hij wenscht in de prediking voorlichting in 't verwarrend gebeuren. Voorlichting verwacht hij ook van dezen kring.
De heer Dekking (Utrecht) begroet met sympathie eventueele organisatie, dan is er ook kans op een orgaan. De Nederlandsche Kerkbode verdween. (Bergopwaarts schijnt spr. niet te kennen).
Dr. Boland (Den Haag) medicus, herinnert aan het Gezondheidscongres, dat te beschikken heeft over een eigen orgaan en' dat volksgezondheid in het algemeen op het oog heeft. Een orgaan naar dat model zou deze vereeniging kunnen dienen, het zou niet alleen door vakmenschen moeten worden geschreven. Deze bijeenkomst moet de laatste niet zijn. Zou „Bergopwaarts" niet 't orgaan kunnen zijn ?
Dr. Beerens (Utrecht), sluit aan bij dr. Boland : maar dan moeten wij niet een congres hebben ; dat is voor vakmenschen. Wij moeten allermeest een kracht in het gemeentelijk leven trachten te zijn. Er moet' een vereeniging van menschen zijn. Een beginsel moet uitgroeien ; moet een belijnden vorm krijgen. Door middel van het vereenigingsleven zal er meer belijning komen. Er kan rijke verscheidenheid zijn in het gehoopte Reveil. Van het individualistische moeten wij komen in de ruimte.
Ds. C. W. Coolsma (Groningen) wenscht geen vereeniging. Als wij daarmee beginnen dan komen er kerkelijke kleinigheden in debat ; dat is niet bevorderiijk voor de eenheid. Er werd in overweging gegeven dezen zomer een conferentie te houden ; spr. stelt thans voor dat er in congresvorm over verschillende onderwerpen zal worden gesproken.
Prof. De Zwaan (Groningen), resumeerend, zegt dat in deze vergadering gevoeld is : er moet voorlichting zijn. Verder is gebleken, dat de predikanten zelf ook voorlichting behoeven. Nu meent hij, wat dit laatste betreft, dat wij, ook predikanten, te veel onder den invloed staan van andere theologen. Noodig is, dat onderwerpen bestudeerd worden. Bepaalde kleine studiekringen moeten er zijn, bepaalde onderwerpen moeten bestudeerd ; dan komt er een communis opinio. In de christologie zijn wi los van Athanasius en Luther, nu moet het Logosbegrip bestudeerd worden. Verder moet de kwestie der Godsopenbaring onderzocht. Hier hoort groote moed toe. Er zijn op dit punt weer eigenaardige dingen gezegd op de predikantenvergadering van gisteren. Verder : het Kerkbegrip ; een leugen is dat men meent een organisatie te hebben naar Gods Woord. Dan : men heeft de arbeiders de kerk uitgejaagd, ook anderen omdat men positief niets zegt over de menschelijke ziel en hare toekomst. Er is in de nieuwere psychologie veel materiaal. Wat is . het getuigenis des geestes in onze dagen Dan komt vanzelf de revisie van de the . ologie. Wij weigeren in de gedachtenformules der ouderen ons te laten opsluiten. De predikanten, die zich voor deze studie willen geven, moeten gesteund worden.Ethischorthodox is niet „gematigd-orthodox", men kan immers niet gematigd waarheidlievend zijn. Wat ons positief samenbindt is, dat wij niet erkennen, dat logische redeneeringen onlogische consequenties hebben. De ëenige grond, waarop men onderscheiding maakt, tusschen goed en kwaad is het ethisch besef. Logisch moet men determinist zijn ; toch protesteert daartegen het ethisch besef."
Nadat alzoo het doel van de vergadering door Prof. de Zwaan wat nader nog uiteengezet was en de verschillende vragers van hem antwoord hadden ontvangen, las de voorzitter, ds. Van Paassen, de volgende artikelen voor, die het Moderamen had samengesteld :
Artikel 1. „De vereeniging heeft ten doel de versterking van het ethisch beginsel inzonderheid in de Ned. Herv. Kerk.
Op de vraag van dr. Brouwer (Oegstgeest) of een vrijzinnige lid kan worden, antwoordde prof. Obbink, dat deze vereeniging geen hek van dogmen voor de vereeniging plaatst. Wij moeten het aandurven een sfeer te scheppen waarin alleen de ethische leven kan.
Dr. Brouwer merkt op, dat hier dus het woord ethisch alleen in lormeelen zin is bedoeld. Doch hiernaast kreeg spr. den indruk, dat men toch wel van een materieelen inhoud is uitgegaan. Men moet zich daarvan wel bewust zijn.
Art. 2. Ter bereiking van dit doel belegt zij huishoudelijke vergaderingen met de leden en vergaderingen met geïntroduceerden, beide zoowel voor het geheele land als voor bepaalde districten. Voorts tracht ze invloed uit te oefenen door de pers en door alles, wat het bestuur dienstig en nuttig oordeelt.
Art. 3. Leden der vereeniging zijn zij, die den wensch daartoe aan het bestuur te kennen geven en een jaarlijksche bijdrage betalen. Leden kunnen door het bestuur districtsgewijze worden gegroepeerd. De nadere huishoudelijke regeling dezer districten behoeft alsdan de goedkeuring van het bestuur.
Art. 4. Het bestuur bestaat uit zes leden, te kiezen uit en door de leden. Jaariijks treden volgens rooster twee leden af, die echter terstond herkiesbaar zijn. Over het tijdstip der vervulling van tusschentijds ontstane vacaturen beslist het bestuur.
Art. 5. Het bestuur verdeelt de functies onderling.
Art. 6. Minstens eenmaal per jaar wordt een algemeene huishoudelijke vergadering gehouden, waarin de bestuurskeuzen plaats vinden, de secretaris verslag uitbrengt en de penningmeester rekening en verantwoording doet.
Art. 7. In gevallen, waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur, behoudens recht van beroep op een algemeene ledenvergadering."
Deze artikelen werden aldus vastgesteld en de vereeniging geconstitueerd.
Op voorstel van dr. Callenbach wordt het bestuur bij acclamatie gekozen.
Ds. Barger (Utrecht) sloot de vergadering met dankgebed, nadat hij de beste wenschen voor den bloei der vereeniging had uitgesproken.
En alzoo hebben we nu een organisatie van de ethischen.
Er is concentratie in dien kring gekomen. Als men nu met de ethischen onderhandelen wil heeft men een adres waar men zich kan vervoegen. En daar kan men dan te weten komen wat de ethischen zijn en wat zij willen. Zulks kan verheldering geven te midden van ons kerkelijk leven. Want dikwijls weten we toch eigenlijk niet wat de beginselverklaring der ethischen is en wat zij inzake practische aangelegenheden willen. Nu kan dat anders worden. Nu heeft men een vereeniging ; straks een officieel orgaan. Dan kan men zeggen wat men gelooft en denkt aangaande Schrift, Belijdenis, Kerk, enz. En dan weten we wat we aan elkaar hebben.
Zullen we dan gewaar worden, dat we samen staan op denzelfden geloofsgrond ? Of zal het blijken, dat we in den grond der zaak eigenlijk over alles verschillend, principieel verschillend, denken ?
We zullen nu maar afwachten de dingen die komen zullen.
7) I. KUIPER, Geschiedenis van het Christelijk Lager onderwijs in Nederland blz. 42.
Discussie ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's