Uit het kerkelijk leven.
Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
Het 16de vervolgstuk van de hand van prof. dr. H. H. Kuyper nemen we hier uit „De Heraut' over :
Geen gunst maar recht.
Dat de Nationale Vergadering in 1798 onrecht tegenover de Gereformeerde Kerken gepleegd heeft, kan dus niet betwist worden. Al is de Nationale Vergadering niet zóó ver gegaan als de meest radicale elementen - wilden, die de voormaals heerschende Kerk van al hare kerkgebouwen en goederen — zelfs van die welke na 1581 aan de Gereformeerde Kerken waren geschonken en die ; " dus in elk geval onbetwistbaar haar eigendom waren — wilden berooven om ze, ten verkoopen, Toch heeft de Nationale Vergadering wel degelijk zich schuldig gemaakt aan krenking van de historisch verkregene rechten; der Kerk en aan confiscatie van goederen, die haar niet toekwamen en waarover zij ook geen zeggenschap bezat,
Dit geldt reeds ten opzichte van de kerkgebouwen en pastoriehuizen met de daarbij behoorende goederen, want welk recht had de Nationale Vergadering, die den band tusschen Kerk en Staat verbroken had. om te beschikken over deze kerkgebouwen en pastoriehuizen ? Eigendom van den Staat waren deze goederen niet ; ze werden zelfs niet door den Staat beheerd onder de Republiek, maar door kerkvoogden, die door de gemeenteleden of parochianen waren gekozen. Welk recht had de Nationale Vergadering om deze kerkgebouwen en pastoriehuizen onder de verschillende gezindheden te verdeelen naar gelang van het zielenaantal en daarmede in den eigendomstoestand dezer goederen m te grijpen ? Indien in den boezem eener Kerk een scheuring plaats vindt en een belangrijk deel der leden met het bestaande instituut breekt of dit tot reformatie wenscht te brengen, kan de Overheid geroepen zijn om, wanneer beide partijen aanspraak op de goederen doen gelden, erover hetzij door rechterlijk vonnis! hetzij door bepalingen in de wet-uitspraak te doen. Maar hiervan was in 1798 geen sprake. De verschillende Kerken of gezindheden stonden reeds eeuwenlang naast elkander En waar nu bij de Retormatie, meer dan twee eeuwen geleden. de destijds heerschende overheid deze goederen toegewezen had aan de Gereformeerde Kerken, of wil men iever, erkend had, dat deze Kerk recht had op het gebruik van deze goederen, welk recht had de Nationale Vergadering om thans op deze beslissing terug te komen en deze goederen nu over alle gezindheden te komen verdeelen ? Gesteld zelfs, dat de Overheid in 1591 onrecht gepleegd had door deze goederen die voor de Katholieke Christeijke Kerk bestemd waren, uitsluitend aan de Gereformeerde Kerken toe te wijzen, zooals op de Nationale Vergadering beweerd werd, kan dan de Overheid, nadat dit „onrecht" twee en een halve eeuw geleden geschied is het plotseling weer te niet doen? Bovendien, al zou de overheid het recht gehad hebben, wat we ontkennen,.tot verdeeling dezer goederen over te gaan, om daarmede het onrecht te herstellen tegenover de Roomschen begaan, die van deze goederen beroofd waren, zoo kon er toch in ieder geval geen sprake van zijn dat allerlei secten die zich van de Christelijke Kerk in het vaderiand hadden afgezonderd of door de Kerk wegens afwijking van de belijdenis uit de Kerk waren gebannen, ja zelfs degenen, die nooit tot deze Kerk behoord hadden zooals de Joden, gelijke rechten zou oen hebben als de Roomsche en de Gereformeerde Kerk. AI mocht de Overheid, na de scheiding van Staat en Kerk, alle gezindheden als gelijk voor de wet beschouwen, daaruit volgt niet, dat de Overheid het recht had om de kerkegoederen over al deze gezindheden gelijkelijk te verdeelen. Het revolutionaire beginsel, dat met geen historisch geworden toestanden rekening houdt, maar alleen met abstracte theorieën kan, althans door 'n anti-revolutionair nooit goed worden gekeurd, 't Is, zooals de heer Colijn in zijn voortreffelijke rede op de Deputaten-vergadering opmerkte, in strijd met de ordinantie
Hetzelfde geldt evenzeer ten opzichte van het besluit der Nationale Vergadering om de uitbetaling van alle predikantstractementen te doen ophouden. Dat we op zichzelf het uitbetalen van de predikantstractementen door de Overheid zeer beslist afkeuren, omdat de Kerk daardoor altoos min of meer haar vrijheid, die haar kostelijkst goed is belemmerd wordt, is bekend genoeg. We hebben altoos den strijd gevoerd tegen de - ziiveren koorde" en van een plicht, die op de Overheid als zoodanig rusten zou om het onderhoud van de predikanten te willen zorgen willen we niets weten. De zorg daarover heeft Christus niet aan de Overheid, maar aan de gemeenteleden zelt opgelegd. Wanneer , .De Tijd' nog korten tijd geleden bepleiten kwam, dat de Overheid, ook na uitbetaling van de kapitalen aan de verschillende Kerken, zou voortgaan met als vrije subsidie de Kerken te steunen, dan staan we uit beginsel daar lijnrecht tegenover. We wenschen vooral thans meer dan ooit eiken finantieelen band tusschen Kerk en Staat te doen ophouden. Maar dit alles heeft met de vraag, of de Nationale Vergadering in 1798 het recht had deze predikantstractementen in te houden, niets te maken. Deze predikantstractementen waren niet een vrijwillige subsidie van de Overheid aan de Kerk, maar werden door de Overheid deels betaald uit de kerkelijke en geestelijke goederen, die zij na de Reformatie onder haar beheer genomen had, deels, voorzoover zij uit belastingen werden gevonden, waren zij een restitutie van het kerkelijk en geestelijk goed, dat de Overheid vroeger had gebruikt om de oorlogskosten en de Landsschulden te betalen. Indien de Nationale Vergadering den financieelen band tusschen Kerk en Staat had willen doen ophouden, dan had zij aan de Kerken de kapitalen moeten uitkeeren of restitueeren, die zij onder haar beheer had of voor 's Lands schulden had gebruikt. Maar het inhouden van deze tractementen zonder kapitaaluitkeering, was onrecht, roof tegenover de Kerken gepleegd. Van zelf vloeit daaruit voort, dat ook de confiscatie of nationaliseering van de kerke 'lijke en geestelijke goederen, die de Overheld onder haar beheer had, onrecht is geweest, ook al heeft de NationaleVergadering den schijn trachten te redden door te bepalen, dat deze goederen in een apart fonds zouden worden ondergebracht en voor onderwijs en armenzorg zouden worden bestemd, omdat deze goederen aldus bestemd bleven voor pieuse doeleinden, waarvoor i ze waren gegeven. Nog daargelaten echter, dat ten opzichte van de kerkelijke goederen, die aan de zorg der Overheid waren toebetrouwd onder voorwaarde, dat de Overheid de predikantstractementen betaalde, de Overheid elk recht miste om deze goederen een niet-kerkelijke bestemming te geven, is ook, wat de geestelijke of kloostergoederen betreft, aangetoond, dat armenzorg en onderwijs, losgemaakt van de Kerk, van alle Christelijk karakter ontdaan, Ja zelfs dienstbaar gemaakt om de Christelijke religie te ondermijnen, geen pieuse doeleinden zijn, maar veeleer het tegendeel kunnen worden genoemd. Ook ten opzichte van deze geestelijke goederen is wat de Nationale Vergadering in 1798 deed, dus niet anders dan een misbruik van haar macht te noemen, een ontvreemden van deze goederen aan hunne bestemming, wat te ergerlijker was, omdat deze goederen voor een heilig doel waren bestemd en aan den dienst Gods waren gewijd.
Zoo kan dus wat elk dezer drie besluiten betreft, niet anders geoordeeld worden, dan dat de Nationale Vergadering onrecht heeft gedaan. Onrecht door de kerkgebouwen en pastoriehuizen aan de bezitters te ontnemen en over de gezindheden naar 't aantal van de gemeenteleden te verdeelen. Onrecht door de predikantstractementen in te houden. En evenzeer onrecht door de kerkelijke en geestelijke goederen tot nationaal eigendom te verklaren en voor andere doeleinden te bestemmen, dan waarvoor ze waren gegeven.
Ook het argument van mr. Van Apeldoorn ter disculpatie van de Nationale Vergadering aangevoerd, dat zij in beginsel niet anders heeft gedaan dan wat de Overheid tijdens de Republiek deed, is niet steekhoudend bevonden. Hij vergat den bekenden regel, dat si duo idem faciunt, non est idem, d.w.z. dat al doen twee het zelfde, dit daarom nog niet hetzelfde is. Zelfs gesteld, dat de beslissingen, die de Nationale Vergadering nam, formeel dezelfde waren geweest als die van de Gereformeerde Overheid, dan volgde daaruit nog niet, dat de Nationale Vergadering gerechtigd was deze beslissingen te nemen. Zoolang de Overheid in ons land optrad als voogd en voedsterheer der Kerk en daarbij besliste, wat de ware Kerk was, die zij te verzorgen had, kon de Overheid daaraan desnoods geacht worden rechten te ontleenen om over deze goederen zeker beschikkingsrecht uit te oefenen, evenals een voogd dit kan ten opzichte van de goederen van zijn pupil. Maar zoodra de Overheid zich niet meer gerechtigd achtte uit te maken, welke religie de ware is, verviel daarmede vanzelf ook haar voogdij-en voedsterschap van de Kerk en daarmede ook haar recht, om over deze goederen beschikkingen te nemen. Terwijl voorts, gelijk iS' aangetoond, ook materieel de beslissingen door de Nationale Vergadering genomen, lijnrecht staan tegenover wat de Gereformeerde Overheid heeft gedaan.
Zoo blijft dan nog alleen het argument over, door mr. Van Apeldoorn aangevoerd, dat de Nationale Vergadering, wel verre van de Kerk te willen berooven van haar eigendom, getoond heeft dit eigendomsrecht, voor zoover het aanwijsbaar was, te willen eerbiedigen, 1) doordat zij aan haar besluit tot nationaliseering der geestelijke goederen de clausule toevoegde : blijvende nochtans onverlet de aanspraak, welke eenig lichaam of gemeente daarop maken mocht en met de noodige bewijzen voorzien, aan het vertegenwoordigend lichaam ter beslissing zal moeten inleveren.
Nu is deze slot-alinea zeker van belang, omdat er tweeërlei uit blijkt : vooreerst, dat 1 zelfs deze revolutionaire Overheid zichzelf toch niet de bevoegdheid toegekend heeft om vrijmachtig over deze goederen te beschikken, en ten tweede, dat in deze clausule implicite de erkenning lag opgesloten, dat de Kerk op een deel dezer goederen wel degelijk eigendomsrechten kon doen gelden; want indien de Nationale Vergadering de overtuiging had gehad, dat deze goederen Staatseigendom waren, gelijk mr. Van Apeldoorn meent, dan zou deze slotclausule geen beteekenis hebben gehad. Het schijnt, dat de Nationale Vergadering metterdaad de bedoeling heeft gehad, dat wanneer onder deze geestelijke goederen zich ook goederen bevonden, die aan eene gemeente behoorden, deze zouden worden teruggegeven. Zij heeft dan ook, zooals uit de geschiedenis blijkt, met de meeste bereidwilligheid de archieven van rentmeesters, ontvangers en administrateurs geopend voor de reclamanten en zelfs den tijd van inlevering verlengd, omdat zij 'n eerlijke boedelscheiding schijnt gewenscht te hebben. 2) Intusschen is deze. scheiding van kerkelijk goed uit de genationaliseerde geestelijke goederen niet tot stand gekomen, zoodat deze clausule practisch geen effect heeft gesorteerd. Of de een of andere gemeente van dit recht gebruik heeft gemaakt en hare aanspraken bij de Nationale Vergadering of 't Vertegenwoordigend Lichaam heeft doen gelden, is mij niet bekend. Wel hebben de Gereformeerde Kerken tegen dit besluit der Nationale Vergadering een protest ingediend, maar dit protest is ter zijde gelegd. En indien een bepaalde ge meente van de bevoegdheid, in de slotclausule haar geschonken, gebruik heeft gemaakt, heeft dit in elk geval er niet toe geleid, dat deze goederen haar terug zijn geschonken. Niet omdat de Nationale Vergadering beslist heeft, dat deze aanspraken niet deugdelijk waren, maar omdat een nieuwe omkeer in het Staatsbewind aan het bestaan der Nationale Vergadering een einde heeft gemaakt.
Het onrecht door deze confiscatie der geestelijke goederen den Kerken aangedaan, is dus niet hersteld geworden. En zelfs al zou men aan de eerlijke bedoeling der Nationale Vergadering om recht te doen, niet twijfelen, dan is zij door haar besluit toch de oorzaak geworden dat deze goederen voor de Kerk zijn verloren gegaan. Zelfs mag de vraag gesteld worden, of de Overheid wel aldus handelen mag. Dat een belangrijk deel dezer goederen pastoralia waren en aan de Kerken toebehoorden, was bekend genoeg. Indien de Nationale Vergadering deze pasto'ralia had willen scheiden van de andere geestelijke goederen en aan de Kerken terug geven, zou het haar gemakkelijk genoeg gevallen zijn dit te doen, want deze goederen stonden afzonderlijk genoteerd. Door eerst deze goederen te confisqueeren en daarna aan de gemeenten den last op te leggen het bewijs te leveren, dat zij op deze goederen aanspraak hadden, werden de rollen omgekeeerd. En aangezien de beslissing over deze aanspraken niet aan den rechter werd overgelaten, maar aan de Overheid zelf, die deze confiscatie had gedecreteerd, viel op een rechtvaardige beslissing nauwelijks te hopen, vooral wanneer men let op den vijandigen geest, die de Overheid tegenover de Gereformeerde Kerken bezielde. Het is dan ook wel te begrijpen, dat van dit recht nauwelijks gebruik is gemaakt ; men moest wel vreezen bij den duivel te biecht te komen. Van een Overheid, die aldus handelt, kan dan ook kwalijk gezegd worden, dat zij de eigendomsrechten der Kerk heeft willen eerbiedigen. Eer het tegendeel. Dr. H. H. K. vasthielden tegenover het staatscreatuur van 1 1816. Dit jaar zijn aan de beurt van afvaardigen Gelderiand, Zuid-Holland en Noord-Holland, welke provincies dan één predikant en één ouderiing te benoemen hebben.
1) t. a. p blz. 18.
2) DR VAN LONKHUYZEN, Radicale finantieele scheiding blz. 76.
Het beheer der kerkelijke goederen.
Straks komt op de Classicale Vergaderingen en daarna in de Synode de kwestie van het beheer der kerkelijke goederen weer aan de orde, naar aanleiding van een nieuw reglement op het beheer door de Synode des vorigen jaars voorloopig aangenomen. Nu kent men dat „voorloopig" aannemen van een reglement in onze Kerk. Dat gebeurt dikwijls, omdat de Synode niet ineens een of andere zaak verwerpen wil, maar ook aan de Kerk gelegenheid wil geven zich over de dingen uit te spreken. Zijn dan de consideraties van de kerkelijke vergaderingen ingekomen, dan weet de Synode hoe de Kerk zelf er over denkt ; en als dan het voorloopig aangenomen reglement weer ter tafel komt, om afgehandeld te worden, dan gebeurt het niet zelden, dat wat voorloopig aangenomen was bot wordt afgewezen, om naar de groote Synodale papiermand — of archiefkast — te verhuizen.,
Zulke dingen gebeuren dan bij voorkeur eerst met 10 tegen 9 stemmen en dan met 9 tegen 10 stemmen. Dat is al spreekwoordelijk geworden onder ons.
Nu ligt daar weer zoo'n „voorloopig aangenomen" reglement; gaande over het beheer der kerkelijke goederen.
Dat is al een oude historie ! en tot nog toe is er niet veel schot en voortgang in de behandeling van deze gewichtige aangelegenheid.
Het lust ons niet breed op deze zaak in te gaan. Er is al zooveel over geschreven en eigenlijk begint het aardig te vervelen.
Maar nu het „voorloopig vastgestelde" reglement in discussie zal komen en prof. Cannegieter —oud-hoogleeraar te Utrecht - in een brochure aandringt op „aannemen", willen wij er toch een enkel woord over zeggen en adviseeren om het niet aan te nemen.
In historie-en kerkbeschouwing verschillen we in deze dan ook belangrijk met den vrijzinnigen hoogleeraar Cannegieter.
Deze zegt b.v. dat de Koning, naar uitwijzen van de in Augustus 1815 in werking getreden gewijzigde Grondwet geen enkel recht had om de regeling van zaken in kerkelijke aangelegenheden te regelen.
En daarin zijn we het roerend eens met den geleerden schrijver van de brochure „De Ned. Herv. Kerk en de kerkelijke goederen harer Gemeenten."
Maar als hij dan zegt, dat de koning zich toch met de kerkelijke zaken bemoeid heeft en dat de Kerk toen beleefd had kunnen bedanken en deze koninklijke regeling had kunnen afwijzen, wat zij niet gedaan heeft — dan zijn we zoo vrij, als prof. Cannegieter schrijft : „Ze heeft stilzwijgend het Reglement aanvaard en zonder verzet er naar . geleefd tot 23 Maart (1 Mei) 1852", te zeggen : de koning heeft, tegen den geest der Grondwet handelend, de Kerk gedwongen zijn Reglement aan te nemen ; en bij voortdurend protest heeft de koning als staatsgevaarlijk gebrandmerkt een ieder, die zich tegen het onrechtvaardig opgelegd Reglement, dat met het wezen van onze aloude Geref. Kerk vierkant in strijd was, verklaarde. Ja, ze zijn tenslotte vervolgd, beboet, in de gevangenis geworpen, als gevaarlijke schavuiten, die aan de Geref. beginselen Ider belijdenis en der Dordtsche Kerkorde
En als prof. Cannegieter zegt: „Dit feit nu, dat zij de haar voorgelegde wet (Reglement van 1816) heeft aangenomen en zich er naar gedragen heeft, moet in rechte gelden als de openbaring van haren wil. Immers, evengoed als eene natuurlijke persoonlijkheid kan een zedelijk lichaam zijn wil, behalve door eene opzettelijke wilsverklaring, ook in zekere omstandigheden door stilzwijgend handelen doen verstaan" — dan zeggen we weer : Professor, weet u dan niet, dat de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis sinds 1816 één groot protest is tegen de Synodale organisatie van 1816—'52 ? Nooit, nooit heeft de Kerk stilzwijgend verklaard, dat haar de Synodale organisatie van 1816—'52 aangenaam is. Integendeel, honderd jaar misère ligt er achter ons, luide verkondigend, dat onze Herv. Kerk er nooit vrede mee gehad heeft, het bewijs in zich dragend, dat zij ook nooit, nooit vrede krijgen zal met de on-Gereformeerde, allerongelukkigste organisatie in 1816 wederrechtelijk aan de Kerk opgelegd !
Herhaalt prof. Cannegieter dan ook: „Door de eigen wil en daad van de Hervormde Kerk is het Reglement van 1816 de voor haar verbindende wet geworden", dan zeggen we nog eens : ja, met geweld is de Kerk onder het Synodale juk gebracht en ieder die zich daartegen verzette werd beschouwd als een ontrouw onderdaan van den koning en een slecht burger van Nederland ; waarbij aan de Kerk alle gelegenheid ontnomen is om ook maar even den mond open te doen ; 't welk evenwel niet heeft kunnen verhinderen, dat de tegenzin tegen de Synodale organisatie met den dag toenam en het protest van jaar tot jaar sterker werd. Waarbij 1852 een voortzetting en bestendiging van het onrecht van 1816 is geweest, gelijk o.a. Groen van Prinsterer dat onvermoeid heeft betoogd en „klaarder dan de zon" heeft bewezen.
„Het wettig statuut onzer Kerk" — zooals prof. C. het Algem. Regl. van 1852 noemt zien wij dan ook met andere oogen aan dan hij en de conclusie die hij trekt, zeggende : „naar den eisch nu van deze grondwet onzer Kerk is de Synode verplicht de noodige maatregelen te nemen, die tot eene wettige kerkelijke regeling van het beheer der kerkelijke goederen moeten leiden" zouden wij een anderen inhoud willen geven dan hij.
En als hij ten slotte dan, met een beroep op „de teekenen der tijden" ook, besluit met te zeggen dat de Synode het reglement moet aannemen en daarin moet handelen „naar den wil van de Kerk", dan zijn wij zoo vrij een en ander wat anders te beoordeelen en te waardeeren dan prof. C.
Waarbij ons advies is : laat men het voorgestelde reglement toch verwerpen. Waarom ? •
Wel omdat we er principieel tegen zijn, dat alles en alles onder de Synodale organisatie wordt gebracht en alles en alles in de handen der Synode wordt gelegd.
Dat kan men alleen doen, als men geen oog heeft voor de autonomie der plaatselijke gemeente.
En aangezien wij, naar gereformeerd beginsel, in de lijn der historie handelen, in onze kerkbeschouwing juist van de plaatselijke gemeente willen uitgaan en de rechten der plaatselijke kerk vóór alles willen verdedigen en handhaven, moeten wij ons tegen een streven van prof. Cannegieter c.s. sterk en krachtig verzetten,
De Synode heeft geen recht om heel de regeling van het beheer der Herv. gemeenten ter hand te nemen. Zij moet afblijven van hetgeen het recht is van de plaatselijke Kerk. En zij moet zich haasten, om zich zelf geheel en al te reorganiseeren naar de beginselen van ons gereformeerd kerkrecht, anders is zij en zij alleen de oorzaak, dat alles dood gaat ; waarbij er dreigend gevaar is ; waarom talmen gruwelijke zonde is.
En van de kerkelijke grondwet gesproken — met een variatie op prof. Cannegieters stelling en conclusie, zeggen we : Naar den eisch nu van deze grondwet onzer kerk is de Synode verplicht de noodige maatregelen te nemen, dat de belijdenis onzer Herv. Kerk worde geëerbiedigd en gehandhaafd, waartoe noodig zal zijn herstel van het ambt en herstel van de wettige kerkelijke vergaderingen".
Als onze Herv. Kerk, welke een belijdende Kerk is; zich weer eens als belijdende Kerk naar haar aard en wezen mocht gaan openbaren, dan ligt daar het eeuwig blijvend Woord des Heeren tot onderpand — en de historie is daarbij ten bewijs — dat zij zal staan als een boom geplant aan waterbeken of — laat het misschien noodig zijn een ander beeld te gebruiken: dan zal zij staan als een roos onder de doornen; of, nóg anders gezegd: zij zal dan groeien als een palmboom, tegen de verdrukking in.
Maar leven en geur en kracht en zegen zal zij alleen hebben en geven, als zij zich houdt aan Gods Woord !
De samenstelling der Synode van 1920.
Woensdag 21 Juli zal de Synode wederom te 's-Gravenhage, Javastraat 100, samen komen, bestaande uit 19 stemhebbende leden, zijnde 13 predikanten en 6 ouderiingen.
De 6 ouderiingen worden als volgt aangewezen : de 5 groote provincies, zijnde de provincies met meer dan 150 predikants-I plaatsen, vaardigen saam 3 ouderlingen af.
De twee andere groote provincies, zijnde Friesland en Groningen, vaardigen ieder dit jaar geen ouderiing, maar 2 predikanten af.
We krijgen dus dit lijstje voor 1920 : Gelderiand met 2 afgevaardigden (pred. - \ouderi.) ; Zuid-Holland met 2 afgevaardigden (pred. - h ouderi.) ; Noord-Holland met 2 afgevaardigden (pred. - \-ouderi.) ; Friesland "met 2 afgevaardigden (2 predikanten) en Groningen met 2 afgevaardigden (2 predikanten) ; samen dus 10 afgevaardigden, waarvan 7 predikanten en 3 ouderiingen.
Boven deze 10 leden moeten er nu nog 9 worden benoemd.
Dat gaat naar dézen vasten regel : De Prov. Kerkbesturen van Zeeland, Utrecht, Overijsel, Noord-Brabant en Limburg (gecombineerd), Drenthe en de Waalsche Commissie vaardigen elk één predikant en, bij bij beurtwisseling te zamen 3 ouderlingen af.
Voor die 3 ouderlingen zijn nu Utrecht, Overijsel en Noord-Brabant met Limburg aan de beurt, welke 3 (kleine) provincies dus dit Jaar een predikant - |-een ouderiing afvaardigen, terwijl Zeeland, Drenthe en de Waalsche Commissie elk slechts een predikant hebben te benoemen.
We krijgen dus de samenstelling der Synode dit jaar als volgt : Gelderiand 2 afgev. (pred. - f ouderi.) ; Zuid-Holland 2 afgev. (pred. - |-ouderi.) ; Noord-Holland 2 afgev. (pred. - f-ouderi.) ; Zeeland 1 afgev. (pred.); Utrecht 2 afgev. (pred. - f-ouderi.); Friesland 2 afgev. (pred. - \-ouderi.) ; Overijsel 2 afgev. (pred. - 1-ouderi.) ; Groningen 2 afgev. (2 pred.) ; Noord-Brabant en Limburg 2 afgev., (pred. - |-ouderi.) ; Drenthe 1 afgev. (pred.) en de Waalsche Commissie 1 afgev. (1 pred.).
Voor Gelderland zitten nu : dr. Van der Beke Callenfels te Warnsveld (tot Juli '22) en ouderi. H. Veenman te Wageningen (tot Juli '21). Gelderland zendt dus nu ook de zelfde afgevaardigden weer, daar hun zittingstijd voor den ouderling in '21 en voor den predikant pas in '22 verstreken is.
Zuid-Holland zendt nu : ds. H. van Druten van Rhijnsburg (tot Juli '20) en ouderling A. Sneep te Numansdorp. Het mandaat van ds. Van Druten loopt dus nu af en hij zal moeten worden herkozen of om redenen van' hoogen leeftijd (ds. Van Druten is 45 Jaar predikant en 70 jaar oud) door een ander vervangen (zijn secundus is ds. J. J. van der Grient te Maassluis).
Noord-Holland geeft iets bizonders. Want ds. Cremer van Broek in Waterland, die tot Juli '20 zitting had, is overleden en zijn secundus ds. Van Meurs van Beemster is als primus lid opgetreden, maar moet al aanstonds weer zijn plaats ruimen voor een te benoemen ouderling. En aan deze benoeming is weer de bizonderheid verbonden, dat het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland op dit moment in meerderheid orthodox is, waardoor waarschijnlijk voor den modernen dominé Van Meurs een orthodoxe ouderling in de plaats zal komen. (De orthodoxe ouderlingen G. D. Bom van Amsterdam en H. Bijkerk van Haarlem zijn dit Jaar in het Prov. Kerkbestuur in de plaats gekomen van de moderne heeren Hom van Broek in Waterland en Zijp te Twisk).
Zeeland zendt nu dr. Weyland van Veere (tot Juli '22) en ouderi. Landsman van Vlissingen ; maar het mandaat van den heer Landsman eindigt in de maand Juli van dit Jaar. Dr. Weyland zal dus alleen Zeelands vertegenwoordiger zijn (in 1923 wordt het weer 1 pred. - -1 ouderl.).
Utrecht heeft twee afgevaardigden, en wel ds. Bongers van Kamerik (tot Juli '22) en prof. Van Veen, oud-ouderling te Utrecht (tot Juli '21). Om gezondheidsredenen schijnt prof. Van Veen niet in de buitengewone zitting der Synode aanwezig geweest te zijn. Of hij zijn mandaat dus in Juli a.s. zal kunnen vervullen of dat een ander in zijn plaats zal worden benoemd, weten we niet. (De heer Kol van Ouwerkerk te Utrecht is secundus-lid).
Friesland heeft twee vertegenwoordigers : ds. Zoete van De. Lemmer (tot JuH '21) en ouderi. Hannema van Franeker (tot Juli '20) Voor dezen ouderling zal nu een predikant gekozen moeten worden (terwijl dan in '21 voor ds. Zoete weer een ouderling in de plaats moet komen).
Overijsel zendt twee leden : ds. De Haan van Zwolle (tot Juli '21) en ouderi. B. Ruys van Dedemsvaart (tot Juli '22).
Groningen heeft ook twee afgevaardigden : ds. Tammens te Zuidbroek — die evenwel maar tot Juli '20 zitting heeft en dus herkozen moet worden of door een ander vervangen ; en ds. Franke van Hoogezand (tot Juli '22).
Noord-Brabant met Limburg krijgt dit Jaar twee afgevaardigden. Het zittend lid dr. Deeleman te Grevenbicht treedt Juli a.s. af (maar is herkiesbaar) en dan moet een ouderiing als tweede vertegenwoordiger gekozen worden. Waar nu de eenige afgevaardigde vrijzinnig (Evangelisch) is en we den tijd ons herinneren dat er twee orthodoxe vertegenwoordigers van N.-Brabant en Limburg waren (ds. Bloem van Chaam en ouderi. Kr. Timmer van Klundert), daar zijn we wel benieuwd wat Noord-Brabant met Limburg nu doen zal. Er is groote kans dat we twee vrijzinnige afgevaardigden krijgen. Maar misschien dat er nog een klein kansje voor de orthodoxen is. We zullen er echter maar niet op rekenen.
Nu komen nog Drenthe met 1 afgev. en wel ds. Scholte te Borger (tot Juli '20) en de Waalsche Commissie met ds. Picard te Arnhem (tot Juli '21).
Gaan we van deze afgevaardigden nu nog even na hoeveel ervan behooren zullen tot de orthodoxen en hoeveel er vrijzinnig zullen-wezen, dan krijgen we het volgende : Gelderiand 2 orthod. ; Zuid-Holland 2 orthod. ; Noord-Holland 1 vrijz. - \-1 orthod.; Zeeland 1 orthod.; Utrecht 2 orthod. ; Friesland 2 orthod. ; Overijsel 2 orthod. ; Groningen 2 vrijz. ; Noord-Brabant met Limburg 2 vrijz. ; Drenthe 1 vrijz. en de Waalsche Commissie 1 vrijz. ; dat is dus : 12 orthodoxen en 7 vrijzinnigen.
Een volgend maal over 't geen de Synode van 1920 zoo al te behandelen zal hebben. En dat is niet weinig. Het kan een belangrijk Jaar worden voor onze Kerk !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's