De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Mijne ziel ! Keer weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan. Psalm 116 : 7.

RUST IN GOD.

De psalmist spreekt in de hierboven ge­plaatste woorden zijn eigen ziel toe, en spoort zich zelf aan om te rusten in den Heere en in Diens weldadigheid. Maar als in één adem richt hij zich tot den Heere zelf, getuige de volgende woorden : „Want Gij, Heere. hebt mijne ziel gered van den dood mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot." Wat hij dus tot zijn ziel zegt, het geen vragende woorden, spreekt hij in 's Heeren tegenwoordigheid. Het is dan ook eene zuivere gebedsgestalte, waarin de dichter verkeert. Al zijn het geen vragende woorden. Het is toch een vragende gedachte een begeerte des harten voor Gods aangezicht neergelegd. Het is alsof hij smeekt : Och, dat mijne ziel haar rust weer hebben mocht, want Gij. Heere hebt U over haar ontfermd.

Voorheen heeft hij de wonderlijke uitredding zijner ziel ervaren. ., lk was uitgeteerd, doch de Heere heeft mij verlost, " zoo lezen wij in de woorden die onmiddellijk voorafgaan. In het begin van dezen psalm omschrijft hij wat hij vroeger met den Heere heeft doorgemaakt. De banden des doods hadden hem omvangen en de angsten der hel hadden hem getroffen. O, welk eene benauwdheid en droefenis vond hij!  Maar hij ' riep den Naam des Heeren aan ! ., Och Heere ! bevrijd mijne ziel !" Toen heeft de Heere zijn smeekingen gehoord en ook verhoord. Hij heeft de ontferming en de genade Gods gekend. Door de diepte van benauwdheid heen is hij gekomen tot de hoogte des geloofs. Door de angsten der hel heen tot; den hemel van den vrede Gods.

Dat was zoo geweest. De herinnering is er nog. Nooit zal hij 't ook vergeten, want het zal hem goed, onuitsprekelijk goed geweest zijn nabij God te wezen. Maar toch kan hij het met de herinnering aan het genoten goed niet doen. De vrede van vroeger is nog niet de vrede van nu. En zie, nu is er een gemis in het hart van den psalmist, een leegte, een heim.wee naar de rust in God Dit komt wel meer voor in het zieleleven van hen die den Heere vreezen. Het is nu eenmaal niet altijd vloed ; ook de eb komt. Na de jubelende zomertijden komen de koude wimerdagen. Na het opspringen in den 'rleere komt er wel eene doodigheid, waarin zelfs geen sprake is van een wandelen met God, laat staan een opspringen. Wat hiervan de oorzaak wel zijn mag ? Wie zal dit met juistheid zeggen ? Dit is zeker, ook de meest gevorderde blijft in zich een zondaar, vleeschelijk verkocht onder de zonde. Gij zegt : God verbergt Zijn aangezicht. Zeker ! Maar het zijn ook onze zonden, soms vvel bepaalde zonden, waarin men volhardt, die scheiding maken tusschen God en onze ziel De dag is in den nacht veranderd. De kinderen des lichts wandelen in de duisternis. Het licht schijnt uitgebluscht, het leven gedood.

Maar wanneer dan het nieuwe leven weer opwaakt uit z'n doodslaap. wat is dan he eerste ? Welke werkzaamheid der ziel gaat dan voorop ? Is het niet de liefde ? De liefde naar den Heere ! En wij denken aan de Kerk, zooals zij als de bruid in he Hooglied genoemd wordt. „Ik ben krank van liefde", zegt zij, als zij naar den Bruidegom zoekt. En wij denken ook aan he antwoord van Petrus na zijn verloochening : ..Heere, Gij weet dat ik U liefheb." Welnu, in dit teeken staat de 116de psalm. „Ik heb lief." Dit zijn de eerste woorden. En die liefde is de drang om weer te rusten m God.;zooals hij het vroeger deed. Het is de liefde tot den Heere. die naar verzadiging zoekt. Het is het schreeuwen der ziel  tot God, tot den levenden God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen...Hiermede is het als een moeder die haar kind liefheeft, dat ver van haar verwijderd is. Zij heeft geen rust vóórdat' haar kind bij haar is en zij met het voorwerp harer liefde is vereenigd. Of zooals  een hert de waterstroomen liefheeft en niet rust vóór dat 't die wateren tot verzadiging  toe heeft ingedronken. Zóó is het met de biddende begeerte van den psalmist, als hij zegt : Mijne ziel keer weder tot uwe rust. De rust waarvan hier gesproken wordt,  is dus eene levende rust. Wat hiermede bedoeld wordt zullen wij duidelijker verstaan, als wij gedenken aan de heilige rust die er in den hemel is.Vrede is daar, , volkomen vrede in de harten van de schare der gelukzaligen ! Vrede zal er zijn, zoo zeker als de Vredevorst zal heerschen van zee tot zee  van de rivier tot aan de einden der aarde. Maar tegelijkertijd zal er de meest heilige ontroering zijn over de kennis Gods. Zooals 'n landschap, in lentedos, vol van vrede is en rust als in den morgenstond de zon . rijst, en toch alles leeft en alles opgroeit en bloeit in gouden lachenden glans .Alles looft den Schepper Zóó zal het wezen, als de Kerk in heerlijkheid zijn zal. Daar is een eeuwige' sabbath. De rust die  daar overblijft voor het volk van God. Maar 't is geen doode rust. Neen, want God zal zijn alles en in allen en de eeuwigheid zal niet te lang duren om Hem in al Zijn werken te kennen en te eeren.

Zoo is het in den hemel. Het beginsel daarvan wordt in het geloof gekend. Het' ware te wenschen, dat dit levende rusten in ' den Heere, waarheen de begeerte van deni psalmist zich uitstrekt, zich meer mocht openbaren. In de praktijk van het leven zou-den er de bewijzen van zijn. Voor menigeen  is de Zondag zelfs geen rustdag meer. Hij is een dag van wereldsch genot geworden Maar voor anderen is hij nog wel een rustdag, ten minste voor den vorm. Met z'n gedachten is men toch nog bij het dagelijksch werk. Voor het uiteriijke is er dan rust. maar...het is een doode rust. Het moet een dag des Heeren zijn. een opstandingsdag, waarin wij met lust de gangen van onzen God zien, in ; Zijn kennis ons verdiepen, in Zijn eer ons verheugen. Een levende rust! „Eén ding heb ik begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel". Wonen in Zijn huis is rusten in God. volkomen rustig zijn bij den Heere. Zijn lieflijkheid onderzoeken is zich volkomen geven in heilige zielswerkzaamheid. 

Deze levende rust is ook een passende rust, geheel in overeenstemming met ons eeuwig zielsbestaan. Daarom zegt de psalmist : keer tot uwe rust weder.

De mensch zoekt van nature vrede in het tijdelijke, niet in het eeuwige. In het schepsel en niet  in den Schepper. Hij verbeeldt zich ook vaak dat hij vrede hééft. Maar het is de vrede van een droom, zooals een die droomt en hij eet; als hij wakker wordt is hij nog hongerig.Zonder God kan de mensch geen waren, echten vrede hebben. „De goddeloozen' zeide reeds de profeet, „zijn als een voortgedrevene zee ; want die kan niet. rusten, en hare wateren werpen slijk en modder op. "De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede" Onze ziel behoort niet bij het tijdelijke. Onze ziel behoort bij God. Ver zijn wij van den Heere geweken, wij hebben Hem den rug toegekeerd. Maar dat neemt niet weg dat wij er op aangelegd blijven om alleen in den Eeuwige te rusten, Het bewijs is er dan ook duidelijk, als Gods  genade ons tot die rust voert, als ons het onuitsprekelijk groote voorrecht geschonken wordt door Jezus Christus te rusten in God. Dan hebben wij hét leven gevonden, het echte menschelijke leven. Als wij God als een verzoend God kennen, zijn wij teruggevoerd in het levenselement, waaruit de zonde ons uitdreef. Dat is ónze rust. Zooals het brood past voor den hongerige. Dat is zijn voedsel. Dat moet hij hebben. Zooals een vogel zich in het breede wijde lucht vrij beweegt, omdat het zijn element is,  is de rust in God het levenselement der ziel. Die twee behooren bij elkander.; Dat blijkt ook hieruit : als God den mensch grijpt, grijpt ook de mensch zijn God. De gegrepene grijpt Die twee vinden elkander. Hoe meer God hem vasthoudt, des te meer houdt hij God vast. ., Ik Iaat u niet los tenzij Gij mij zegent" bad Jacob. Maar toen God hem zegende, hield hij God des te meer vast hoewel in een anderen zin. De mensch is. als genade in hem werkt, niet een blok, dat neer wil ploffen uit de vasthoudende hand. Maar wanneer God woont in den mensch, wil de mensch ook in zijn God wonen. Het leven des Geestes vloeit uit God in den mensch, uit een overvloeiende bron, maar nu wordt het ook in hem een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. 

Mijne ziel, keer weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan. De weldadigheid des Heeren wordt dus genoemd „ als de bron en de eenige aandrijvende oorzaak van den vrede, de zaligheid des menschen. En hiermede wordt een streep gehaald door alles wat in den mensch is, of wat uit hem voortkomt. De Schrift spreekt niet van een goede kiem die nog in den mensch zou zijn, maar wel hiervan dat er in hem geen goed woont. Er is niemand, die naar God zoekt, die naar God vraagt, terwijl toch ieder van dag tot dag uit de weldadigheden Gods bestaat. Een diep verootmoedigende waarheid. Als hiervoor onze oogen open gaan, zullen wij ons van harte schamen en neerzinken in smartelijk schuldgevoel .Maar hoe rijk is dan de eenvoudige waarheid der Schrift die ons zegt dat alle zieleheil spruit uit de weldadigheid des Heeren. „Ik heb lief", zoo begint deze psalm. .Waar God heeft eerst gezegd : Ik heb lief. In dit teeken staat alles wat de Heere door Chnstus en door Zijn Geest aan zondaren doet. „Ik heb lief", zegt God, als Hij door diepten van zelfkennis leidt, als Hij de roede Zijner wet doet neerkomen, als Hij ons al onze heerlijkheid, al onzen roem ontneemt, onze valsche steunsels ontrukt. ., ïk heb lief', zegt Hij, ook als Hij langs een weg van kastijdingen en ontberingen voert; wanneer het zoo moeilijk te verstaan is dat Hij weldadigheid bewijst, als slag op slag treft. Later zal men Hem om Zijn ondoorgrondelijke wijsheid en liefde nog prijzen. 

Nu moeten wij wel bedenken dat de Heere Zijn weldadigheid nooit bewijst ten koste van Zijn recht. Daarom staat de zending van Zijn Zoon m het middelpunt Alzoo lief had God de wereld ! De weldadigheid die God . in Jezus Christus aan Zijn volk bewijst, is in en weg geopenbaard, waarin aan Zijn recht volkomen beantwoord werd. Daarom is de weldadigheid Gods zoo wonderlijk en zoo groot in Christus Jezus. Daarom zal een ieder die in den Zoon gelooft, wel moeten uitroepen : O Heere, wat zijt Gij weldadig, dat Gij Uwen Zoon ook voor mij hebt overgegeven.

Mijne ziel ! keer weder tot uwe rust want de Heere heeft aan u welgedaan ! Hij hééft welgedaan. Dat blijft zoo. Waartoe, o mijn ziel zijt gij zoo onrustig in mij ? Zal God dan wat Hi] gedaan heeft teniet doen ? Zoo spoort de psalmist zijn eigen ziel aan tot een opnieuw rusten in den Heere, wijzende op Diens trouwe weldadigheid. 

Mijne ziel, de Heere heeft u toch gered van den dood ? Dan.behoeft ge toch voor en dood met meer te vreezen. Hij heeft mijne oogen toch gered van tranen ? Dan o zal des levens leed mij toch niet scheiden kunnen van Zijn.reddende liefde ! Hij heeft mijn voet toch gered van aanstoot ? Wel, dan heb ik toch geen struikeling te vreezen? -

Welgelukzalig is het volk, dat in Jezus Christus rusten mag. Hij is de groote Rustaanbrenger. Hij roept allen tot Hem die vermoeid en belast zijn. En als onze ziel dan weer eens gelijkt op een kokende zee, en de onrustige gedachten zich vermenigvuldigen, en wij temidden van de onrust der tijden mistroostig nederzitten, dan — God geve het ons - worde voor 's Heeren aangezicnt biddend uitgesproken : Mijne ziel, keer weder tot uwe rust, want de Heere heeft aan u welgedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's