Naar de ordening van Melchizedek.
Een en ander over den brief aan de Hebreeen.
II.
Eén der centrale gedachten in den brief aan de Hebreen is die van 't Hoogepriesterschap van Christus.
Al was het alleen hierdoor, dan zou deze brief toch reeds zijn eigen plaats hebben in den kanon van het N. Testament.
Want in geen enkel ander boek van het N. Testament wordt Christus met den titel van Hoogepriester genoemd of Zijn werk en ambt als een hoogepriesterlijk gekenschetst. Doch bij dit ééne onderscheidende kenmerk komt reeds aanstonds een ander, dat nauw er aan verwant, maar toch niet geheel hetzelfde is.
Wij bedoelen de vergelijking van Jezus' waardigheid en werk met het priesterschap van Melchizedek.
Ook hierin is de brief aan de Hebreen eenig. Geen ander N. Testamentisch geschrift noemt Christus priester, nog minder dat Hij met Melchizedek zou vergeleken worden.
Wel is aan de gansche N. Testamentische openbaring de gedachte eigen van den dood des Heeren als een offerdood. En hetgeen de brief aan de Hebreen van Hem als Hoögepriester zegt, sluit, gelijk wij zullen zien, deze voorstelling wel in.
Doch dit neemt niet weg, dat hij, van Christus als Hoogepriester sprekende, toch een eigen licht vallen doet op de beteekenis van Zijn persoon en werk. Hem ziet en aan Zijne Kerk voorstelt uit een eigen gezichtshoek, waardoor ook deze brief het zijne bijdraagt om de volheid en den rijkdom van hetgeen in dezen Christus geschonken is, te heerlijker te doen uitkomen.
Ook hierin wordt de lijn der voorafgegane openbaring doorgetrokken, niet afgebroken.
De voorstelling van Christus als offer, en van Zijn' dood als een offer-dood, als een Zich geven tot een verzoening van de zonde, die aan Jezus-zelven niet vreemd is geweest, ligt dicht naast de voorstelling van Christus als Hoogepriester. *
En beide sluiten zich aan bij de openbaring, onder het Oude Verbond aan Israël geschonken. Niet alleen in het offer-instituut bepaald de offerande van den Grooten Verzoendag, waarop wij nog zullen moeten terugkomen, maar ook in de prediking van meer dan één profeet.
Wij behoeven slechts te herinneren aan de profetie van den lijdenden knecht des Heeren in Jes. 53.
De wijze nu, waarop de brief aan de Hebreen over Jezus' hoogepriesterschap spreekt stelt de beteekenis van Zijn persoon, van Zijn werk, met name van Zijn sterven, in een zéér bepaald licht.
Of zouden wij van de bespreking van Zijn hoogepriesterschap Zijn dood moeten uitsluiten ?
Hoe vreemd deze vraag oogenschijnlijk zij, er is toch aanleiding, haar te stellen.
Want er zijn er, tot den huldigen dag, die haar bevestigend beantwoorden.
Reeds de Socinianen, al spraken zij van Christus' hoogepriesterschap, verstonden daaronder eigenlijk niet anders dan wat feitelijk valt onder de vervulling van Zijn Koninklijk ambt.
In verband met hun gansche opvatting van de verhouding van God en de wereld, van God en den mensch, beschouwden zij de Christelijke religie geheel uitwendig als bestaande in een reeks van beloften en geboden.
Voor een innige gemeenschap van den begenadigden zondaar met God, die in Christus rechtvaardigt en door den H. Geest woont in de harten Zijner kinderen, is in de Sociniaansche theologie geen plaats.
Zoo heeft ook de dood van Christus niet de beteekenis van een zoen-offer, maar behoort tot het profetisch ambt des Heeren.
Zijn sterven heeft de kracht van eeri voorbeeld van godsvrucht en gehoorzaamheid ; 't toont aan den mensch een volbrengen van den wil Gods tot het uiterste ; en zonder dit is redding niet mogelijk.
Dat Christus den dood heeft gesmaakt, stelt hem in staat, hun die gelooven, in moeite en lijden te hulp te komen.
Zijn dood en opstanding zijn voor den mensch 'n getuigenis van de liefde en goedheid Gods, die de gehoorzaamheid des geloofs beloont met eeuwig leven.
Op deze wijze wordt van het Hoogepriesterlijk ambt en werk des Heeren Zijn offerdood eigenlijk losgemaakt, en het Hoogepriesterschap geheel verlegd naar den hemel
Het offer van Christus wordt gebracht in het hemelsch heiligdom ; de dood is hiervoor wel een noodzakelijke voorwaarde, maar maakt er geen onmisbaar deel van uit. Zijn offerande, in den hemel gebracht, is de verzoening der zonden, welke hierin bestaat, dat Hij bevrijdt van de straf en de heerschappij der zonde. Van de straf bevrijdt Hij door ons te bewaren uit kracht van de goddelijke macht, die - Hij van God ontving ; en van de macht der zonde bevrijdt Hij door ons van de zonde wég te houden, en door 't voorbeeld van Zijn leven, dat het loon doet zien desgenen, die standvastig zich van de zonde onthoudt.
Bij deze voorstellingswijze der Socinianen blijft er geen plaats vóór de waarheid, dat Zion door recht verlost wordt. De dood van Christus is niet de werking van Gods recht en een voldoen aan den eisch ook Zijner straffende gerechtigheid.
Het hoogepriesterschap van Christus wordt eigenlijk een deel van Zijn Koningschap, en bestaat eigenlijk in niet anders dan in de heerlijkheid, die Hij heeft ontvangen aan de rechterhand des Vaders.
Het is te verwachten, dat de Socinianen, om voor hunne beschouwingen Schriftuurlijken steun te zoeken, zich met name wenden tot den brief aan de Hebreen.
Vele gereformeerde theologen kwamen tegen deze opvattingen in verzet, die inderdaar één der kernpunten van de gereformeerde belijdenis betreffen, n.l. het offer van Christus als een genoegdoening aan de gerechtigheid Gods.
Doordat zoo weinig wordt verstaan, dat Zion door recht wordt verlost, zijn er tot op den huldigen dag velen, die de beteekenis van het offer van den Middelaar niet verstaan, en niet vatten wat Paulus zegt van 's Heeren dood, dat deze strekte „tot een betooning van Gods gerechtigheid, opdat Hij zij rechtvaardig én rechtvaardigende dien, die uit het geloof in Jezus is", Rom. 3 VS. 25, 26.
Zonder ons nu langer met de Socinianen op te houden, of stil te staan bij de namen en beschouwingen van anderen die, in meerdere of mindere geestverwantschap met hen, het Hoogepriesterschap van Christus willen zien, afgescheiden van Zijn dood aan het kruis, vragen wij liever, of de brief aan de Hebreen, die zeer zeker een Hoogepriesterlijk intreden in den hemel, een „verschijnen voor het aangezicht Gods ten onzen behoeve" kent tot het Hoogepriesterlijk ambt niet rekent, wat Hij op aarde, met name door Zijn lijden en sterven, heeft verricht.
Dit is zeker, en voor geen tegenspraak vatbaar: de brief aan de Hebreen is vol van het Hoogepriesterschap.
In 9 van de dertien hoofdstukken, waarin hij is verdeeld, komt de waardigheid van Jezus als Hoogepriester ter sprake. Alleen in hfdst. 1 en 11-13 vinden wij geen melding er van gemaakt.
Bovendien wordt in de hfdst. 5, 7 en 10 herhaaldelijk gewag gemaakt van Zijn pries terschap, of van de beteekenis van het priesterschap in het algemeen, in verband met den persoon en het werk van Christus.
Wat nu heeft het te beteekenen, dat Christus zoo telkens „Hoogepriester" wordt genoemd ?
Het eerst geschiedt dit, als terloops, en nog maar voorloopig, in hfdst. 2 vs. 17, waar van Jezus wordt gezegd, dat Hij „in alles den broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen zijn, om de zonden des volks te verzoenen" ; waarop dan in vs. 18 nog volgt: „want in hetgeen Hij zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen."
Wanneer wij letten op het verband, waar in deze uitspraak vóórkomt, wordt ons duidelijk, dat reeds hier de nadruk valt op de noodzakelijkheid van de volkomen menschheid van dengene, die als Hoogepriester van Zijn volk zal optreden.
Alleen daardoor is het mogelijk, dat Hij dezelfde levens-ervaringen en ook hetzelfde lijden onderging, en aldus zoo dicht mogeik bij degenen staat, wier heil Hij bewerkt de overste Leidsman en Volelnder hunner "zaligheid", 2 VS. 10, ja, dat Hij geheel aan hunne zijde staat.
De lezers van den brief namen eenerzijds aanstoot aan de beproevingen en moeiten „ het lijden, waaraan zij bloot stonden, anderzijds ook dreigden zij geërgerd te woren aan de vernedering en het lijden, waaran de Christus was onderworpen geweest, zoo goed als het zuiver geestelijk karakter an Zijn heerlijkheid en Koningschap hun moeiiijk te verstaan was.
Daarom wijst de schrijver hen op de eenheid van weg en ervaring van den Christus, om Wiens wille zij leden, en van henzelven. Deze eenheid vindt haar grond in een dleper liggende eenheid, die tot uiting komt deze woorden' want èn Hij die heiligt en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit énen, d.w.z. uit God, om Wien en door Zien'alle dingen zijn", 2 vs. 10, 11. Krachtens hun geestelijke betrekking tot dien God, zijn zij „kinderen".
Daarom schaamt Jezus zich niet, hen broeders te noemen, 2 vs. 11-13. hen
Om deze eenheid, die van geestelijken aard is, is het noodig geweest, dat Hij vleesch en bloed deelachtig werd, 2 vs. 14, op deze eenheid berust ook de eenheid in ervaring, tot in het lijden des doods toe.
In dézen weg kan Hij, die de Zoon is, aannemen degenen, om wie Hij dit alles onderging, n.l. niet de engelen, maar het zaad Abrahams", d.i. menschen van vleesch en bloed, 2 vs. 16.
Zóó kan Hij, zelf het lijden gesmaakt en de bitterheid des doods geproefd hebbende, dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.
Hun lijden is hun een beproeving, een verzoeking. Dat was het óók voor Hem. in hetgeen Hij geleden heeft, (daarin) verzocht zijnde, kan Hij een hulp zijn voor die in dezelfde verzoeking zijn.
Hij is geheel één met de Zijnen ; staat volkomen aan hunne zijde. Daardoor is Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester, in de dingen die bij God te doen zijn, om de zonden des volks te verzoenen."
Duidelijk zijn in dezen gedachtengang van hfdst. 2 vs. 10-18 de momenten aangegeven, waarin de vereenzelviging en eenheid an den Hoogepriester met Zijn volk uitkomt, n.l. éénheid van betrekking tot God, bij de Zoon, zij in Hem kinderen Gods ; eénheid in „vleesch en bloed" ; eenheid in en weg van lijden en dood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's