De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

Op zeer interessante wijze behandelt prof. dr. H. H. Kuyper de kwestie van het recht der Kerk op haar eigen goed en welke roeping de Overheid in deze nu heeft na al 't een er op finantieel gebied is gebeurd. We geven hier het 17e vervolgstuk :

Geen gunst maar recht.

Is hiermede het onrecht aangetoond door de Nationale Vergadering in 1798 de Kerken angedaan, toch is daarmee de vraag nog niet beantwoord, of de Kerken daarom recht kunnen doen gelden op schadevergoeding.

Degenen, die meenen deze vraag in ontkennenden zin te moeten beantwoorden, voeren daarvoor twee gronden aan, die nog nader onder de oogen moeten worden gezien.

De eerste grond is, dat op juridisch gebied niet moet of zelfs mag gevraagd worden wat naar onze zedelijke normen rechtvaarig is of niet, maar naar hetgeen door de overheid als recht wordt vastgesteld. Als de Overheid besluit de kerkelijke goederen te confisqueeren, dan zijn zij daardoor staatseigendom geworden, want de uitpraak der Overheid beslist over het eigenomsrecht. Van een rechtsaanspraak der kerk op deze goederen kan van dat oogenlik af geen sprake meer zijn. De Kerk heeft deze beslissing der Overheid te eerbiedigen.

Nu stemmen wij natuurlijk terstond toe, dat de Kerk aan de Overheid gehoorzaameid schuldig is, en daarom aan zulk een beslissing zich te onderwerpen heeft, ook al zou zulk een beslissing in zedelijken zin onrechtvaardig wezen. De revolutionaire gedachte, dat men tegen de Overheid zich verzetten mag en haar beslissingen als van geen waarde mag beschouwen, wanneer deze onrechtvaardig of onbillijk zijn, is zeker niet Christelijk en is nooit door de Christelijke Kerk gehuldigd. De Overheid is de door God over ons gestelde macht, en al doet de Overheid ons onrecht aan, dan hebben we nog daaraan ons te onderwerpen. Zoo heeft de Christelijke Kerk dan ook steeds gehandeld. Het is niet alleen de Nationale Vergadering geweest, die in 1798 zich aan het kerkegoed vergrepen heeft, maar zulks is telkens geschied. Het is geschied in de dagen der heidensche Vorsten, die de Christenen vervolgden ; geschied in het tijdvak der Reformatie toen de Roomsche Overheid de Protestanten vervolgde ; geschied in onze dagen toen de Afgescheidenen van de kerkgebouwen werden beroofd en later evenzeer de Gereformeerden dié in Doleantie gingen. Het is geschied in Frankrijk, waar een de Kerk vijandige Overheid alle kerkegoed lot staatseigendom heeft verklaard. Dat de Kerk zich aan zulke beslissingen onderwerpen moet, en deze berooving geduldig heeft te dragen, staat voor ieder onzer vast.

Indien men het beroep op de beslissing der Overheid niet anders bedoeld was dan dit, dan zouden we daartegen geen bezwaar hebben, al volgt daaruit natuurlijk niet, dat de Kerk daarom haar rechtsaanspraken zou moeten opgeven en deze niet bij de Overheid zou mogen doen gelden. De mogelijkheid bestaat toch altoos, dat een latere Overheid tot een ander inzicht komt en het recht der Kerk op deze goederen weer erkent. Maar geheel anders komt de zaak te staan, wanneer men bedoelt, dat uit de absolute souvereiniteit van den Staat voortvloeit, dat de Overheid over het eigendomsrecht van hare onderdanen en ook van de Kerken beslissen kan zooals zij wil. Zulk een onbegrensde macht kent de Gereformeerde aan de Overheid niet toe. Omdat de Overheid haar souvereiniteit niet uit zichzelf heeft, ook niet uit het volk, maar uit God, is zij bij de uitoefening van haar macht aan de wet Gods gebonden. Ze staat niet boven de wet Gods, maar er onder. Het gebod Gods : gij zult niet stelen, geldt ook voor haar. Er is zeker verschil wat de toepassing dezer geboden betreft tusschen hetgeen de plicht der Overheid en de plicht van een gewoon burger is. De Overheid kan de doodstraf toepassen zonder in strijd te komen met het gebod : gij zult niet dooden. Ze kan oorlogvoeren en daarmede duizenden menschenlevens opofferen, zonder dat dit haar schuldig stelt voor God, wanneer de oorlog om een rechtvaardige oorzaak begonnen is. Maar een onbeperkt recht om over het leven harer onderdanen te beschikken, heeft de Overheid niet. Maar wanneer de Overheid besloot een zeker aantal burgers ter dood te brengen, zonder dat hiervoor een rechtvaardige oorzaak was, dan zou zulk een besluit, op hoe legaal wettige wijze het ook genomen werd, een gerechtelijke moord wezen. En wel verre vandaar dat het Overheidsambt zulk een moord tot recht maken of verontschuldigen zou, stelt het den persoon, die zulk een moord gelastte, dubbel schuldig voor God. En zoo staat 't ook hier. Dat de Overheid anders staat tegenover het eigendomsrecht harer onderdanen dan de burgers over en weer, spreekt vanzelf. De Overheid kan belastingen opleggen ; ze kan in geval van nood 'n deel van het vermogen van hare burgers eischen ; ze kan als straf geldboeten en zelfs confiscatie van het vermogen toepassen. Maar zij is niet bevoegd, alleen omdat het haar aldus behaagt, het goed van een deel harer onderdanen te confisqueeren. Doet zij dit toch, dan is dit geen recht, maar pleegt zij roof. Zooals het niet anders dan roof is, wanneer de Overheid in Rusland de geldswaarden en goederen van de burgers in be-' slag neemt, verkoopt en voor haar bolsjewistische doeleinden gebruikt. En nog veel sterker geldt het, waar het hier niet ging om de goederen van particuliere personen, maar om goederen die voor den kerkedienst bestemd waren en daarom een gewijd karakter droegen. Al zou deze nationaliseering der kerkelijke goederen in legalen zin wettig zijn geweest, uit het oogpunt van het recht Gods kan het niet anders dan als diefstal worden beschouwd. En — op de Nationale Vergadering zelve is het terecht opgemerkt — de Overheid mag zich evenmin als 3en particulier persoon aan diefstal schuldig maken.

Nu is het zeker waar, dat niet elk onrecht, dat door de Overheid in den loop der tijdon begaan is, weer hersteld kan worden. Dit is dan ook de tweede grond dien men gewoonlijk aanvoert om de rechtsaanspraken der Kerken af te wijzen. Gedane zaken, zegt men, nemen nu eenmaal geen keer. Zelfs toegestemd, dat de confiscatie dezer goederen onrecht was, dan kan, nu het feit eenmaal heeft plaats gevonden, hierin geen verandering meer worden gebracht. Al heeft de Overheid in vroeger tijd telkens confiscaties van goederen gedaan, die wellicht onrecht waren, toch volgt daaruit niet, dat de benadeelden recht op teruggave of schadevergoeding zouden hebben.

Ook hier nu stemmen we gaarne toe, dat niet elk onrecht door de Overheid begaan, later weer goed kan gemaakt worden. Hoe onrechtvaardig het was, dat de Overheid in den Spaanschen tijd de vermogens der Protestanten confisqueerde, te herstellen viel dit onrecht later niet meer, waar deze persoon zelfs voor een groot deel ter dood ware gebracht. Al is de confiscatie van de kapitalen tijdens het Bolsjewistisch regiment in Hongarije geschied, onrecht geweest, diefstal door een bende gelukzoekers aan de rijken gepleegd, de nieuwe Overheid, die nu is opgetreden, kan dit onrecht niet meer goed maken, omdat de middelen daartoe haar ontbreken en deze kapitalen weg zijn. En zoo zouden er tal van gevallen te noemen zijn, waarin herstel van onrecht door de Overheid gepleegd, onmogelijk is, hetzij omdat het onrecht te lang is geleden, hetzij omdat de personen, tegenover wie dit onrecht is gepleegd, niet meer leven, hetzij omdat de middelen ontbreken om de schade de vergoeden. Zelfs zal, wanneer zulk een confiscatie-besluit door de Overheid in legaalwettigen vorm genomen is, van een civielrechterlijke aanspraak op herstel wel geen sprake kunnen wezen. Wanneer de Overheid zooals dit tijdens de Fransche revolutie ook in ons vaderland geschied is, tal van vermogens der burgers geconfisqueerd heeft, dan zou het hun al zeer weinig helpen, of zij later den Staat een proces aan hadden gedaan om deze goederen terug te krijgen. Wanneer we dan ook van rechtsaanspraken der Kerken spreken, is dit niet in civiel-rechtelijken zin bedoeld, maar alleen in zedelijken zin, d.w.z. dat de Overheid, wanneer zij zelf dit onrecht inziet, gehouden is, voor zooveel dit in haar vermogen staat, dit onrecht weder goed te maken.

En dat in dien zin er wel degelijk rechtsherstel mogelijk is, kan het voorbeeld toonen van wat geschied is met de goederen van den Prins van Oranje. Dezelfde Nationale Vergadering, die op de kerkelijke goederen beslag legde, heeft ook het vermogen en de bezittingen van het huis van Oranje geconfisqueerd. Ook dit was onrecht, een onrecht dat daarom te grievender was, omdat de stichter van de Oranje-dynastie eens al zijn goederen, tot zijn tafelzilver toe, verkocht had om Nederland te helpen. Toen na de Restauratie het huis van Oranje hier terugkeerde, kon deze confiscatie niet meer ongedaan worden gemaakt, want de meeste goederen waren reeds verkocht. Maar het inkomen van den Vorst werd nu, ter vergoeding ook van de in 1795 verbeurd verklaarde goederen, op de betrekkelijk aanzienlijke som van anderhalf millioen gulden gesteld en later zelfs verhoogd tot 2.400.000 gulden. Een ongedaan maken van de vroegere confiscatie was dit niet ; zelfs was de toegekende som niet eens een algeheele vergoeding voor de geleden schade ; maar het was toch een poging om, zoover dit ging, het door het huis van Oranje geleden onrecht te herstellen. En wel niemand zal betwisten, dat het huis van Oranje op deze goederen recht had.

In dien zelfden zin nu meenen we, dat ook de Kerken recht hebben op schadevergoeding voor de goederen, die de Nationale Vergadering heeft geconfisqueerd. En daarvoor bestaat temeer reden, omdat dit onrecht zeker niet onherstelbaar is.

Al zijn deze goederen geconfisqueerd, zoo dat ze in de Staatskas zijn overgegaan en daarin versmolten zijn, een ding mag hierbij niet uit het oog worden verloren, dat n.l. de uitbetaling der tractementen toch is doorgegaan. Feitelijke schade hebben de Kerken door deze confiscatie dus niet ondervonden. Zelfs heeft de Overheid meer uitbetaald dan deze goederen aan inkomsten zouden opgeleverd hebben. Eerst dan waneer de Overheid plotseling ophield deze tractementen langer uit te betalen zonder de Kerken daarvoor schadevergoeding te geven, zou het onrecht feitelijk tot stand komen. En het is daarom, dat we volhouden, dat de Kerk, wanneer deze betaling der tractementen door de Overheid ophoudt, rechtens aanspraken hebben op vergoeding in den vorm van kapitalen aan haar uit te keeren.

In hoeverre nu de voortzetting van de uitbetaling der tractementen door de Overheid tot na 1798 een rechtsgrond oplevert voor deze aanspraken der Kerk, moet ten slotte nog onderzocht worden, omdat mr. Van Apeldoorn ook ten dezen opzichte een gevoelen voorstaat, dat ons voorkomt historisch niet juist te zijn.

Wat willen de Ethischen ?

Nu de ethischen zich zelfstandig hebben georganiseerd (zal nu het samenkomen op de Utrechtsche predikantenvergadering met de confessioneelen, wat prof. De Sopper zoo sterk veroordeelt, nog bestendigd blijven ? ) zullen we wel spoedig iets vernemen van hun beginselverklaring. En dat is noodig ook. 't Heeft al veel te lang geduurd, dat we van 't kastje naar den muur gestuurd werden, als we informeerend kwamen vragen : wat wilt gij, die u ethisch noemt, toch eigenlijk met dat „ethisch" zeggen ? Waar heeft dat allereerst betrekking op ? Zegt het ook iets aangaande uwe dogmatische overtuiging en wat beteekent het ten opzichte van de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ?

Men gaf dan niet veel antwoord ; en men kon in 't algemeen ook zoo weinig in deze zeggen, daar de een ook volstrekt niet verantwoordelijk was, voor hetgeen de ander zeide, schreef of deed.

We dachten er dan 't onze van. Want over het algemeen wilde men het voorstellen, dat ethisch was om niet te „zweren" bij een woord, bij een formule, bij een belijdenis.

Men wilde niet dat verstandelijke, dat vormelijke, dat uitwendige, dat voorwerpelijke.

Men stond er naar, dat de godsdienst geest en leven was, inwendig, onderwerpelijk, zóó, dat op het persoonlijke in het geloof de nadruk kwam liggen. ,

Zóó moest het in de gemeente zijn en zóó moest het bij de personen afzonderlijk zijn.

Want wat baat het, of de gemeente al een dood, vormelijk geloof heeft en wat voor nut zou het hebben of men persoonlijk al een heel stel dogma's bezit, zonder geest en leven, zonder geloof als vertrouwen des harten ?

Zoo redeneerden de ethischen gewoonlijk. En ten opzichte van de oplossing van het kerkelijk vraagstuk sprak men dan als volgt: met formules doen we niets ; 't gaat om het levend geloof; niet de leer moeten we hebben, maar het leven ; we laten ons niet opsluiten in den gedachtenkring van onze Vaderen en we laten ons niet binden aan confessies, enz.

Dat was altijd weer de manier waarop de ethischen uit den hoek kwamen als 't er om ging om zaken te doen.

Etthisch is dus zoo ongeveer dit: men moet vooral oog hebben voor de zedelijke zijde der waarheid; de religie, de godsdienst, mag niet opgaan in de verstandelijke aanneming van een zeker aantal leerstellingen ; de noodzaak der geestelijke ervaring en beleving der dingen mag niet vergeten ; de beteekenis van leven, subject, persoonlijkheid, hart, gemoed, - gevoel, geweten, mystiek, ervaring, bevinding en al wat er meer ligt op deze lijn, mag niet worden miskend.

Dat is dan „de waarheidsgedachte der ethischen", dat is hun „waarheidselement."

Maar, , eilieve, spreekt de Gereformeerde in deze 'dan zulke andere dingen ? Zegt die dan, dat het genoeg is om maar wat in het hoofd of op de lippen te hebben en dat het voldoende is enkele formules na te spreken of een stuk of wat belijdenisschriften te onderteekenen ?

Kom, kom, laten de ethischen zich nu niet gaan wijsmaken, dat zij hebben uitgevonden wat ze daar zeggen van „de Redelijke zijde der waarheid" en wat ze daar leeren van de noodzakelijkheid om méér te bezitten dan een intellectueel babbelen over de dingen.

Want men weet beter ! Het is zoo echt gereformeerd, zoo echt in de lijn der Schrift en zoo echt naar den gees't der belijdenisschriften onzer Kerk dat steeds geleerd en bedacht wordt, dat een verstandelijk weten niet genoeg is en dat een uitwendig bezit der dingen ons niet baten zal. Tenzij iemand wederom geboren is, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien !

En het ware, oprechte, zaligmakende geloof „is niet alleen een stellig, duidelijk, beslist weten (certa fiducia), waarop ik alles voor waarachtig houd, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft; maar ook een vast vertrouwen („herzliches Vertrauen"), hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de wille der verdienste van Christus." (Zondag 7, Heidelb. Catech.) Zóó belijdt de gereformeerde van ouds en de gereformeerde van-nu.

Als het den gereformeerde gaat om te zeggen wat de natuur, wat het wezen, van het ware geloof is, of waarin het geloof bestaat, neen ! dan is het niet gereformeerd, om wat te bazelen over „leer", over „formules", over „napraten van dit of dat". Neen, dat is zoo on-gereformeerd mogelijk. Dat is een valsch fundament leggen. Dat is glad bezijden de waarheid, die naar de Schriften is.

Wat dat betreft is de gereformeerde waarheid zoo „ethisch" mogelijk, daar juist bij de gereformeerde waarheid schering en inslag is : dat de religie, de godsdienst, niet mag opgaan in de verstandelijke aanneming van een zeker aantal leerstellingen.

Wanneer de ethischen dus dat in hun banier schrijven en dat met „ethisch" bedoelen, welnu, dan zijn we „als broeders één." (Zie Zondag 7, Heidelb. Catech.)

Maar als 't er dan op aankomt wat de mensch moet kennen tot zaligheid en wat de grond der zaligheid is, en wat de bron der zaligheid is en wat de oorsprong des geestelijken levens is en wat de levende belijdenis des Christens moet wezen — zijn we dan ook „als broeders één ? "

Wanneer het gaat „om te strijden tegen doode orthodoxie", dan staan we gaarne aan de zijde van allen die daar toe werken — maar wat is dan bij de ethischen de inhoud van hun geloof, waarvoor zij willen lijden en strijden ?

Is dat een levende orthodoxie wat de ethischen voorstaan ? Houdt, wat zij beleven en wat zij zoo gaarne bij anderen zouden zien leven, verband met den levenden Christus, met den Christus der Schriften ? Is wat zij voorstaan in de lijn der Schrift ? Hebben ze met de formuleering ook misschien den inhoud over boord geworpen ? Hebben ze, waar ze „niet zweren bij de woorden der oud-Vaderen", ook misschien het oud-Vaderlijk geloof los gelaten ?

Hoe staat het met het gezag der Schrift, met de voorname stukken der belijdenis ?

Laten ze dan niet willen zweren bij Anselmus of Athanasius of Luther of Calvijn — maar hoe staan ze in het stuk der rechtvaardigmaking ? Hoe is hun belijden aangaande de aanbieding van Gods genade, de instorting des Heiligen Geestes, de vernieuwing des levens, de aanneming tot kinderen Gods?

In deze heeft de Heere zich aan ons bekend gemaakt in Zijn Woord en in de harten van Gods kinderen ligt deze blijde jubel : Heere, bij deze dingen leeft men en hierin is het leven van ons leven.

In déze dingen. In de dingen — waarvan weer belijdenis gehoord en gezien moet worden. En wel in woorden en in daden. Waarbij leugen van waarheid onderscheiden moet worden. Waarbij het gaat om den waren Christus of den valschen Christus. Waarbij het gaat om het volmaakte en heerlijke werk van den Souvereinen God of het spinsel van eigen dwaas verstand en boos hart!

Welnu, wat willen de Ethischen in deze met woord en daad belijden en beleven ?

Als ze in belijdenis en leven niet wandelen in den weg der Schrift en in de lijnen onzer Geref. belijdenisschriften, dan willen wij ons voorloopig nog maar houden aan de Gereformeerde waarheid en we zeggen : „we zijn niet als broeders één."

En dat wel, omdat onze Gereformeerde belijdenis ons „leven" is.

Ook ons „leven" hierin, dat ze voor ons niet is als versteend, maar levend om te getuigen tegen alle dwaling, die zich tegen Gods Woord verheft.

Hoort nu tot die dwalingen ook wat de Ethischen belijden ?

En neen ! het zij nog ééns gezegd, 'het gaat bij den gereformeerde niet om een intellectualistisch geredeneer over een woord of een letter. Maar een gereformeerde, in wien de belijdenis leven is en die leeft naar zijn belijdenis, is toch niet zóó onnoozel, of hij weet wel, dat het soms gebeuren kan, dat men met het verwerpen van een confessie of het op zij schuiven van een formuleering, ook de zaak, waarom het gaat verwerpt en loochent.

En ja, als het nu zóó eens was, dat men zich tegen de dingen verklaart, omdat men eigenlijk van een anderen geest is en eigenlijk andere dingen gelooft ?

Ziet, dan zou het toch eerlijk moeten worden erkend !

Welnu, laat dan de nu gevormde Ethische vereeniging (of hoe moeten we het noemen ? ) maar eens voor 't voetlicht kómen en dan zeggen, niet alleen dat zij tegen doode orthodoxie is, maar vooral wat haar eigen levende belijdenis is inzake de dingen van Gods Koninkrijk en den weg der zaligheid. We kunnen dan zien, of 't een belijdenis is, naar uitwijzen van Gods Woord, dat door onze kloeke Gereformeerde vaderen in zou schoone taal is nagesproken in onze belijdenisschriften ; wat zij in zoo schoone taal doen konden, omdat zij daarin het leven hunner ziel vonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's