Ingezonden.
Het beheer der Kerkelijke goederen.
Nu de mogelijkheid bestaat, dat aan de Kerken de rljkstractementen van de predikanten gekapitaliseerd zullen worden uitgekeerd, treden aanstonds ten deele naar voren de moeilijkheden, die zich bij de oplossing der financiëele vraagstukken in de Ned. Herv. Kerk zullen voordoen.
Zoodra de voornemens der regeering bekend werden, rees de vraag, waar zij de kapitalen bezorgen moet.
Het Algemeen College van Toezicht berichtte aan de kerkvoogdijen die niet onder het toezicht staan, dat genoemd College het aangewezen lichaam is, waarmede de regeering moet onderhandelen en verzocht mitsdien het College te machtigen, de belangen van bedoelde kerkvoogdijen te behartigen.
De Synode achtte zich geroepen hiertegen in te gaan, betoogende dat zij alleen bevoegd is namens de Kerk op te treden, terwijl de Bond van Predikanten de kerkvoogdijen meent te moeten waarschuwen, niet in te gaan op het verzoek van het Algemeen College van Toezicht, omdat de kerkvoogdijen door een daad die buiten hun bevoegdheid ligt, in groote moeilijkheden zouden kunnen komen."
Ofschoon wij ons de moeilijkheden, waarop de Bond doelt, niet kunnen indenken, aangezien o.i. deze aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid der kerkvoogdijen ligt, komt het ons toch gewenscht voor, dat de kerkvoogdijen niet aan het verzoek van het Algemeen College van Toezicht voldoen.
De kerkvoogdijen toch die vrij beheer hebben, zullen o.i. die vrijheid ten opzichte van de thans aanhangige kwestie gedeeltelijk inboeten, wanneer zij het College van Toezicht machtigen, hen bij de regeering te vertegenwoordigen.
Wij achten het dan ook niet ongewenscht een brief te publiceeren (met toestemming van den schrijver) waarin door mr. L. J. van Apeldoorn te Leeuwarden aan één der kerkvoogdijen in deze advies is gegeven.
De brief luidt als volgt:
„Daar het College van Kerkvoogdij ten Uwent er prijs op stelt zijn volkomen vrijheid en zelfstandigheid te behouden, zou ik het beslist willen ontraden aan het Algemeen College van Toezicht de gevraagde machtiging te verleenen. Indien Gij ingaat op de circulaire van 17 April j.l., dan geeft Gij in ieder geval tot op zekere hoogte Uw vrijheid prijs, omdat Gij immers het Algem. College machtigt Uwe belangen te behartigen en Gij dit dus moeilijk tegelijkertijd zelf kunt doen.
Ik zou U daarom in overweging willen geven, ook in deze zaak zelf Uwe belangen te behartigen. Het spreekt vanzelf, dat de regeering bezwaarlijk met alle Gemeenten afzonderlijk in overleg kan treden. Maar het spreekt evenzeer vanzelf, dat Gij U wel kunt wenden tot de regeering om Uwe meening en wenschen kenbaar te maken. En dit schijnt mij zeer gewenscht.
De Synode, die alles tracht te centraliseeren — het voorloopig aangenomen reglement op de predikantstractementen, (waartegen, naar ik hoop, de Gemeenten zich met alle kracht zullen verzetten, omdat het onrechtmatig en onkerkelijk is, en, naar mijne opvatting een vloek voor onze Kerk zou worden) kan het getuigen — de Synode zeg ik, zal naar ik vrees, de regeering wel trachten te sturen in die richting, dat eventueele kapitaaisuitkeefing aan haar en niet aan de Gemeenten geschiede.
En daarom is het van groot belang dat de Gemeenten nu reeds spreken. Laten zij zich zélf wenden tot de regeering en haar mededeelen, wat zij gewenscht achten. Dan zal later niet kunnen worden gezegd, zooals zoo dikwijls : „Maar Gij Gemeenten, hebt immers gezwegen ; Gij hebt kalm en zonder protest aangezien, dat de Synode of het Algem. College van Toezicht zich bemoeiden met Uwe zaken ; dus hebt Gij ook geen reden tot klagen."
Ik heb dus de eer U te adviseeren op de circulaire van het Algem. College niet in te gaan, maar U zelf, zoo mogelijk tesamen met eenige andere Gemeenten in Uwe omgeving, te wenden tot de regeering, om Uw wenschen kenbaar te maken."
In dit schrijven wijst mr. Van Apeldoorn de kerkvoogdijen op hun plicht, om niet te zwijgen, maar hun wenschen rechtstreeks kenbaar te maken.
Wij hopen hartelijk dat vele kerkvoogdijen den wenk van mr. Van Apeldoorn ter harte zullen nemen.
Laten de kerkvoogdijen opkomen voor hun recht, opdat niet gezegd zal kunnen worden „zij hebben stilzwijgend en zonder verzet de regeling der zaken aanvaard, wat klagen zij dan nog."
Wij vertrouwen, dat vele Gemeenten, nu gepoogd wordt het plaatselijk recht nog meer aan banden te leggen, niet rustig zullen toezien, dat het haar toekomende recht geschonden wordt.
Barneveld, 17 Mei 1920.
Secr-kerkv.
De Chr. Hist. Kiesvereeniging te Brielle, bijeen in hare vergadering van Maandag 26 April 1920, heeft de navolgende motie aangenomen :
MOTIE :
De Chr. Hist Kiesvereeniging te Brielle, bijeen in hare vergadering van Maandag 26 w d April 1920, overwegende dat de Christelijke Beginselen en Cultuur levensbelang zijn voor Staat en Maatschappij, dat voor doorvoering dezer Beginselen de Kerk onontbeerlijk is, en dat de Kerk in dien arbeid veelszins belemmerd wordt door den stoffelijken nood van hare voorgangers.
Spreekt als hare overtuiging uit, dat de regeering de vraag ernstig dient te overwegen of niet de rljkstractementen dienen verhoogd te worden, of indien Kerk en Staat gescheiden worden een zoodanig kapitaal worde uitgekeerd, waarvan de rente aanmerkelijk hooger is, dan het bedrag wat nu door den Staat wordt uitbetaald.
Besluit deze motie te plaatsen in de Chr. Hist, bladen, ze de Chr. Hist, kiesvereenigingen toe te zenden en ze op een later te noemen algemeene vergadering der Chr. Hist. Unie te doen behandelen.
Wat het eerste punt der motie betreft, gelooven we dat toelichting onnoodig is voor hen die wat voelen voor Staat en Maatschappij.
Juist in onzen tijd tracht men die beproefde beginselen omver te werpen, reden waarom' het des te meer noodig blijkt, deze Beginselen met kracht te verbreiden.
De Kerk, daarvoor in de allereerste plaats geroepen, is veelal niet in staat die taak ten volle te vervullen mede door den stoffelijken nood harer voorgangers ; dit geldt met name de Ned. Herv. Kerk, die zich het lot van de massa aantrekt en beproeft aan het volk de hoogere dingen bij te brengen.
Het spreekt vanzelf, dat deze bijzondere roeping groote offers vraagt, welke de Kerk alleen niet kan brengen.
Daar de Staat het orgaan is om het volk en de Maatschappij te dienen en vooruit te brengen, behoort hij de Kerken die de Chr. Beginselen en Cultuur in ons volk indragen ten krachtigste bij te staan en te steunen.
De vraag om een hoogere uitkeering heeft alle reden van bestaan, gelet op de zeer verminderde waarde van het geld in den tegenwoordigen tijd.
Adhaesiebetuigingen, raadgevingen enz., worden gaarne ingewacht aan het adres van den voorzitter der kiesvereeniging, den heer S. Pols Jz., Noordeinde 87, Brielle.
Secr-kerkv. J. G. KRUYSBERGEN,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's