De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

"Naar de ordening van Melchizedek"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

"Naar de ordening van Melchizedek"

10 minuten leestijd

Een en ander over den brief aan de Hebreen.

III.

Hetgeen in Hebr. 2 vers 10—18 wordt gezegd over Christus' Hoogepriesterschap, verdient nog nadere overdenking.

Zonder eenigen twijfel wordt Zijn Hoogepriesterschap hier in verband gebracht met de beteekenis en waarde, die Christus heeft voor Zijn volk.

Om voor hen te kunnen zijn, wat Hij naar Gods raad moest zijn, is volkomen eenheid an dezen priester en Zijn volk noodzakelijk Daarom kreeg Hij, evenals zij, deel aan „vleesch en bloed", d.i. aan de menschelijjcj natuur, die aan lijden en ellende en dood on, derworpen is.

Daarom was het Godebetamend, dezen Oversten Leidsman en Voleinder des heils te heiligen, eigenlijk staat er in het oorspronkelijke : tot het doel te brengen, door lijden! heen, door middel van verschillende lijdenservaringen.

Wat nu was dit doel ? Wat was de vrucht, : in dezen weg geoogst?

Dit: dat Hij een „barmhartig en getrouw Hoogepriester kan zijn, en, zelf in en door Zijn lijden verzocht, degenen die verzocht worden, kan te hulp komen."

Waarin bestaat de barmhartigheid van dezen Hoogepriester? Wanneer wij de woor den lezen, gelijk zij hierboven staan afgedrukt, zou men kunnen meenen, dat zij al leen in een mede-gevoel bestaat, gelijk men in het algemeen verwachten kan bij gelijkheid van levens-ervaring : de Christenen, aan wien deze brief gericht is, hadden moei. ten en lijden te verduren, stonden aan vervolging bloot, en dreigden om een woord van den apostel Petrus te gebruiken, zicti vreemd te houden onder de hitte der verdrukking, als overkwam hun iets vreemds. Het lijden werd hun een verzoeking.

Welnu, ook Christus heeft geleden, en heeft dat lijden als een verzoeking ervaren.

Daarom kan Hij in den diepsten en meest eigenlijken zin medelijden met hen, die verzocht worden.

Doch ieder, die nadenkt, beseft wel, dat hierin de zin van het woordje „barmhartig" niet is uitgeput.

Want waarin bestaat dan het „te hulp komen" van hen, die in verzoeking zijn ?

En vooral, wat zou, indien in het bovenaangeduide alles was gezegd, de benaming „Hoogepriester" hier dan te beteekenen hebben ?

ledere andere aanduiding zou dan even veel of even weinig op hare plaats zijn. Van getrouwheid zou men misschien kunnen spreken ; maar van Hoogepriesterlijke trouw zou niets te bemerken zijn.

Neen, juist op het Hoogepriesterlijke van Zijne functie komt het hier aan.

Als Hoogepriester kan Hij, om den levensweg in de dagen Zijns vleesches, die een lijdens-weg vol van verzoeking voor Hem was, dengenen die verzocht worden, vol van barmhartigheid en getrouw te hulp komen,

Wij mogen dus vragen, waarin het Hoo gepriesterlijke wordt gevonden. En dat met te meer recht, omdat het hier, in 2 vs. 17 de eerste maal is, dat Christus zóó wordt genoemd.

Inderdaad, die Hoogepriesterlijke functie, die barmhartigheid en trouw worden terecht nog in iets anders gezocht.

Wij sloegen n.l. enkele woorden over, die hieraan uitdrukking geven : dóór het lijden moest Hij heen, om een barmhartig en trouw Hoogepriester te zijn „in de dingen, die bij God te doen zijn, n.l. om de zonden des volks te verzoenen."

Dit raakt het hart der zaak, en verklaart, waarom hier van den Hoogepriester wordt gesproken.

Het priesterlijke is denkbaar zonder zoenen zonde-offer, het Hoogepriesterlijke niet,

Zoo goed als het Koninklijke en het profetische behoort het priesterlijke tot de men. schelijke natuur, gelijk zij door de schep ping uit de hand Gods is voortgekomen.

De mensch in den staat der rechtheid, had naar zijne schepping de goddelijke roe ping, den naam Gods te belijden en te verheerlijken. En tot het vervullen van die roeping, was hij, als profeet, in staat.

Zijne koninklijke roeping lag in de heerschappij over al het geschapene, hem bij Goddelijk mandaat verleend.

En zijne priesterlijke functie moest bestaan in de toewijding van hart en leven, in volkomen gehoorzaamheid aan dien God, uit Wiens hand hij was voortgekomen, en naar Wiens gebod hij zich had te richten.

Men kan, indien men wil, ook bij dit priesterschap dus wel spreken van een offer, wanneer daarbij dan maar niet wordt dacht aan iets buiten den mensch ; aan iets, dat hij inplaats van zich zelven stelt.

Het offer, dat hij te brengen had, als priester levende voor Gods aangezicht, in Zijne ongerepte en door den vloek nog niet troffen schepping als in een heiligen, grootschen tempel, verkeerend, was zijn wil en zijn doen, zijn gansche bestaan, dat zich richtte naar het gebod van zijnen God.

En dat niet werktuigelijk en uitwendig. niet koud en onverschillig, maar van heelef harte, in de uitvloeiing der liefde van een hart, dat vol is van den H. Geest, en in zuivere, ongebroken relatie stond tot de heiligen God.

Een offer dus, indien men wil. Doch een offer, bestaande in de volkomen toewijding en de volmaakte gehoorzaamheid, een priesterschap, waarin de priester niet nadert me' het één of ander in zijne hand, dat hij maar op het altaar had te leggen ; neen, een pries terschap, waarin het eigenlijke en wezenlijke element de liefde is.

Zooals het in een der psalmen is uitgedrukt, doch alleen in den Messias zijne verwerkelijking en vervulling heeft gevonden:

„Zie, ik kom, ik heb lust, o God, om uw wel behagen te doen, uwe wet is in het midden mijns ingewands."

Dit zou, afgedacht van de zonde, het priesterschap zijn geweest

Doch voor den gevallen mensch heeft het een gansch ander karakter gekregen. En ook in de geschiedenis der bijzondere openbaring bekleedt het priesterschap 'n gansch andere plaats.

Wel ligt hetgeen de mensch, krachtens zijne schepping zijn moest, typisch en aanvankelijk verwerkelijkt in 'het volk Israël ; Immers van dat volk zegt God, nadat Hij hun Zijn verbond had gegeven : gij zult mij een priesterlijk koninkrijk zijn, d.i. een volk van koningen en priesters.

Maar juist in het bestand en de inzettingen van dit verbond ligt tevens uitgedrukt, wat er veranderd was, en op welke wijze alleen dit priesterschap nog kon bestaan. Immers, volgens Israels wetgeving concentreerde zich de eere-dienst om het heiligdom, waar de genadige tegenwoordigheid Gods was afgebeeld en verzinnebeeld in de wolk, die troonde in het heilige der heiligen, tusschen de cherubs.

En nu was hier wel de nadering voor Gods aangezicht, de toegang tot Zijne gemeenschap ; al wat tot Zion behoorde, mocht zich verzaj; |elen in den voorhof van den tempel, waar Zijne heerlijkheid woonde.

Doch het bleef op een afstand ; het onmiddellijke was er niet meer. Daar was de priesterschap ; daar waren de offers, door de priesters op het altaar gelegd in naam van den Israëliet, die het offer had gebracht.

En nog bleef dit alles buiten den voorhang. Gods aangezicht was nog als bedekt opdat de zondaar zijne zonde en den toorn Gods zou beseffen ; en opdat de onverzoende zondaar niet door den gloed van 's Meeren heiligheid zou worden verteerd. Daar was dus in dat „wonen in de donkerheid" zoo goed gerechtigheid als sparende ontferming.

En de nadering tot in het binnenste heiligdom was er wel. Doch slechts eenmaal in het jaar.

En dan door den hoogepriester, die zijn volk vertegenwoordigde, die in hunne plaats voor Gods aangezicht verscheen ; de borstlap met de 12 kostelijke edelsteenen, waarin de namen der 12 stammen waren gegraveerd, was de uitdrukking van zijn hoogepriesterlijke functie ; hij kwam in het heilige der heiligen met het bloed van het zoen-offer het verzoendeksel werd besprengd ; en dit alles deed hij als de plaats-bekleeder van het volk, dat hij op het hart droeg.

Zoo vond dus het priesterlijke zijne toespitsing in het hoogepriesterlijke ; en was er de genade van de toeleiding tot den genadetroon niet zonder het offer-bloed, waarin plaats-vervangend de schuld werd verzoend. Nu is het te verstaan, waarin Christus een „barmhartig en getrouw Hoogepriester was in de dingen, die bij God te doen waren."

Niet enkel hierin, dat Hij het lijden verslaan kan der Zijnen, waarin voor hen een verzoeking ligt, gelijk ook in Christus' lijden voor Hem ; niet enkel, dat Hij aan hun lijden en hun strijd niet vreemd is.

Doch bovenal, dat Hij in Zijne barmhartigheid een getrouw Hoogepriester is, om de zonden des volks te verzoenen.

Nu ook is het begrijpelijk, waarom geen priesterschap voor den geloovige mogelijk of denkbaar is zonder het Hoogepriesterschap, dat een deel is van het Middelaarschap van den Christus, en waarin Hij optreedt als Verzoener en Uitdelger van de schuld der Zijnen.

Dit Hoogepriesterschap evenwel is niet volbracht of beëindigd met Zijne zelf-offerande ééns en vooral aan het kruis gebracht.

Neen, het is een bestendig en eeuwig Hoogepriesterschap, door Zijn gedurig verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.

Met de vrucht van Zijn volbrachte werk treedt Hij in bij den Vader.

En ook daarin is de gelijkheid van levensen iijdens-ervaring van beteekenis.

Zelf één, die lijden heeft gekend, en zelf in dat lijden verzocht tot zonde, kan Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zijn, en dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

Het is Hem niet onbekend, hoe in het lijden een prikkel ligt tot zondigen, tot wederstreven.

Zijne barmhartigheid kan dus dengene, die lijdt, grijpen juist daar, waar het lijden zou dreigen uit te loopen of werkelijk uitloopt op een zondigen tegen den Allerhoogste.

Wij mogen dus zeggen, dat het Hoogepriesterschap van Christus volgens den brief aan de Hebreen reeds de allereerste maal, dat hij er gewag van maakt, onlosmakelijk sanienhangt met Zijn offerande. Hiervan kan Zijn Hoogepriesterlijke functie niet losgedacht worden. En tot Zijn hoogepriesteriijk verschijnen voor het aangezicht Gods was Zijn sterven niet slechts een noodzakelijke öoorgang, een onmisbare voorwaarde; neen, het is een onafscheidelijk bestanddeel ervan.

En zoo is het ook verder, waar wij in dezen brief over Christus als Hoogepriester gesproken vinden. ***

Gedicht

Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

Eéne kudde, één Herder. Lucas 14 vers 17.

Ps. 23 ; Joh. 1 vers 11—16.

Mijn Herder, Heer', zijt Gij : ik ben van zorgen vrij en wat zou mij ontbreken ? Mij zocht Uw trouwe hand, toen ik aan 's afgronds rand was roek'loos afgeweken. Gij bracht mij na den val in Uwer schapen stal en reinigdet mijn wonden. Met eindeloos geduld was heel Uw hart vervuld, ondanks mijn groote zonden.

Om strijd belaagd, benard door 't eigen, onrein hart en 's vijands gruwzaam woeden, hebt Gij den stoot geweerd Van wat ten doode deert, toen Ge in mijn plaats woudt bloeden

Ja, meer nog. Heer', — hier faalt 't beeld, dat den Herder maalt — zelfs woudt Gij voor mij sterven en, in mijn plaats aan 't Kruis verhoogd, in 't Vaderhuis een woning mij verwerven.

O, dit verkwikt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel en U mijn dank bewijze, wanneer ik aan Uw Disch de wondre lafenis van drank geniete en spijze.

Onbloedige Offerand! Hier duizelt mijn verstand, hier zijt Gij in ons midden. Hier eindigt elk verdriet, hier kan ik anders niet als danken en aanbidden.

U volgen is mijn zin, U volgen, Dien ik min, — Gij weet hoe zwak, o Herder, — gehoorzaam naar Uw wet U volgen tred voor tred en immer verder, verder,

totdat mij aan de poort van Sion straks Uw Woord verwelkomt, groote Koning : „Kom in, beërf naar 't recht, van ouds u toegezegd, de u toebeschoren woning !"

Heb dank voor wat Gij deedt; maar Heiland, ach, Gij weet: Gij hebt nog andre schapen, niet, nog niet van den stal, die reeds U volgt, maar al nog zoeken, dolen, slapen.

Gedenk Uw Woord, breng toe wat wankelt, worstlensmoe, ten doode ! — O Heere, ik stamel : dat toch het vol getal Uws volks zich toonen zal en rond Uw Disch verzamel' !

Herwijnen, 16-5-'20.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

"Naar de ordening van Melchizedek"

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's