Uit de Pers.
Als niemand een dienst of beleefdheid meer doet, Als niemand op zij gaat en niemand meer groet, Als niemand meer vraagt wat te pas komt, wat niet, Als niemand gehoorzaamt en ieder gebiedt. Als iedereen zitten gaat aan uw diner. Als ieder zich vleit op uw canapé, Als iedereen vrijt met uw Dulcinée ; Als ieder uw wijn schenkt en drinkt uit uw glas, Als ieder 't zich makkelijk maakt in uw jas, En ieder zijn beeren betaalt uit uw kas, Als iedereen maait en niemand meer zaait. Als iedereen stukscheurt en niemand het naait. Als iedereen vuil maakt en niemand meer veegt. Als niemand de flesschen vult, die ieder leegt, Als niemand den hamer heeft, ieder het woord, Als allen maar schreeuwen en niemand meer hoort. Als iedereen afbreekt en niemand meer bouwt, Als iedereen bier drinkt en niemand meer brouwt, Als iedereen hakt en er niemand meer kweekt, Als niemand weer heel maakt wat iedereen breekt, Als niemand wat weet en toch ieder doceert. Als niemand wat heeft en toch ieder verteert.
In de A.-R. Rotterdammer lazen we het volgende stukje :
Zondagsrust.
Verblijdend zijn de goede vorderingen, welke de Zondagsrust bij onze posterijen maakt.
Voorheen was het bestellen op Zondag regel en moest wie zulks niet begeerde, dit uitdrukkelijk kenbaar maken.
Thans is het omgekeerd en verkeert hij, die op Zondag post bestellen laat, in de uitzonderingspositie.
Dat dit Ministerie er op uit is de Zondags rust zooveel mogelijk te dienen, blijkt uit de Memorie van Antwoord, die dezer dagen de minister van Waterstaat bij de Eerste Kamer in diende.
Daarin toch merkte deze bewindsman op: „De invoering van het Zondagszegel heeft tot belangrijke beperking van den omvang van den besteldienst op Zondag geleid. De minister kan niet instemmen met de meening van som.mige leden, dat de invoering van het Zondagszegel moet worden afgekeurd en evenmin met de meening dat beperking van den Zondagsdienst tot groot ongerief aanleiding geeft. De minister is van zins op den ingeslagen weg van beperking van den Zondagsdienst voort te gaan, in de eerste plaats met het oog op de belangen van het personeel, maar óók met het oog op de inkomsten van het bedrijf.
Het is de opvatting van den minister dat met eenige medewerking van het publiek voor het postpersoneel en tot op zekere hoogte ook voor telegraaf-en telefoonpersoneel, verdere beperking van den Zondagsdienst mogelijk is, welke echter geleidelijk zal moeten gaan.
Niet wenschelijk acht de minister het op Zondag telegrammen over sportzaken te doen weigeren, doch wél acht hij het mogelijk om op Zondag geen felicitatie-telegrammen en stadstelegrammen te doen aannemen en het bestellen van brieven, enz. op dien dag geheel te doen vervallen."
Dien weg moet het onvoorwaardelijk op !
Waarom ten aanzien van de sporttelegrammen eene uitzondering moet worden gemaakt, verstaan wij niet.
Wordt het hooge belang en de plicht van Zondagsrust goed beseft, — dan twijfelen wij niet of óók het sportnieuws zal moeten wachten.
Ds. H. Jansen, vroeger predikant bij de Chr. Geref. Kerk te Leiden, nu veldprediker in algemeenen dienst, schreef onderstaand artikel, dat we hier gaarne overnemen.
Het handelt over
De geestelijke verzorging der Militairen.
Ds. Jansen schrijft dan :
„'k Wil trachten nog enkele lijnen inzake de geestelijke verzorging van onze militairen met het oog op de toekomst te trekken. Want al is er op dit oogenblik een instituut van legerpredikanten, daarmede kunnen wij niet zeggen dat de geestelijke verzorging klaar is. Wij staan ook hier pas aan het begin en er zal nog heel wat moeten georganiseerd en geconfereerd worden, alvorens wij kunnen zeggen, dat wij op dit punt zijn waar wij wezen moeten.
De groote vraag hierbij zal zijn : zullen de Kerken hun roeping tegenover de militairen beter dan tot nu toe gaan vervullen ? Daarvan zal alles afhangen.
Het instituut der legerpredikanten kan vruchtbaar werk verrichten. De verschillende Christelijke organisaties als : de Ned. Mil. Bond, de Nat. Chr. Onderofficiersver., de Nat. Chr. Officierenvereen. „Pro Rege", kunnen nuttig werk doen. Onze huisvaders kunnen alle zeilen bijzetten, om de jongens in hun Tehuizen te brengen, als de Kerken niet opwaken en hun roeping tegenover de militairen vervullen, zal al deze arbeid niet die vruchten afwerpen, die hij zou kunnen afwerpen. De militairen moeten gevoelen, idaadwerkelijk gevoelen, dat zij in het garnizoen, onder het opzicht van den kerkeraad ' staan. Dat heeft tot nu maar al te veel ontbroken. Laat mij het naar waarheid mogen uitdrukken. De verschillende Kerken hebben zich bitter weinig om deze tijdelijke leden ; bekommerd, en gevolg daarvan was : dat deze leden zich vogelvrij gevoelden. Zij kwamen en gingen zonder dat iemand eenige notitie van hen genomen had.
Heel positieve jongens zochten uit eigener beweging de Kerk en de catechisatie op, maar het gros bleef weg en verwilderde. Onberekenbare moeite heeft dit verzuim der Kerken aan de Kerken zelve toegebracht en er is inderdaad een mobilisatie noodig geweest om de oogen hiervoor te openen en de hand aan den ploeg te slaan. De Kerken zijn wakker geworden en het komt er nu op aan om haar wakker te houden, want wij leven op geestelijk gebied in slappe dagen. Men voelt allerwege meer voor het materieele dan voor het geestelijke. De geestelijke waarden worden zeer laag getaxeerd. Goed en kwaad, deugd en ondeugd wisselen gedurig stuivertje. En dat kwaad is doorgedrongen in alle rangen en standen van ons volk. Daarom die algemeene slaperigheid op geestelijk gebied, die ons in de bekende gelijkenis der „Tien Maagden" zoo aangrijpend geteekend wordt. Het eenige middel tegen deze geestelijke slaperigheid is dat de arbeid der Kerken in dezen zooveel mogelijk georganiseerd en in vaste banen geleid wordt. Dat kan als allen maar medewerken. In dit opzicht heeft de tegenwoordige Minister van Oorlog o.i. een stap in de goede richting gedaan. Op 28 Febr. 1.1. heeft hij een schrijven aan de verschillende Kerkgenootschappen gericht, dat eenerzijds dient als begeleidend schrijven bij Legerorder no. 60 die de indeeling en de standplaatsen der legerpredikanten bevat. Maar verder bevat dit schrijven een verzoek aan de Kerken, dat met de roeping der Kerken inzake de geestelijke verzorging der militairen' onafscheidelijk verband houdt. Want de minister vraagt daarin of de verschillende Kerken het zouden kunnen goed vinden, dat zij Deputaten benoemden, tot behartiging van de geestelijke verzorging der militairen, die tot hun kerkgenootschap behooren. v Synodale deputaten dus, zooals de Chr. Geref. Kerk op haar laatste Synode reeds heeft benoemd, in de personen van ds. Van der Schuit en ds. Geels. En dan zegt de minister verder. Deze deputaten zouden zich in verbinding kunnen stellen met hen, die in opdracht van de kerkeraden, met de geestelijke verzorging van de militairen in de garnizoenen belast zijn en aan hen zou kunnen worden opgedragen, bij de betrokken plaatselijke Kerken een onderzoek in te stellen of er voor het ambtelijke werk onder de ' militairen al dan niet eene geldelijke tegemoetkoming van Rijkswege gewenscht wordt en zoo ja, welk bedrag alsdan billijk ' en noodig wordt geacht, ten einde in verband daarmee de voorstellen aan het Departement van Oorlog in te dienen. Ik twijfel geen oogenbük of de Kerken zullen op dit ( verzoek ingaan, en op de verschillende Synoden die er in den loop van dit jaar gehouden zullen worden, zal dus niet alleen dit verzoek ter sprake komen, maar tegelijkertijd zal dit een geschikte gelegenheid zijn om de ambtelijke geestelijke verzorging eens van alle zijden te bezien. Natuurlijk klemt dit voor alle Kerken niet even sterk. De meeste Kerken zijn te klein in ledental, m dan dat ambtelijk werk in de verschillende garnizoens eenige beteekenis zou hebben. Als ik aan onze Kerk denk : wat is het zeldzaam dat ik eens een Chr. Gereformeerden jongen aantref. Ik meen, dat er volgens mij verstrekte gegevens, die niet altijd betrouwbaar zijn, in het garnizoen 's-Gravenhage 6; Chr. Gereformeerde jongens in Januari gekomen waren.
In Bergen op Zoom trof ik een oud catechisant van mij uit Leiden, thans in Rotterdam woonachtig. Maar voor de Ned. Herv. Kerk en de Gereformeerde Kerken klemt dit wèl, want ik meen dat er alleen van de Ger. Kerken 321 recrüten in Den Haag gekomen zijn. Ik acht het dus wel voor die beide Kerken van het allergrootste belang, dat zij het vraagstuk van de ambtelijke verzorging eens in de Synode bespreken, wat dit vraagstuk is voor de groote garnizoenskerken niet zoo gemakkelijk. De predikanten zijn daar al overladen met werk en gevolg; daarvan is, dat er geen tijd overblijft om : zich aan de verzorging van een zoo groot aantal militairen te wijden. En toch is deze verzorging dringend noodzakelijk. Ik ben , dus wel benieuwd in welke richting de op lossing van dit vraagstuk gezocht worden zal. Op steun en medewerking van de zijde der regeering kunnen de Kerken rekenen. Zelfs heeft de minister geldelijke tegemoetkoming toegezegd, 't Kan nu voor de geestelijke verzorging onzer jonge mannen een hoogst belangrijk jaar worden. Als de betrokken Kerken nu de zaak maar flink aanpakken en met uitgewerkte voorstellen bij den Minister van Oorlog komen. Dan kan er wat gebeuren tot heil en zegen van ons opkomend geslacht en tot de komst van Gods Koninkrijk in ons leger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's