De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

22 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

Prof. dr. H. H. Kuyper zet in „De Heraut" zijn bespreking over dit vraagstuk voort en schrijft

Geen gtmst maar recht.

^^'"-Hoewel de Nationale Vergadering in 1798 besloten had, dat na drie jaren de betaling van alle tractementen en pensioenen door den Staat zou ophouden, de geestelijke goederen, waaruit de tractementen betaald werden, in een nationaal fonds voor onderwijs en armverzorging zouden worden overgebracht en de gemeenteleden zelf voor het onderhoud van hun predikanten zouden zor. gen, is dit besluit feitelijk een doode letter gebleven en nooit uitgevoerd. Laat men een korte onderbreking onder het Napoleontisch regement buiten rekening, dan zijn de predikantstractementen geregeld op den ouden voet uitbetaald onder de elkaar opvolgende regeeringen.

De vraag is dus, op welken grond is dit geschied ? Geschiedde dit op grond van de historisch verkregene rechten der Kerk of wel was dit alleen een gunst van de Overheld ? Mr. van Apeldoorn meent dit laatste, en het slot van zijn betoog dient om dit standpunt te rechtvaardigen. Daarom moet ook dit vraagstuk nog onderzocht worden,

De storm van verontwaardiging die - in heel het land opstak tegen de besluiten der Nationale Vergadering, het protest van meer dan 2000 predikanten en de practische moeilijkneden aan de uitvoering verbonden, maakten dat de Nationale Vergadering, ook na afloop van den fatalen termijn, hare besluiten niet dorst doorzetten, maar de uitvoering telkens uitstelde, totdat eindelijk de Bataafsche republiek ineenstortte en plaats maakte voor het nieuwe regime onder - Koning Lodewijk Napoleon. De geestelijke kantoren waren blijven bestaan ; de predikantstractementen werden daaruit, en zelfs zeer geregeld uitbetaald. 1) Van een overbrengen van de geestelijke goederen in een nationaal fonds voor armenzorg en onderwijs is  niets gekomen. Zelfs de verdeeling van de kerkgebouwen, pastoriehuizen en daarbij behoorende goederen gaf tot zooveel strijd aanleiding, dat de Staatsregeling van 1801 het besluit der Nationale Vergadering weer te niet deed en bepaalde, dat „ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit zou blijven van hetgeen 'met den aanvang dezer eeuw door hetzelve werd bezeten. 2) Zoo hebben de verschillende en zich zoo spoedig afwisselende staatsregelingen van 1795 tot 1805, wat het kerkelijk vraagstuk betreft, feitelijk weinig' invloed gehad en op het bestand der geestelijke kantoren zelfs in het geheel niet. Alles bleef bij het oude, trots de bepalingen van het revolutionair bewind.

Eerst door Koning Lodewijk Napoleon is een nieuwe regeling in het leven geroepen, en aangezien deze regeling, althans ten deeIe, ten grondslag ligt aan de bepalingen van onze Grondwet, is het vooral van belang na te gaan, wat deze regeling bedoelde en hoe daardoor de rechtspositie der Kerken werd.

Wanneer men gewoonlijk aanneemt dat deze nieuwe regeling uitging van of zich grondde op de besluiten der Nationale Vergadering van 1789, zoodat deze besluiten ook door het nieuwe bewind nog als van rechtskracht werden beschouwd, dan is dit stellig onjuist. In de nieuwe regeling wordt naar de besluiten der Nationale Vergadering nergens verwezen ; er wordt van deze besluiten zelfs met geen woord gewag gemaakt; en op het belangrijkste punt, de betaling der tractementen, is deze regeling juist lijnrecht in strijd geweest met de be-; slissing door de Nationale Vergadering genomen.

Bij decreet van 2 Aug. 1808 bepaalde de koning, dat de kerkgebouwen en de daarbij behoorende fondsen verdeeld moesten worden onder de aanhangers der verschillende gezindheden op ééne plaats. In dit opzicht heeft de koning zeer zeker het zelfde standpunt ingenomen als de Nationale Vergadering, die het evenzeer billijk achtte de kerkgebouwen en pastoriehuizen onder de verschillende gezindheden te verdeden, maar daaruit volgt niet, dat dit Koninklijk besluit zich grondde op of strekte om de uitvoering te zijn van wat de Nationale Vergadering te dien opzichte besloten had. Niet alleen, dat daarvan in het Koninklijk besluit met geen woord sprake is, maar ook rechtens zou dit onmogelijk wezen, aangezien hef besluit der Nationale Vergadering feitelijk reeds was te niet gedaan, gelijk we zagen, door de Staatsregeling van 1808, die de voorgeschreven verdeeling had opgeheven en bepaald had, dat de verschillende kerkgebouwen enz. onherroepelijk in het bezit zouden blijven van wat zij bij den aanvang dezer eeuw hadden bezeten. Waaraan de koning de bevoegdheid ontleende om desniettegenstaande toch de verdeeling der kerkgoederen onder de verschillende gezindheden te gelasten, moge twijfelachtig zijn 3) maar in geen geval kan die grond ontleend worden aan de besluiten der Nationale Vergadering van 1789, die te niet waren gedaan

Hetzelfde geldt evenzeer ten opzichte van het tweede besluit van den koning oni de goederen, die dusver bij de geestelijke kantoren in bewaring waren, over te brengen naar 's Lands kas en in de amortisatiekas te storten. Wanneer mr. Van Apeldoorn beweert, dat de koning ook hierbij niet anders deed dan de in 1798 getrokken consequentie van 't standpunt van scheiding tus-. schen Staat en Kerk vast te houden, dat deze goederen < Joor de - Nationale Vergadering reeds nationaal waren verklaard en de koning ze nu eenvoudig naar 's Lands kas overbracht, 4) dan is ook dit niet juist. In heel de correspondentie, die tusschen den minister en den koning over dit onderwero gevoerd is en die aan het koninklijk besluit is voorafgegaan, wordt wederom over het besluit der Nationale Vergadering om deze goederen nationaal te verklaren, geen woord gerept en nog veel minder aan , s dit besluit het recht ontleend om nu deze goederen metterdaad naar 's Lands kas over te brengen. Ware het de bedoeling geweest, om thans het besluit van de Nationale Vergadering uit te voeren, dan hadden deze goederen in een apart fonds saamgevoegd en voor armenzorg en onderwijs moeten worden besteed. En juist dat is niet geschied. De grond, waarop deze overbrenging geschiedde, was dan ook een geheel andere. In de voordracht van den minister wordt er op gewezen, dat het doel van de financiëele politiek was de verschillende beheeringen van de penningen, welke een overblijfsel waren van het oude foederatieve stelsel van Souvereiniteit der bijzondere gewesten, te doen op houden en deze beheering aan de publieke schatkist over te dragen. Daarom had hij ook doen informeeren naar den staat der eigendommen van alle de zoogenaamde kerkelijke en geestelijke kantoren, welke tevoren onder het gezag van hun voormaligen provincialen Souverein stonden, doch alsnu vanzelf onder de algemeene beheering der financiën staan, en stelde hij daarom voor al deze effecten te converteeren en aan de amortisatiekas van het Rijk toe te voegen,

! Van de bedoeling om de goederen te onteigenen en ze van bestemming te doen ver-; anderen, zooals de Nationale Vergadering | wilde, is hier derhalve geen sprake. Vroeger hadden de souvereine gewesten deze goederen beheerd en daaruit de tractemen-! ten betaald. Nu de gewestelijke souvereini-; teit had opgehouden en daarvoor in plaats de Landssouvereiniteit van den koning was gekomen, behoorde de gewestelijke beheering plaats te maken voor de beheering door het Rijk, en daarom zouden zij naar 's Lands ; kas worden overgebracht Het was dus veel meer een verandering van beheer, dat vol­ . gens den minister uit den nieuwen staat van zaken voortvloeide, dan een confiscatie van deze goederen ten bate van het Land.

Geheel in overeenstemming daarmede werd dan ook besloten, dat waar deze goederen nu naar 's Lands schatkist werden  overgebracht, daartegenover aan de schatkist de verplichting zou worden opgelegd de tractementen te betalen, die dusver uit de  gewestelijke kantoren betaald worden,

' Art. 3 van het Koninklijk besluit, dat deze zaak regelde, zegt dat uitdrukkelijk. luidde toch aldus : Het

„De kerkelijke goederen en fondsen, welke zijn onder de administratie van plaatselijke besturen of andere publieke beheering en welke goederen en fondsen thans strekken om aan geestelijke personen het tractement hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, te betalen, zullen aan de publieke schatkist worden ondergebracht, welke daarentegen met de bovengenoemde betalingen worden belast 6)

Er is, zooals men ziet in dit besluit geen sprake van, dat deze goederen tot nationaal eigendom worden verklaard om tot een ander doel te worden bestemd, zooals de Nationale Vergadering wilde. Over den eigendom dezer goederen wordt in dit besluit zelfs niet gesproken ; alleen over het overbrengen van deze goederen naar 's Lands schatkist. En de verplichtingen die vroeger op de plaatselijke en gewestelijke kantoren rustten, om daaruit, geheel of gedeeltelijk, de tractementen te betalen, wordt nu op 's Lands schatkist gelegd.

Dienovereenkomstig werd dan ook in ditzelfde koninklijk besluit bepaald, dat „de pre dikanten van de Hervormde godsdienst, bij voortduring, in het genot blijven van hun tractement en de inkomsten, welke hun tot nu toe zijn toegezegd geweest." 7)

Het verband tusschen dit toekennen van de tractementen aan de Hervormde predikanten en het overbrengen van de goederen uit de geestelijke kantoren naar 's Lands schatkist kan dus niet betwijfeld worden. Nog duidelijker blijkt dit, waar in 't volgende artikel bepaald wordt, dat ook de geestelijken van die gezindheden, welker eeredienst tot nu toe ten koste van den Staat niet is onderhouden geweest, bij vervolg zullen betaald worden, maar dat deze betaling zal geschieden naar mate de Staat van de publieke schatkist zulks zal toelaten. 8) Er wordt dus een scherp onderscheid gemaakt. Aan de Hervormde predikanten wordt het tractement verzekerd. De schatkist wordt gelast de uitbetalingen te doen. Wat de andere gezindheden betreft, zal dit geschieden, wanneer er geld genoeg voorhanden is. Een onderscheid dat alleen dan zin heeft, wanneer in het eerste geval sprake is van verkregen rechten, in het tweede geval van een gunst. Het recht, dat de Hervormde predikanten volgens dit besluit hebben, kan alleen daarop berusten, dat de goederen uit de geestelijke kantoren in 's Lands schatkist waren overgebracht en de schatkist daarom verplicht was deze tractementen uit te keeren.Een andere verklaring laat dit koninklijk besluit niet toe.

Mr. van Apeldoorn bestrijdt dit echter op grond, dat in de koninklijke verklaring, die aan de uitvaardiging van dit besluit voorafging, met geen woord gesproken wordt van een ondersteuning der Kerken krachtens verkregen recht of op grond van onteigening der geestelijke goederen. Grond voor den koning was alleen, zegt hij, het belang, dat de maatschappij heeft bij den godsdienst. Voorts beweert hij, dat door het overbrengen van deze goederen naar 's Lands schatkist geen onteigening had plaats gevonden, daar deze goederen nooit het eigendom der Kerk zijn geweest en de Kerk de inkomsten dezer goederen alleen genoten had krachtens een gunstige beschikking der Overheid. 9)

Wat het laatste argument betreft, zoo hebben we reeds aangetoond, dat dit niet juist is, en behoeven we daarop niet nader in te gaan. Het gaat thans alleen om de vraag, of de opvatting van mr. Van Apeldoorn van het besluit van 1808 juist is.

En dan zij hier opgemerkt, dat mr. Van Apeldoorn o.i. veel te veel hecht aan deze verklaring, die aan het besluit voorafging. De koning was Roomsch. Dat hij daarom liever zweeg van de historisch verkregene rechten van de Hervormde of Gereformeerde Kerk spreekt vanzelf. Zijn doel was om de Staatstractementen ook tot de andere gezindheden, met name de Roomsche Kerk, uit te breiden, en waar hiervoor geen historische rechten waren aan te voeren, moest hij wel op den voorgrond stellen, dat deze Staatssubsidiëering in het belang van het land was. Had de koning met historisch verkregen rechten geen rekening willen houden, maar alleen, zooals mr. v. Apeldoorn meent, uit het oogpunt van doelmatigheid de geestelijken willen bezoldigen, dan had hij in dit besluit een Staatstractement aan alle geestelijken moeten toekennen zonder onderscheid. Juist dat echter doet hij niet. Aan de Hervormde predikanten wordt verzekerd, dat zij bij voortduring in het genot van hun tractement zullen blijven ; de geestelijken van andere gezindheden zullen tractement ontvangen als er geld genoeg is. Op welken grond deze onderscheiding gemaakt wordt, geeft mr. Van Apeldoorn niet aan. Die grond kan niet zijn de doelmatigheid of 's Lands belang, want alle godsdiensten waren nu voor den Staat gelijk. Evenmin kan de grond wezen, dat de koning zelf een bijzondere voorkeur voor de Hervormde Kerk gevoelde, of deze in 't belang van het land het hoogst stelde, want de koning-was Roomsch. De grond kan dus alleen zijn, dat bij de Hervormde predikanten sprake was van een recht, dat de bedienaren der andere kerkgenootschappen niet konden doen gelden. En dat recht school juist daarin, dat de geestelijke en kerkelijke goederen, die vroeger voor deze predikanten dienden, in 's Lands schatkist waren overgebracht.

Het is dan ook eigenaardig, dat mr. Van Apeldoorn, die het koninklijk besluit vrij uitvoerig weergeeft, juist de ééne alleszeggende zinsnede weglaat, n.l. : dat de Schatkist, die deze goederen ontving, daarentegen met de uitbetaling dezer tractementen werd belast.

H. H. K. stem als een klok hadden en dat onze woorden als vuur waren, om alle kerkvoogden toe te roepen : doe toch alles, alles wat mogelijk is, om de predikantstractementen en de pensioenen te verhoogen ; waarbij we de gemeenten zouden willen zeggen : laat er geen rust bij u zijn, alvorens gij uw predikanten, met hun vrouwen en kinderen, behoorlijk geholpen hebt in deze schrikkelijk dure tijden. terman uit Deventer accoord. Dat blijkt wel ais we het volgende lezen.

De Catechismus-prediking.

Die is weg. Althans in veel gemeenten. Veel predikanten vinden het vervelend om uit den catechismus te preeken. En veel kerkeraadsleden voelen er niets voor. En veel gemeenteleden weten er niets van en vragen er ook niet naar.

Waar een gereformeerde prediking gevonden wordt, is ook de catechismusprediking nog niet uit de mode.

Maar „vrije" stof acht men veelszins hooger dan behandeling van den catechismus.

Gelukkig als de catechismusprediking nog gevonden wordt en in eere is.

In eere gehouden door de predikanten, doordat ze veel werk maken van dit gedeelte van hun arbeid ; in eere gehouden, ook door de Gemeente, wat zij bewijst door haar trouwe opkomst.

't Een werkt op het ander.

Bij degelijk werk van den bedienaar des goddelijken Woords toont ook de Gemeente haar belangstelling.

Als tenminste alle kennis en belangstelling niet weg is.

En dan zal ook ervaren worden, dat de catechismusprediking groot nut afwerpt.

Men leert de dingen beter verstaan.

Men leert de goddelijke waarheden beter onderscheiden. Men leert iets van den rijkdom en de diepte van Gods heerlijke openbaring in het rijk der natuur en het rijk der genade gevoelen.

En men heeft aan de preeken over vrije stoffen óók veel meer.

Arme Gemeenten waar de catechismusprediking weg is.

Jammer ook, dat in de groote steden de catechismusprediking veroordeeld is tot de doopbeurten, waar geen menschen komen.

Op een uur, dat niemand gewoon is bij voorkeur naar de kerk te gaan, behandelt men de dierbare leerstukken van onze belijdenis, en ons allerheiligst Christelijk geloof. Zoodat men zelf oorzaak wordt, dat èn de sacramentsbediening èn de catechismusprediking buiten de Gemeente van Christus komt te staan. Als men geloofde, wat Ursinus, de opsteller van ons leerboek, van de catechismusprediking zegt, zou men aanstonds alle middelen aanwenden, om in deze verandering te brengen.

Ursinus toch zegt: de catechismus moet noodzakelijk in de Kerk behandeld worden, Ie. om het bevel Gods : „Gij zult deze dingen aan uwe kinderen inscherpen" Ex. 12, 13 ; Deut. 4, 6, 11, 12. 2e. ter wille van Gods eer ; 3e. tot troost en zaligheid van ons ; 4e. tot behoud van Kerk en Staat; 5e. omdat het richtsnoer, wanneer de leerstukken beoordeeld worden, aan allen, volwassenen en kinderen, bekend moet zijn, opdat zij niet afdwalen of verleid worden ; naar het voorschrift : „wacht u van de valsche profeten" Matth. 7 vers 15 ; „beproeft alle dingen" 1 Thess. 5 vers 21 ; „beproeft de geesten of zij uit God zijn" 1 Joh. 4 vers 1. Dit richtsnoer nu vormen de voornaamste hoofdstukken in den catechismus behandeld : „de Tien Geboden en de Apostolische Belijdenis."

Zoo gaat Ursinus dan door en noemt negen verschillende redenen op, waarom de catechismusprediking in het midden der Gemeente zoo allernoodzakelijkst is.Onder welke redenen dan óók behoort:6e. die onderwijs in den catechismus ontvangen, kunnen ook de leerredenen beter begrijpen, daar zij, wat zij uit Gods Woord hooren, gemakkelijk kunnen terugbrengen tot de hoofdstukken in hun catechismus behandeld. Indien dit niet geschiedt, worden de leerredenen meestal niet met groote vrucht gehoord.

God geve, dat de catechismusprediking weer in eere kome èn in de steden èn in de dorpen en dat vooral gereformeerde predikanten en kerkeraadsleden hierin mogen doen wat in hun vermogen is.

God vordert, dat de naneef, eeuwenlang, Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang !

't Begint al!

Wij hebben ons helaas ! tegen het voorstel der Commissie tot verbetering van de predikantstractementen moeten verklaren. Niet, omdat we van oordeel zijn, dat de predikanten een behoorlijk inkomen genieten en er dus over positieverbetering niet behoeft te worden gesproken. Want we zijn tot in het diepst van onze ziel overtuigd, dat verreweg het grootste deel niet ont? vangen waarop ze, volgens de Schrift, recht hebben. Er wordt zelfs in honderden pastorieën armoede, ja ! armoede geleden. Vreeselijke zorgen worden er doorworsteld door de predikantsvrouwen, die met haar man en met haar kinderen dikwijls moeten zien rond te komen van een laag, soms van een héél laag, soms van een schandelijk laag tractement. En in zooverre wilden we wel, dat we een stem als een klok hadden en dat onze woorden als vuur waren, om alle kerkvoogden toe te roepen : doe toch alles, alles wat mogelijk is, om de predikantstractementen en de pensioenen te verhoogen ; waarbij we de gemeenten zouden willen zeggen : laat er geen rust bij u zijn, alvorens gij uw predikanten, met hun vrouwen en kinderen, behoorlijk geholpen hebt in deze schrikkelijk dure tijden.

Weet men het wel, dat een drukkersgezel soms meer heeft dan een predikant ?

Weet men het wel, dat men in elke winkel en op elk kantoor tegenwoordig zegt : „honderd gulden is niets ? "

Waar, waar moet het toch aankomen, als de gemeenten niet opwaken en niet krachtig aanpakken?

We zien dan den nood in de pastorieën zóó groot worden, dat het straks onhoudbaar zal zijn voor menig dominé'sgezin; en we zien in de toekomst, dat de lust om predikant te worden zóó zal bekoelen, dat het aantal vacaturen spoedig beangstigend groot zal zijn, in stad en dorp.

Er moet dus geholpen worden. En laten de Gereformeerde gemeenten in onze Ned. Herv. Kerk hier een goed voorbeeld geven. Laat het de eere van onze Gereformeerde menschen zijn, dat zij naar uitwijzen van Gods Woord voor de eeredienst wat over hebben en gaarne alles willen doen dat de kerkedienst in stand kan blijven.

Maar, al weten we dus dat de toestand voor de predikanten veelal onhoudbaar is (o, denk er eens aan, gij die het leest!!), zoo hebben we bezwaar tegen het voorstel van de Commissie boven bedoeld. We hebben daar reeds over geschreven en doen dat nu niet meer. Alléén over één punt nog iets, omdat er in de vrijzinnige kerkelijke pers aanleiding toe gegeven wordt.

Men weet, dat we ons tegen het voorstel bovenbedoeld, verklaard hebben, o.m. om dezen reden, dewijl men nu, zonder veel praten, als de meest gewone zaak, van onze Herv. (Geref.) Kerk een „Vereeniging van elk wat wils" wil gaan maken. Er is nood, gebrek, armoede in de predikantsgezinnen. Als ieder wat doet, dan wordt het beter. Heerlijk verschiet! Maar dan moet natuurlijk — zoo redeneert men van zekere zijde — ook elke richting en elke partij door de Synode worden erkend, anders zullen er velen niet mee doen; en als die niet mee doen, dan mislukt alles weer; en als dit mislukt dan blijft er armoede in de pastorieën, wat natuurlijk niemand wil, enz. enz.

Zoo zijn we dus mooi op weg om te komen tot de erkenning van de rechten der minderheden, waarbij het „gelijk recht voor allen" is, met terzijdestelling van Schrift en belijdenis.

Wilt ge bewijs?

Het „Weekblad voor de vrijzinnig Hervormden" deelt het volgende mee:

„Naar wij vernemen is bij den kerkeraad van Deventer, ter behandeling in zijn eerstvolgende vergadering, door den ouderling A. H. Kloosterman de volgende motie ingediend:

„De Bijzondere Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Deventer, gezien het voorloopig aangenomen Reglement op de predikantstractementen, toejuichende de totstandkoming van 'n dergelijk Reglement, geheel instemmende met de Synode waar ze zegt aan het slot harer beschouwingen, dat er mogelijkheid van mislukking bestaat, indien niet algemeen medewerking wordt gevonden, erkennende, dat de zaak niet mag mislukken, spreekt met den grootst mogelijken nadruk de wenschelijkheid uit, dat dit Reglement niet zal worden ingevoerd, alvorens op behoorlijke wijze bij Reglement 't recht der minderheden zal zijn erkend, en dringt er bij de afgevaardigden ter Classicale Vergadering op aan, deze motie daar in te dienen en met kracht te verdedigen."

Deze motie lezende, ziet men dus, dat wij niet zoo geheel verkeerd gezien hebben, toen we schreven, dat men van vrijzinnige zijde - en misschien ook wel van anderen kant — wel zou probeeren, om, nu er een voorstel tot verbetering der predikantstractementen enz. ligt, waar de Bond van Predikanten zich zoo warm voor maakt en waar talloos veel dominé's en dominé'svrouwen bepaald verliefd op zijn (en het is heusch geen wonder) —• om nu tegelijk de pil ter slikking te geven „erkenning van de rechten der minderheden"

Verzilverde pillen zijn immers niet bitter ? En — als het voorstel eens niet lukte, dan was de ellende niet te overzien.

Daarom wat men misschien anders niet slikken zou, dat zal men nu wel goedvinden

Zoo denkt men van vrijzinnige zijde. En ook waar men zelf voelt, dat het toch eigenlijk niet edel is de moeilijke richtingskwestie die men op andere wijze niet oplossen kon, nu hier tusschen te schuiven, wil men toch deze mooie kans niet ongebruikt laten voorbij gaan.

Wie weet — de menschen, die geen boterham hebben, zullen misschien nu zeggen : heel die richtingskwestie laat mij koud, als wij maar een behoorlijk tractement krijgen, zoodat we weer fatsoenlijk gekleed kunnen gaan en weer behoorlijk eten en drinken kunnen

Het „Weekblad voor de Vrijz. Hervormden" gaat met de Motie van den heer Kloos­

„Misschien zijn sommigen van oordeel, dat het indienen, en dus in nog sterker mate het .aannemen, van deze motie niet verstandig is, omdat daarmee een twistappel wordt opgeworpen, welke de eensgezindheid, die voor de aanneming van het bedoelde Reglement zoo dringend noodig is, dreigt te verstoren.

Wij kunnen echter niet nalaten zulk een oordeel kortzichtig te noemen.

Zeker, door de motie wordt een twistappel opgeworpen.

Maar het gaat hier om een geschilpunt, dat moet worden opgelost, indien het mogelijk zal zijn, de tractementsregeling tot een goed einde te brengen.

Wie de oplossing wil verschuiven, om de tractementsregeling geen gevaar te doen loopen, brengt haar juist in het allergrootste gevaar, ja, werkt mede tot haar mislukking.

De Kerk heeft al duizenden leden verloren, en dikwijls zeer belangstellende leden, omdat zij de onderdrukking van minderheden heeft toegelaten, waardoor zij, die in hun gemeente volstrekt niets vonden van wat zij noodig achtten voor hun godsdienstig leven, wijl de meerderheid enkel zorgde voor eigen richtinggenooten, zich genoopt voelden, uit het kerkverband te treden.

Vooral hebben velen de Kerk verlaten, als zij, omdat de gemeente zich om hen niet bekommerde, uit eigen middelen moesten voorzien in de verzorging hunner godsdienstige belangen, en dan nog bovendien werden aangeslagen in de kerkelijke belasting voor de gemeente, die hen verwaarloosde en dikwijls zelfs beleedigde.

En toch, al heeft de Kerk aanleiding gegeven tot het heengaan van duizenden, toch zijn er ook nog duizenden, ja, tienduizenden, die haar niet hebben verlaten, ofschoon zij feitelijk niets aan haar hebben, die van haar zelden of nooit andere ervaringen opdoen dan die hun ergernis opwekken, maar toch wegens bijzondere gehechtheid of in hoop op betere tijden haar getrouw zijn gebleven.

Is er wel iemand, die in ernst meent, dat van deze tienduizenden, voor wie de Kerk niets doet, een belangrijk deel bereid zal zijn, als in ruil voor niets zich zulke geldelijke offers te getroosten als noodig zullen zijn bij de uitvoering van de voorgestelde tractementsregeling ?

Zij doen dat stellig niet.

Zij doen dat stellig niet. En als zij voor hun lidmaatschap bedanken, lijdt niet alleen de Kerk een groot geestelijk verlies, maar wordt bovendien voor de overblijvenden de taak, om de noodige gelden op te brengen, zóó verzwaard, dat zij er niet toe bij machte zullen zijn.

Zal de aanhangige tractementsregeling slagen, dan moet zij gepaard gaan met voor ziening in de rechten van minderheden, dan moet de Kerk, die van allen iets eischt, ook aan allen iets geven.

En dat geven mag niet worden uitgesteld.

Men moet niet meenen, dat men kan volstaan met de aankondiging van het voornemen, om te gelegener tijd ook eens aan de minderheden tegemoet te komen.

Als het Reglement op de tractementen wordt ingevoerd, moet de volstrekte zekerheid aanwezig zijn, dat ook de minderheden geestelijke verzorging van de Kerk zullen ontvangen.

Met minder dan die volstrekte zekerheid kunnen en zullen de leden der minderheden zich niet tevreden stellen.

Daarom vereenigen wij ons volkomen met de motie van den heer Kloosterman, die zich zeer juist uitdrukt, als hij zegt, dat het Reglement niet moet worden ingevoerd alvorens op behoorlijke wijze bij reglement het recht der minderheden zal zijn erkend."

Tot zoover het „Weekblad voor de vrijz. Hervormden."

We behoeven er niets aan toe te voegen, daar het voor zichzelf spreekt, 't Is weer 't zelfde als altijd : tweeërlei kerkbeschouwing is er, en die van de vrijzinnigen staat vierkant tegenover de onze. De vrijzinnige heeft ook hier een subjectivistisch standpunt. In anarchistischen overmoed heeft men daar met alle objectieve autoriteit gebroken. Het heeft niet alleen z'n uitgangspunt, maar ook z'n steunpunt in den mensch. De mensch staat in het centrum. Wat de mensch goed vindt, dat moet gebeuren. De autoriteit van Gods Woord is weg. Er is geen Koning der Kerk. Ieder doet wat goed is in zijn oogen. En zoo moet het dan ook maar worden „een Vereeniging van elk wat wils." Gelijk recht voor allen Maar zoo is dan ook de reformatorische theologie weg. 't Is slechts humanistische philosophic wat over bleef. En een object, waarvoor dat buigt, is er niet. De band aan Gods Vi^oord is verbroken.

Nu — wanneer men dezen kant uit wil, men weet het, dan moeten wij, om der conscientie wil, zeggen : wij mogen, wij willen en wij zullen u daarin niet ter wille zijn.


1) VAN BEUNINGEN, Het geestelyk kantoor van Delft, blz 226.

2) t. a p. blz. 224.

3) H. H DE SAVORNIN LOHMAN a. W. blz.213.

4) a w. blz. 21

5) VAN BEUNINGEN a. w. blz 301.

6) Van Beuningen a. w. blz. 312 Art. 3.

1) Van Beuningen a. w. blz. 311 Avt. 1.

8) Van Beuningen a. w. blz. 312 Art. 2.

9) a. h. w. blz. 20.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's