Stichtelijke overdenking.
„Zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden. Zacharia 12 vers 10a.
PINKSTEREN.
De prediking van het Pinksterfeest is de rijkste van alle prediking.
Dat spreekt wel vanzelf, want het Pinksterfeest is het laatste van onze Christelijke teesten. Het vormt daarvan het verheven en hart\'erheffende slot en het omvat alle voorafgaande, omdat het de Geest van Christus ; is. die alle heil van den arbeid van Christus toepast aan het hart.
Pinkster is het feest van de volheid.
..Zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest."' En toen was hun ziel vol van geluk, zaligheid en vrede. Omdat er stroomen des Geestes neervielen was de lafenis der ziele en de blijdschap des harten zoo rijk. Het Pinksterfeest luidde ook de volheid des tijds in. Tevoren was de Heilige Geest nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was. Slechts de enkeling kende iets van het wezen en de werking des Geestes. Hier een Bezaliël, die bijzonder geïnstrueerd v/erd tot het vervaardigen van een machtig kunstwerk. Daar een David, die overstelpt ioor rouw en smart, neergedrukt door schuldgevoel en zondebesef, bidt om dien Geest Gods en der vertroosting toch niet weg te nemen. En ginds een Ezechiël, die treurt aan de boorden der Babel-rivieren, en verkwikking geniet door de lafenis des Geestes in dagen van ballingschap en in uren van eenzaamheid.
Doch als „de dag des Pinksterfeestes vervuld" werd, als de nieuwe aera (tijdkring) intreedt, dan worden de breede scharen deelgenoot van de stroomen der genade en des Geestes, die uitgestort worden op velen.
Eerst de apostelen, dan de toegebrachten, ! straks nog meerderen, 't Godshuis wordt vol { van begenadigde zielen ; die zielen worden | vol van den Geest, en uit die volheid wordt gesproken in sprake des levens van „de groote dingen Gods", die het hart verblijden.
Een breede stroom van Gods genade wordt uitgestort over de breede rijen der gezaiigden.
Maar die uitstorting heeft dan ook plaats in de diepte van het zondaarshart. Wat is het dat dien Pinksterdag maakt tot „een grooten en doorluchtigen dag des Heeren ? "
Is het alleen de veelheid der gezegenden, het groote getal ?
.Maar wie zoo spreekt oordeelt met een opperviakkig oordeel.
Geesteswerk is altijd hartewerk, en waar de Geest komt is het zielservaren van de groote dingen Gods persoonlijk en zalig. Hoe dieper de werking, hoe zaliger de ervaring.
Ziet er de apostelen slechts op aan ! Eenvoudige, Galileesche mannen, maar geïnspireerd, aangeblazen door den Geest, worden zij vervuld met hemelsche wijsheid. Misverstand, onkunde en twijfelmoedigheid, tevofen zoo veelvuldig, zijn weggevloden. Eigen wijsheid en menschelijke vonden, tevoren zoo vaak gehoord in de gesprekken, zij hebben plaats gemaakt voor hemelsche leering en goddelijke wijsheid.
Nu zijn ze van den Heere geleerd.
Daarom wijzer dan al hunne leeraren.
Daarom zelfs uitleggers van weg, waarheid en zaligheid. Daarom troosters van verslagene harten, geneesmeesters van verwonde zielen.
En was die wijsheid niet hun rijkdom tevens ?
Nu was de hemel ontsloten en hemelsche schatten hun eigendom geworden. Zij mochten in 't geloof dit alles zich toeëigenen ; de Geest der genade bracht hun Christus en al Zijn rijkdom. Hij zelt was hun zalig bezit. Ja, die rijkdom was hun zaligheid, want nu hadden zij de volle zekerheid des geloofs, de zalige wetenschap van hun kindschap, de stellige zekerheid hunner zaligheid. Zulke menschen staan op het hoogtepunt des geioofs. Zij leven uit den rijkdom der eeuwige zaligheid. De Geest der genade legt diep in 't hart een onroofbare schat. Want geen macht der hel is in staat dat at bezit te ontnemen, geen groote wankeling hebben zij te vreezen. Zij weten, zij getuigen, zij overtuigen, zij leiden andéren tot Jezus ! en Zijn heil.
Toch zouden wij ons vergissen, als wij meenden hiermede ' al den rijkdom van den Geest der genade te hebben aangewezen.
Zeker in de breedte openbaart zich de stroom der genade over personen en volken. En diep in 't hart werkt die Geest een gewisse zekerheid van het heil door Christus voor Zijn Kerk verworven. Maar wat het meeste zegt — in de troost voor dit leven komt het vooral uit, dat de uitgestorte Geest van den Pinksterdag een onuitsprekelijke zaligheid bereidt.
Waarom, noemt Zacharias dien Geest toch den Geest der genade en der gebeden" ' Omdat die Geest bereidt een leven, rijk aan vertroosting des gebeds. De Heidelbergsche Catechismus zegt er immers ook van, naast de opsomming der andere weldaden, „dat Hij mij trooste". " En het Pinksterfeest is het Troostfeest bij uitnemendheid voor gansch de Kerke Gods. Troost in lijden en smart troost in benauwd heid en vervolging, troost in leven en in sterven.
De Heiland beloofde „een anderen Trooster", die bij hen zou blijven. En al hun levensdagen door zouden zij van dien troost de zalige genieting ontvangen. Teere zielen en verslagen en ontroerde harten zouden er het meest van ontvangen.
Of is die Geest der genade en der gebeden niet de Geest, die het hart verbrijzelt? En de eerste vrucht des Geestes niet altijd droefheid tot God ? Zegt Zacharia het niet, dat zij rouwklagen zullen over Hem, Dien zij doorstoken hebben, en met een rouwklage als over een eeniggeboren Zoon ?
Ziedaar dan de vrucht des Geestes, die droefheid over de zonde werkt, over het Godsgemis, over den rechtvaardigen toorn Gods.
Die nooit de smart over de zonde bij eigen ervaren gekend heeft, kan geen Geesteskind en geen Gods kind zijn.
Maar daarbij is het dan ook de Geest der vertroosting bij uitnemendheid, die inleidt in Jezus' lijden en opstanding, in Zijn triomph en volbrachte werk. En die het uit het Zijne doet nemen, tot zaligheid des harten.
Zelfontdekking wordt gevolgd door zielsvertroosting.
Nader ingeleid worden zij in de genade Gods, nader bekend gemaakt met het heil Gods.
Zoo leeren zij roepen om genade door den Geest der genade.
Een biddende schare is het op Pinkster , om Jezus te doen.
Zoo leeren zij door den Geest op genade te leven, wetende geen grond, noch kracht, noch heil bij zich zelf te bezitten, maar het alleen verwachtend, met de uitgestoken bedelaarshand des geioofs van de vrije gunst die eeuv/ig Hem bewoog.
Zoo leeren zij door dien Geest ook alleen in genade te roemen. En de Pinkstertaai der van God aangeblazen mannen was de taal der „Vrije genade", waardoor de groote dingen Gods hun waren geschonken.
Zalig Pinkstergeheim van begenadigde harten door de inwerking en inwoning des Geestes !
„Geest der genade en der gebeden" !
Ja, t klinkt wonderspreukig. Moet zoo n rijk mensch nog bidden, vraagt gij ?
Rijk-geestelijk leven is van een andere soort dan rijk-wereldsch leven.
Deze rijkdom maakt niet hoogmoedig, deze wijsheid niet waanwijs of eigenwijs. .deze zekerheid maakt niet trotsch in eigen kracht. En deze vertroosting brengt de ziel geen zelfverheffing.
Maar de vrucht des Geestes is ootmoed en de zegen van het Pinksterervaren is een leven op de knieën .
Pinkstermenschen zijn biddende menschen Volhardende in de leer en in de gebeden.
Daar ziet ge het ware Volhouden.
En nooit worden harten en knieën gemakkelijk gebogen dan vanneer Gods kinderen vpl zijn des Heiligen Geestes.
0 wat gevoelen zij dan hun diepe afhankelijkheid! Wat hebben zij den Heere in alles noodig.
Dat Pinkstergebed is hun wapen in den , geestelijken strijd. En met die wapenrusting des Geestes en des gebeds gaan zij den, strijd en het leven in, om het in rein zielsvertrouwen op den den Heere te wagen en om met reine zielsgenieting van den Heere te getuigen.
Is dat Pinksterfeest dan geen buitengewoon zalig feest ?
„Droef en nochthans blijde treden zij uit, gewagende van des Konings lof.
Hebben wij dien „Geest der genade en der gebeden" ook ?
Noch van het een noch van 't andere wil onze tijd hooren. Voor „mijn genade" schrijft de wereld in haar vaandel „mijn recht". En voor gebed en verootmoediging treedt in de plaats bij de duizenden onzer tijdgenooten : zelfverheffing en opstand, tegen den Heere en Zijn Gezalfde.
Welk een dwaasheid, schuldige dwaasheid !
Recht ! Alsof de mensch recht had op één droppel water, laat staan op één droppel van de stroom des Geestes !
En opstand ! Alsof de Heere niet de Machtige ware, om met den Adem Zijns monds op één oogenblik te verpletteren elkeen die het waagt zich tegen Zijn hoog gezag te verheffen.
Och, of gij wijsheid bekomen mocht door den Heiligen Geest, en in de armoede uwer ziel mocht gaan vragen om den rijkdom Zijner genade !
Dan zoudt gij zaligheid bekomen onder de bewerking des Geestes en ook op het feest van heden u scharen bij de duizende bidders die vragen, dat Uw Geest mij ware wijsheid leere, om den Heere te danken voor Zijne onuitsprekelijke gave.
Hij slaat toch, schoon oneindig hoog. Op hen het oog, Die nedrig knielen ; Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdelen waan. Der trotsche zielen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's