De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

In „De School met den Bijbel" vonden we van de hand van den kundigen onderwijsman, den heer H. J. van Wijlen, directeur der Kweekschool met den Bijbel te Rotterdam, het volgende leuke en rake stukje over

Ons M.U.L.O.

„Het Mulo krijgt zoetjesaan een romantische historie. Als het er nu weer het leven afbrengt, kan men er haast een spannende film van maken. Een, die dagenlang voor een uitverkochte zaal speelt in de bioscopen onzer groote steden.

Gekneveld door Kappeyne, geschopt door al wat hooggeleerd was, toen wat opkrabbelend en eindelijk recht op de been, toen weer nageschreeuwd om min eêl gezelschap en familie. En nu bij de keel gegrepen door een ouden vriend.

Minister De Visser, aangegrepen, waarlijk, in weerwil van zijn Christelijk-Historisch verleden door Procrustus-bevliegingen voelt zich geroepen tot moderne model-leerzucht. En hij wil de rustig gegroeide vormen kerven en snijden. Met angst vraagt men zich af, waar heeft hij de manaquin opgedaan, die nu plots voor dat oude Hollandsche model moet dienen als exempel. Wat waarborg blijft er zoo voor onze oud-Nederlandsche snit en maat, dat ze niet straks verfatsoeneerd zal worden naar wie weet wat fraaie Chineesche of Japansche dracht ?

De eenheidsschool moet er komen voor onze jongens en meisjes van 6—12. De 5 procent mag niet langer de 95 procent drukken.

In de practijk zal 't wel los loopen. Daar moet men nu net in ons land voor zijn, om zich door zoo'n nieuwen houten maatregel te laten knijpen.

Vijf procent I

Als we daarmee voortgaan, eilieve, waarom moet het hoogstens een half procent aan onze universiteiten zooveel meer kosten dan de zoon eens polderjongens !

Waarom ? Eenvoudig, omdat wij noodig hebben predikanten, dokters, juristen enz.

Maar dat Fransch ?

Maar drijft ons land niet op zijn talenkennis ?

Kunnen wij 't helpen, dat wij in zoo'n pietlutterig klein landje wonen, waar men na twee uur sporen en een paar uren varen al niet meer met zijn overigens dierbare moedertaal voortkan.

Holland drijft voor een zeer groot deel op zijn handel en zijn handeldrijvende industrie en als er geen kern van volk is, dat goed zijn talen kent — zegt 5 procent — ligt de heele boel op apegapen. Ook de 95 procent.

En daarom moeten wij dat talenonderwijs koesteren. Veel meer nog dan de Noorsche rijken. En wij hebben dat ook gedaan met alle energie, die in ons was. Om dat talenbelang heeft de burgerij zich de laatste 30 jaar geworpen op het Mulo.

Dat zou nu verboden worden ! In de wet, die den naam zal dragen van dr. De Visser. Jammer voor dr. De Visser.

Ook een beetje jammer voor het Mulo, dat weer een paar jaar onder een nieuw juk door moet.

Maar op den duur 't toch wint. Want ons volk wil Fransch leeren (of Engelsch of Duitsch, zoo ge wilt). Dat is zijn leven, zijn handels-en industrieleven. En daar wil het zoo vroeg mogelijk mee beginnen. Want het is een levensbehoefte.

Natuurlijk niet voor 100 pct., maar voor 5, hoogstens 10 : een kern.

Geeft dien een extra-duit voor dat werk. Aan die 5 procent. Geloof me, de heele 100 procent zal er wel bij varen.

Hoe zal 't afloopen.

Eilieve, wie schrijft de tragedie van het Mulo?

Met zijn spannende momenten ?

Ik heb altijd nog goeden moed, dat het wordt een blij eindend treurspel."

De Roomschen en „de zilveren koorde."

Hoe de Roomschen denken over de losmaking van den financiëelen band tusschen Kerk en Staat kan blijken uit een hoofdartikel, dat voorkomt in het R.-K. Dagblad „De Tijd" :

„Gelijk wij onlangs mededeelden, heeft op het Departement van Binnenlandsche Zaken eene conferentie plaats gehad tusschen de Regeering en afgevaardigden der onderscheidene Kerkgenootschappen, teneinde de vraag te bespreken, op welke wijze de thans tusschen Kerk en Staat bestaande financieele band zou kunnen worden losgemaakt.

Naar verluid zou daar door de Regeering het voornemen in discussie zijn gebracht de thans aan de Kerkgenootschappen uitgekeerde bedragen te kapitaliseeren en de dus gevonden sommen uit te betalen.

Daarmede zou men dan van elkander af zijn.

Met dit voorstel gaat geheel accoord de desbetreffende conclusie, die op de a.s. buitengewone Deputatenvergadering der Antirevolutionaire partij zal besproken worden, welke luidt:

„De financiëele band, die thans tusschen den Staat en de Kerkelijke instituten bestaat, worde verbroken, nadat aan de rechthebbenden het rechtens verschuldigde zal zijn uitbetaald in den vorm van het gekapitaliseerde bedrag der thans verleende subsidiën".

Nu meenen wij, dat in dezen, ten einde misverstand te voorkomen, goed moet worden onderscheiden.

Met uitzondering van eenige de laatste jaren toegekende bedragen, dragen de thans door den Staat aan de Kerkgenootschappen uitgekeerde gelden allerminst het karakter van subsidiën, in den zin van vrijwillig, onverschuldigd toegekende bijdragen.

Integendeel, deze uitkeeringen vinden hare rechtvaardiging in historische toestanden. Zij zijn een vergoeding voor het gemis der inkomsten uit fondsen en goederen, die eenmaal strekten om in de kosten van den eeredienst te voorzien en waarover de Kerk het beschikkingsrecht in den loop der tijden verloren heeft.

Niet zonder grond ware het, indien men tot den afkoop daarvan willende overgaan, zich van te voren zette tot een diepgaand historisch onderzoek, teneinde na te gaan, welke rechten de verschillende Kerkgenootschappen zouden kunnen doen gelden.

't Is echter ook mogelijk, met voorbijgaan van zoodanig onderzoek, aan te nemen, dat destijds de rentebedragen wel met juistheid voor de verschillende Kerkgenootschappen zullen zijn vastgesteld, en dan deze te kapitaliseeren.

Deze oplossing is eenvoudig, en daarom aantrekkelijk.

Wij begrijpen ook, dat de Regeering, bedenkend welke netelige vragen zich bij een historisch onderzoek zouden kunnen opdringen, eene zoodanige oplossing gaarne ziet aanvaard.

ziet aanvaard. Gesteld echter dat zulks geschiedt, dan heeft men eens en voor goed afgerekend hetgeen de Staat op grond van historische rechten schuldig was — meer niet. Dan blijft echter nog over de vraag, of de Staat in de toekomst de Kerkgenootschappen nu werkelijk subsidieeren zaL

Deze staat geheel los van de vraag, of, en op welke wijze voornoemde rekening zal plaats vinden, en blijve daarvan wèl onderscheiden.

Welnu, die vraag zouden wij voorshands bevestigend willen beantwoorden.

In die subsidieering zouden wij vóór alles de openlijke erkenning willen zien, dat de Staat wel degelijk belang heeft bij het godsdienstig leven der burgers, daaraan zijne aandacht heeft te schenken, en 't door geestelijke overeenstemming te bevorderen heeft.

En teneinde het groot belang dat de Staat bij den godsdienst heeft, temeer in het oog te doen springen, zouden we het verleenen van dien geldelijken steun door den grondwetgever willen zien voorgeschreven, de uitwerking ervan aan den wetgever overlatend.

Over dezen laatste spreken we hier dan ook verder niet.

In de hoogst belangrijke dissertatie van mr. dr. A. Borret S.J., getiteld „Het zesde hoofdstuk onzer Grondwet" verdedigt ook deze met klem de geldelijke ondersteuning.

O.a. schrijft hij : „Er blijft dus op het punt van actieve medewerking van de zijde der overheid aan de ontwikkeling van het kerkelijk leven feitelijk niets anders over dan geldelijke ondersteuning. Maar voor dergelijke ondersteuning is dan ook alles te zeggen. Het is niet meer dan billijk, dat de Staat zich eenige offers getrooste voor de verdere ontwikkeling van het kerkelijk leven zijner onderdanen, waaruit zooveel goeds voor het maatschappelijk leven voortvloeit. En de godsdienst zal er mede gebaat wezen, want al beoogt men er geen materiëelen welstand mee, men kan toch niet geheel er buiten ; hel bedienen van den godsdienst is op zichzelf geen winstgevend bedrijf maar brengt integendeel een aanzienlijk bedrag aan onkosten mede. Als de overheid niet een gedeelte dier onkosten dekt, is het te vreezen, zoowel dat velen, die in den geestelijken stand groote diensten aan de ontwikkeling voor het godsdienstig leven zouden kunnen bewijzen, door de materiëele bezwaren worden afgeschrikt of althans in hun ijver belemmerd, als dat met religieuze doeleinden ondernomen werken in hun uitvoering worden verhinderd of gestuit." Wij meenen derhalve, dat, komt bij de a.s. Grondwetsherziening tot stand de afrekening, waarvan boven sprake is, de Regeering daarnaast zal hebben te bevorderen, dat de Grondwet den wetgever voorschrijft te regelen de in de toekomst door den Staat aan de Kerkgenootschappen uit te keeren I geldelijke bijdragen." ,

Men las dezer dagen in de „Vrije Westfries" dit navolgende onder den titel Tuchtelooze jeugd.

Steeds luider wordt in onze dagen geklaagd over de tuchteloosheid en bandeloos­ ! heid van het opgroeiend geslacht.

In een schrijven van de Tucht-Unie aan 35 van de grootste gemeenten in ons land wordt o.m. verklaard, dat de scholen voor l^ger onderwijs leerlingen tellen, die door hun vergaande koppigheid, brutaliteit, ongehoorzaamheid of doordat zij een ernstig gevaar opleveren voor de opvoeding hunner ' medeleerlingen, ongeschikt zijn voor het gewone onderwijs ; alsmede leerlingen, die zich aan hardnekkig schoolverzuim schuldig maken, zonder dat de ouders of onderwij­ j zers hiertegen voldoende kunnen waken.

Dit euvel, zoo heet het verder, — reeds  verergerd sinds de invoering der Leerplichtwet, waardoor allerlei onhandelbare en verdorvenen, die vroeger de school niet bezoch­ 1 ten, daarheen worden gezonden — heeft de laatste jaren angstwekkende afmetingen aangenomen.

Wie gewoon is zijn opgen de kost te geven en kennis neemt van wat er om zich heen gebeurt, zal zich over deze klacht niet verwonderen.

De bandeloosheid van de jeugd grenst inderdaad aan het ongelooflijke.

De Tucht-Unie schrijft dit verschijnsel voor een groot deel toe aan den volks-en kinderverruwenden oorlogstoestand en geeft den aan als middel om deze kwaal te bestrijden

Ie. het oprichten van een of meer speciale klassen of scholen en 2e het nemen van maatregelen, waardoor het bezoek van deze speciale klassen of scholen zooveel mogelijk bevorderd wordt.

En over de hier aangegeven oorzaak èn over het aanbevolen geneesmiddel valt wel een en ander op te merken.

Ongetwijfeld, de oorlogstoestand heeft op ons volksleven een verderfelijken invloed uitgeoefend. Deugd en ondeugd hadden volgens veler besef stuivertje gewisseld. Met het gezag werd — helaas ook vaak in Christelijke kringen — gespot. De zucht naar geld en goed bracht en brengt vaak alle moreele overwegingen tot zwijgen.

Bovendien leidden de vaak gemakkelijk verkregen rijkdommen menigmaal tot uitspattingen op groote schaal.

Dit alles is niet zonder invloed gebleven op onze jeugd.

Maar ook andere oorzaken zijn hier aan te wijzen.

Niet te becijferen is b.v. vooral de invloed van de bioscoop die in bond met prikkellectuur en de overal uitgestalde zedekwetsende platen, zijne slachtoffers bij duizenden telde, inzonderheid onder de kinderen van ons volk.

Voeg daarbij den invloed van de lectualistische opvoedkunde.

Er komt eenige kentering, maar de dagen liggen toch nog niet zoover achter ons, dat verstandelijke ontwikkeling als het middel voor zedelijke verbetering werd aangeprezen.

De vruchten van dit stelsel worden thans geplukt. En het zijn waarlijk geen kostelijke vruchten.

Een van de grootste oorzaken van de heerschende bandeloosheid is echter, dat 't gezinsleven steeds meer wordt ondermijnd, en dat op die wijze de invloed van het gezin steeds minder wordt.

De Staat moet het doen ! Dat is de leuze die ook in het stuk der opvoeding wordt gehoord. De natuurlijke huiselijke opvoeding in het gezin, moet worden vervangen door de kunstmatige opvoeding door of vanwege den Staat.

Ook de Tucht-Unie weet zich aan dezen invloed niet te onttrekken. Gevraagd worden speciale scholen of klassen.

Nu kunnen dergelijke inrichtingen, mits gevestigd op een deugdelijken grondslag, en mits geen neutrale opvoeding wordt toegepast, ongetwijfeld hun nut hebben.'

Maar vergeten we niet, dat dit toch eigenlijk niets anders is dan peuteren aan den omtrek. De gevolgen worden eenigszins verzacht ; de kwaal niet weggenomen.

En daarom moet het toch te doen zijn.

Zal het opgroeiend geslacht dat door den geest van onzen revolutionairen tijd zoo sterk beïnvloed wordt, voor algemeene verwildering worden bewaard, dan is noodig een Christelijke opvoeding. .

In de eerste plaats in het gezin. Dat is het voornaamste. En dan in aansluiting daaraan  óók in de school.

De school is langzamerhand geworden in hoofdzaak ontwikkelingsinstituut. Dat is ook noodig. Maar de opvoeding mag even­ I min uit het oog worden verloren.

Huisgezin en school hebben hier eén ge­meenschappelijke taak. Innige samenwer­king is daarom noodzakelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's