Stichtelijke overdenking.
En het geschiedde als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide : zijt gij die beroerder Israels ? 1 Kon. 18 vers 17
Ds. M. VAN GRIEKEN is VERHUISD naar ROTTERDAM Jonker Fransstraat 72b.
DE BEROERDER ISRAELS.
„Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening" geldt ook van den profeet Elia. We weten alleen dat hij kwam van Tisbe, in Gilead, uit het Over-Jordaansche. Maar méér weten we niet. We weten niet vanwaar hij gekomen is, gelijk hij ook is heengegaan, zonder dat men wist waarheen. Een geheel eenige verschijning.
Ais door een wonder voortgebracht ; door wonderen omringd in zijn leven ; wonderlijk heengegaan. Daardoor komt z'n goddelijke roeping, z'n goddelijk werk, z'n goddelijlke verschijning des te meer uit.
God zendt hem. Hij is waarlijk een man Gods. in z'n naam zit dat al.
Elia, d.i. de Heere, Jehova, is mijn God."
't Is de Heere die hem zendt. De HEERE, , jehova, Israels Bonds-God. De God van Abraham, Izaak en Jacob. De God die trouwe houdt tot in eeuwigheid ; die Zijn volk in liefde gedenkt en die niet laat varen de werken Zijner handen.
Die God zendt Elia, den profeet. En die God vergezelt hem overal ; die God bekrachtigt hem, begenadigt hem ; beschermt hem ; redt hem ; zegent hem.
Elia komt niet in eigen naam. Hij is waarlijk een Godsgezant. En hij komt niet om zijn eigen wil te doen, maar den wil zijns hemelschen Zenders in alles gehoorzaam zijnde.
Vandaar dat zijn optreden, zijn woord, zijn daden ook dwars tegen den levensgang des konings en der koninginne en des volks ingaat.
Allen had Hem den rug toegekeerd.
Nu kon God hen den rug toekeeren ; om hen in hunne zonden te doen sterven.
Of de Heere kon er dwars tegen ingaan, om hen te waarschuwen en hen te doen omkeeren op den weg om weder te keeren tot den Heere.
En zier, de Heere doet niet het eerste.
Zijn barmhartigheden roemden tegen het oordeel en daarom gaat Hij dwars tegen hun woord en werk in en zet Zich tegenover hun levensbeschouwing en hun godsdienst, om Zichzelf te openbaren als den God des levens en der zaligheid en alle wegen buiten Hem bloot te leggen als wegen van zonde en verderf, van ongehoorzaamheid en dwaasheid, van gruwel en dood.
Dat is de genade Gods welke Hem hiertoe beweegt, 't Is omdat Hij nog geen lust heeft m den dood des zondaars en den ondergang des volks, 't Is omdat Hij in eeuwig ontfermen en onwankelbare trouw het werk Zijner handen niet wil loslaten, maar behouden wat anders zeker sterven zou.
O ! wat is de Heere goed en goeddoende. Waf ligt Zijn goedheid over alle Zijne werken. En wat zal Sion steeds den Heere moeten roemen als den God, wiens naam Ontfermer is!
Maar natuurlijk, dan gaat de Heere ook dwars tegen het zondige leven, zoo vol van ' gruwel en ongehoorzaamheid, in, om in liefde, doch met kracht met den verkeerde te worstelen en den zondaar af te manen van de booze wegen en werken.
En dat smaakt den mensch niet. Omdat daarbij des menschen woord en werk wordt aangetast. Omdat de mensch daarbij hooren moet, dat hij moet aflaten van zijne eigene wegen en zich moet leeren bekeeren tot den Heere, met belijdenis van zonde en schuld.
In dat licht moeten we de ontmoeting van Koning Achab en den profeet Elia zien. Waardoor het ons dan ook duidelijk wordt, waarom de koning den man Gods begroet met deze allesbehalve vriendelijke woorden: „Zoo, zijt gij daar, beroerder Israels ? " Gelijk we dan ook kunnen verstaan, dat Elia bedaard antwoord : „ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt."
In Israël waren de wissels omgezet, en het volksleven was op 'n ander spoor overgegaan.
In Davids tijd ging het goed. Toen werd de HEERE gekend in al de wegen naar Zijne rechten en inzettingen en het werd ervaren, dat het waar is, wat de psalmdichter zegt: „Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen." (Psalm 2).
Toen Salomo oud .werd ging het minder goed. Hij wederstond het drijven der vreemde vrouwen niet, die vreemde goden deden staan in het midden des volks, dat nooit anders geleerd had dan : „Hoor, Israël, de Heere uw God is een éénig Heer en er zijn geen goden buiten Hem."
't Ging verkeerd. En de schaduwen van Gods toorn verschenen boven Jeruzalem. De oordeelen Gods bleven niet uit, waar Hij de goddeloosheid ziet en geenszins kan gedogen. Wat erger wordt als Jerobeam, Nebath's zoon, den kalverendienst invoert en wat ernstiger nog dreigt als de goddelooze Achab, onder den invloed van de slechte dochter van Et-Baal van Sidon, - het gansche volk verleidt tot den zedeloozen dienst van Baal en Astarte.
Men heeft God niet in erkentenis gehouden. Men heeft den Heere verworpen. Men heeft Zijn Woord weggedaan, de altaren verbroken, den tempel gesloten — en welbewust is men ingegaan in den dienst der afgoden, om zinneloos en zedeloos zich den Baal te wijden en Astarte te dienen.
Héél het volksleven is anders geworden. Wat voortkomt uit het breken met den dienst van Jehova, Israels God.
En dan treedt Elia op, de Tisbiet, gezonden door den Heere, die twisten zal met Zijn bondsvolk, om hen onder de tuchtroede door te laten gaan en hen te louteren, opdat ze zullen schaamrood worden en zullen wederkeeren tot den Heere.
Daar verschijnt Elia, de boetgezant. Daar rolt het Woord Zijns Gods van zijne lippen. 't Is als de donder; 't is als het bliksemlicht. 't Spreekt van de straffen Gods. En de oordeelen komen : drie jaren en zes maanden zal er geen regen noch dauw op 't land zijn en mensch en beest zal hijgen naar lafenis, de tong zal verdrogen, de honger zal slachtoffer na slachtoffer maken — en de Heere zal openbaren, dat Hij een ijverig God is, ijverend voor de eere Zijns Naams, terwijl Hij Zijn eere niet geeft aan anderen.
Laat Baal en Astarte dan de goden der vruchtbaarheid zijn — de Heere in den hemel zal lachen I Machteloos zullen de stomme afgoden aan de kaak gesteld worden en de Heere zal Zich openbaren als God, die maar te spreken heeït en het is er, te gebieden en het staat er.
Elia is daar de boodschapper van. Om te zeggen dat het niet goed gaat in Israël. Om Gods oordeelen aan te kondigen en te verklaren. Om den zedeloozen en zinneloozen dienst der stomme afgoden aan de kaak te stellen in het midden van het volk van Jehova. Om terug te roepen tot den dienst van Israels Bonds-God. Om alle terrein des levens weer op te eischen voor den levenden God. Om te verkondigen dat de vreeze des Heeren de sterkte en de wijsheid is voor het leven. Om het den goddelooze aan te zeggen dat 't hem kwalijk zal gaan en het den rechtvaardige toe te roepen, dat 't hem wèl zal gaan. Maar — natuurlijk ! — dat bevalt Achab niet en dat smaakt Izebel niet en dat dulden de priesters van Baal niet en dat verdragen de priesters van het bosch niet. Voortdommelen willen ze in den dienst van zonde en gruwel.Voortwandelen in de wegen van zingenot. Voorthollen in de paden van gruwel en afwijking. Om daarbij het volk vast te houden o.nder hun macht en invloed.
En daarom duwen ze Elia ruw terug en werpen-Tiem op zij, zeggende : maak u weg, gij, die Israël beroert!
Maar men ziet Gods bemoeienissen dan niet. Men merkt niet op Gods kloppen en roepen en lokken en trekken, door liefde bewogen tot Zijn zondig volk komend om hen van den dood te redden.
En daarom is het veel beter dan bits uit te vallen tegen Elia, den profeet, die verkondigt dat de Heere God is, om zich te leeren verootmoedigen voor God en met belijdenis van zonde en schuld eigen gekozen wegen te verlaten en weder te keeren tot den Heere.
't Is beter om voor den Heere te leeren bukken. Om zijn sparende goedheid te leeren bekennen om Zijn kastijdingen en straffen ter harte te nemen, om Zijn stem te volgen en Hem van harte lief te hebben en te dienen.
Welgelukzalig het volk dat de tuchtroede leert opmerken en dat den strijd tegen den Heere mag leeren opgeven. Welgelukzalig de ziel die zich onder den Heere mag leeren vernederen en verteederen. Gelukkig te prijzen is het geslacht, dat uit bange tijden en geweldige plagen nog mag leeren en daarin de stemme Gods mag leeren beluisteren, die daar roept : „O mijn volk ! neem mijne leer ter oore, neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds."
Dan zal men de knechten des Heeren niet tegenstaan en men zal de vuist niet ballen tegen den hemel.
Dan zal men schaamrood voor God verschijnen, om den Rechter des hemels en der aarde om genade te smeeken en zich te bergen onder de schaduw Zijner vleugelen, waar het veilig en goed is ; zich voegend naar Zijne bevelen en wandelend in Zijne wegen.
De bekeering gaat niet zonder ervaring van den toorn Gods en het doet met smart bekennen, dat de Heere een vreeselijk God is. Maar uitgestreden en moegeweend doet het smaken, dat de Heere barmhartig en genadig is en dat Zijn dienst een liefdedienst is
Zoet en heilzaam zijn dan de oordeelen Gods, in gunste ons toegezonden om ons wijs te maken tot zaligheid !
Maar die weigert op te merken en God en Zijne knechten haat, die zal den dienst der zonde bestendigen en het einde zal de dood zijn, om eeuwig ellendig om te komen.
Zij niet het laatste ; zij door genade het eerste ons deel !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's