De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

9 minuten leestijd

KLACHT VAN HET JONGE LEVEN.

Op den 2den Pinksterdag vergaderde in de salon „Doelen" te Rotterdam de Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Gcref. grondslag. Op zichzelf een verblijdend verschijnsel dat herdacht mocht worden het 10-jarig bestaan van dezen Bond.

Minder verblijdend was het daar te vernemen (wat reeds ónze ondervinding was) dat er geen medeleven wordt gevonden voor het werk dat er geschiedt onder de jonge menschen. Gevraagd werd er om meer voorlichting in de vragen, welke het leven beroeren van ons jongeren.

Getracht is er verscheidene malen om medewerking te erlangen van het Bondsorgaan „De Vaandrager", doch steeds tevergeefs.

Is het altijd onmogelijk de helpende hand uit te steken ?

Wordt er onder onze Herv. Gereformeerden niemand gevonden die ons wil en kan helpen ?

De leiders geven toch leiding waar hef zoo bitter hard noodig is en het ook gevoeld wordt onder de leden van onzen Bond.

Laat de jeugd niet aan zichzelven over of den arbeid aan enkelen.

Onze geweldige tijd dreigt vooral de jeugd, het jonge leven te vernielen voor de eeuwigheid. En dan versta men toch de klacht dat er zoo weinig steun wordt geboden om staande te blijven in den moeilijken strijd.

Het werk onder de toekomst der Kerk ga toch niet ten onder door de laksheid van wie steunen kan !

„Kom over en help ons", deze vraag des Macedoniërs is ook de onze.

Als ieder maar iets bijdroeg, dan was de taak der enkelen zeer verlicht en het werk onder ons hoogelijk gebaat.

Wat een drukkend gevoel gaf het om te hooren : wij kloppen tevergeefs aan ; het verlamt onzen arbeid.

God geve dat aan onze dringende roepstem gehoor gegeven zal worden.

En de Heere zelf schenke Zijn zegen op den arbeid onder onze jongeren !

Namens het bestuur der afd. Kralingen, „Hebt de Waarheid en den Vrede lief."

A. V. ESSEN, Secr. Rotterdam, Lusthofstraat 31.

UIT WELKE RUIF ?

Mijnheer de Redacteur ! Het wil mij voorkomen, als ik de bezwaren overweeg, die ingebracht worden tegen het voorgestelde reglement op de predikants tractementen, dat ze niet de hoofdstrekking van het voorstel raken.

Wat wil dit voorstel ? Dit voorstel wil eene centrale regeling

voor de bezoldiging van dienstdoende predikanten in de Ned. Herv. Kerk, en stelt daarvoor als eisch een heffing van alle leden voor de algemeene kas.

Wat is daar tegen ? 1

Is het in het algemeen genomen af te keuren, dat een Kerk vaststelt, dat er voor hare dienaren des Woords een tractementsregeling zijn moet waaraan iedere gemeente zich heeft te houden en dat er gezorgd wordt, dat althans een bepaald minimum-salaris wordt uitgekeerd?

Is het af te keuren, dat ieder lid der Kerk een bijdrage moet geven voor de hoogste geestelijke belangen zijner Kerk? Moest Israël niet de tienden der verplichte bijdrage geven voor de priesterschap ? En wat lezen wij in Corinthe 9 ?

Is dat onbijbelsch, ongereformeerd, kerkrechtelijk verkeerd ?

Zoo neen, is het dan ontoelaatbaar als in de Ned. Herv. Kerk een dergelijke regeling wordt voorgesteld?

Laten wij de zaak eens nuchter beschouwen. Wij zijn het hierover eens, dat „de zilveren koorde" moet worden losgemaakt. Geen eten uit de Staatsruif in het vervolg meer! Goed ! daarop dus aangestuurd!

Vervolgens — de practijk heeft vooral in de laatste jaren geleerd, dat de gemeente-(kerkvoogdij) voorziening in den nood der predikantsgezinnen tekort schiet.

Alle predikanten zonder eigen middelen lijden armoede, — ook de gereformeerde ! Dezer dagen heb ik nog verhalen hooren doen van broeders, die u het hart zouden doen breken. Ook rijke kerkvoogdijen doen hun plicht niet. Zij kennen den nood niet of ze denken : „Zijt vergenoegd met uwe bezoldigingen !"

En gij kunt er op harneren, M. de R., zoo hard ge wilt, maar het zal niet beter worden. Het blijft tobben met alle voorziening door de gemeente, in welken vorm ook. (Vrijwillige bijdragen, particuliere douceurtjes, etc.)

Wat blijft er over ? Dat de predikant zijn toevlucht neemt tot andere werkzaamheden, om in zijn nood te voorzien. Is dat de weg ? Neen, M. de R., dat is de weg niet! Niet „dominé-en-nog-wat" of „wat anders en ook dominé" — maar die het altaar bedient moet alleen het altaar bedienen, maar moet dan óók geheel en alleen van het altaar leven. Predikantstractementen moeten voor 't onderhoud van predikantsgezinnen, voor opvoeding en studie van de kinderen voldoende zijn. Uit zijn ambtsinkomen moet hij kunnen leven overeenkomstig zijn stand.

Resumeerende kom ik tot deze conclusie :

1. Geen Staats-ruif.

2. Geen gemeente (kerkvoogdij)-ruif alléén.

3. In 't geheel geen particuliere ruitjes. Maar wat dan ? Eén groote Kerkruif, die door allen naar vermogen en draagkracht gevuld wordt en waaruit het noodige toegedeeld wordt, terwijl desgewenscht en zoo mogelijk de kerkvoogdijkas aanvult en van het hare toevoegt, zooveel zij kan.

Maar — ik weet het wel — daar komen de poppen aan het dansen ! Op echt-Hervormde wijze ! Want als bij ons dominé A ja zegt, dan zegt natuurlijk dominé B neen. En zoo is het ook weer bij dit voorstel. Alle werkelijke en fictieve bezwaren moeten dienst doen om een „knap stuk werk" en een „in vele opzichten mooi voorstel" te doen vallen. Leeuwen en beren op den weg, legio!

Daar, komen de heeren met hun stokpaardjes ! Ziet ze komen !

Stokpaardje I naar voren ! „Onmogelijk dat voorstel, want de autonomie der gemeente komt in het gedrang 1"„

Watblieft ? autonomie ? Laat dan uw ge­reformeerde kerkeraad eerst beginnen met den modernen dominé van den stoel te weren als het vacature-tijd wordt.

Stokpaardje II volgt: „Onmogelijk, want die Synode krijgt te veel macht en onze dierbare reorganistatieplannen (waar al zooveel van terecht kwam !) zullen mislukken!"

Stokpaardje III : ('t is nog een jong en dartel beestje) : „Prachtige regeling, maar dan ook de rechten der minderheden." Reine onzin ! Wat heeft er dat nu mee te maken ?

Stokpaardje IV ('t komt van den stal der rijke kerkvoogdijen en hare verdedigers !) : „Vreeselijk, zoo iets te willen ; houdt toch bestuur en beheer gescheiden. (Is dat óók gereformeerd ? ) Spaar mijn heilig recht, en laat mij mijn welgevulde brandkast!"

Er zouden er nog meer te noemen zijn, maar M. de R., is het duidelijk, dat al deze stemmen niet spfeken over de hoofdzaak van het voorstel, om langs zuiver kerkdijken weg te komen lot een voldoende voorziening in den nood der leeraren onzer Kerk, ook van onze broeders, leden van den Gereformeerden Bond ?

Is het toch eigenlijk niet al te dwaas, dat we een eenvoudige financiëele regeling zouden gaan verwerpen, om de redenen, die een „schijn" hebben, of om broeders ouderlingen en kerkvoogden in het gevlei te komen, die meenen, dat het „voor de modernen" is, en „om dien revolutionairen Bond van Dominé's" te sterken, bewijs van verregaande bekrompenheid ! ?

Moet, omdat de kerkelijke toestanden niet deugen, dit reglement worden verworpen en de geheele predikantenstand in onze Kerk in nijpende armoede blijven voortleven ?

En kan dit voorstel nu niet aangenomen orden buiten allerlei gedisputeer over dogatische en kerkrechterlijke verschillen ?

Als we nu eens niet van te voren allerlei westies gingen opblazen, zou het dan met dat „wegloopen" en met al die „procedures" enz., enz., wel zoo'n vaart loopen ?

De Hervormde patiënt is de doleantiekoorts vrijwel te boven !

1 De kerkelijke practijk in de Herv. Kerk heeft mij geleerd : als het Synodaal geregeld en van hooger bestuur wordt ingevoerd, dat het er dan in den regel wel ingaat, na langer of korter duur. Daar stroomt meer Synodaal bloed in onze aderen dan we zelf wel eens wenschen te gelooven I

Mijn advies is : laten de predikanten der Classes er eerst eens met elkaar over spreken ; laten de Classicale vergaderingen er de scherpe puntjes afslijpen, desnoods het voorstel flink amendeeren, en laat dit voorstel er dan eens „met vlag en wimpel" doorgaan.

Er zou veel „stille armoede" gelenigd worden, de tyrannic van sommige kerkvoogdijen zou verminderen, het zou de Kerk ten goede komen want jonge menschen zouden niet langer afgeschrikt worden van de vervulling van „dit voortreffelijk werk."

M. de R. Als u mij niet bewijzen kunt, dat dit voorstel in zijn hoofdstrekking ongereformeerd is, dan stem ik er voor, en hoop ik, dat al onze broeders den moed zullen hebben het óók te doen. Naar mijn inzien is het de eenige oplossing voor onze Ned. Herv. Kerk van het predikantennood-vraagstuk.

Met dank voor de plaatsing.

Hoogachtend,

Een predikant-lid van den

Geref. Bond.

Wij willen met genoegen voor bovenstaand een plaatsje inruimen. Wanneer er nog meer predikanten in deze iets op hun hart hebben, dat ze het vrij zeggen ! De zaak is er gewichtig genoeg voor.

Ons bezwaar, dat door de Kerk (Synode) een centrale regeling gemaakt wordt voor al de gemeenten en zoo de gemeenten tot stukjes van het groote geheel gemaakt worden met verlies van het bestaan als plaatselijke Kerk, blijft. De Synodale band wordt meer nog toegetrokken ; we raken meer nog in 't moeras.

Veel liever zagen we, dat de plaatselijke gemeenten gingen verstaan, wat plaatselijk gedaan moet worden naar uitwijzen van Gods Woord. En wil men dan classicaal zwakke gemeenten helpen, best! Maar de regeling moet niet van boven af opgelegd worden ; ze moet komen van onderen óp. En dan moet het zóó worden, dat die het altaar bedient ook van het altaar leven kan.

Dat is naar de Schrift.

M. V. Grieken

DE DOOPSFORMULE.

DE DOOPSFORMULE. Zou het niet wenschelijk zijn, dat op de a.s. Classicale vergaderingen werd voorgesteld de Synode te verzoeken aan art. 14 lob van het Syn. Reglement voor de kerkeraden achter „plaats hebbe" toe te voegen de woorden „In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes."

Ondanks de circulaire van de Synode aan de kerkeraden om toe te zien, dat bij de Doopsbediening de woorden ontleend aan Matth. 28 vers 19 worden uitgesproken, zijn er nog tal van vrijzinnige predikanten, die zich van een andere, zelf gekozen formule bij den Doop bedienen, b.v. : ik doop u, met den wensch, dat gij moogt worden een kind van God en een volgeling van Jezus", of, „dat ge een goed en vroom mensch moogt worden", of „ik doop u in den naam van geloof, hoop en liefde."

Zulk een doop is een bespotting, een caricatuur van den doop. Het is geen bediening van het sacrament van het verbond der genade en kan en mag nooit door ons als zoodanig worden erkend. Christus Zelf heeft bevolen, dat gedoopt zou worden in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

H.,  J. W.

Onderschrift van de Redactie :

Heeft de geachte inzender ook feiten tot taving van zijn bewering, dat niet aan de yn. circulaire wordt voldaan ?

Zoo ja, dan moet dat maar gepubliceerd worden en kan er bij de Synode ook melding van gemaakt worden.

Overigens veronderstelt de Synode, dat door ieder de Doopsformule gebruikt wordt. Dat is in ortze Herv. Kerk de stilzwijgende conditie.

M. v. Grieken

Hoogachtend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's