Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.over dit onderwerp voordroeg.
Interessant en van groote beteekenis is hetgeen Prof. Dr. H. H. Kuyper in „de He aansluiting aan en ter weerlegging van hetgeen Mr. van Apeldoorn
We laten hier volgen wat „de Heraut" van 23 Mei j.l. gaf :
Geen gunst maar recht. XX.
Van een gunstbetoon, toen Koning Lodewijk in 1808 bepaalde, dat de predikanten der Hervormde Krek verzekerd zouden blijven van de dusver genotene tractementen, was dus geen sprake. Er lag in dit besluit wel degelijk een schending van het recht, dat deze. predikanten op de dusver hun uitbetaalde tractementen bezaten.
Mr., van Apeldoorn, die dit ontkent, schijnt vergeten te hebben, wat aan dit besluit was voorafgegaan. Het plan was n.l. aanvankelijk bij den Koning opgekomen, die daartoe vooral van Roomsche zijde werd aangezet. om niet alleen de goederen, die zich in de geestelijke kantoren bevonden maar ook pastoriegoederen, waaruit de tractementen betaald werden, door den Staat te laten verkoopen en de inkomsten te doen dienen om allen dienaren van de onderscheidene gezindheden daaruit een bezoldiging te verzekeren. Het was de Minister Mollerus, die belast was met de zorg voor de openbare godsdiensten die de Koning van dit plan terugbracht door er op te wijzen, dat deze pastoriegoederen toebehoorden aan de gemeenten, waaronder zij gevestigd waren, en dat hier confiscatie derhalve een onmlddelijke inbreuk op 't eigendomsrechten dezer gemeenten zou zijn. En in tweede plaats wees de Minister er den Koning op, dat uit dienzelfden hoofde de goederen der geeste lijke kantoren de eigendommen waren van de onderscheidene gemeenten, welke voormaals hare pastoriegoederen daarin hadden binnengedragen, ten einde op eene zoo even redige als geregelde wijze hare predikanten mochten betaald worden, en dat de Staat, onder wiens bestuur zij waren, daarvoor gewaarborgd had. 1)
J"". ho^^^^rre deze beschouwingen van den Mmister historisch geheel juist waren, kan j^j^j. - ^^ ^^^ midden worden gelaten. Ik wijs alleen op deze mrnisterieele uiteenzetting, omdat daaruit teverklaren is, welke betee-^enis aan het Koninklijk besluit van 1808 is te hechten. Il faut juger les écrits d'apres , J i D t , , i - j . A „I leur date. En het gaat met aan de revolutionaire beschouwingen, die aan de besluiten der Nationale Vergadering van 1798 ten grondslag lagen, als uitgangspunt te nemen voor de verklaring van het Koninklijk be-^^ } ^ : Het rechtsstandpunt door den Minister, die in dit opzicht wel den mees ten invloed heeft uitgeoefend op dit besluit van den Koning, dient wel in de eerste plaats in aanmerking te komen, wanneer men vraagt naar de gronden, waarop dit besluit rust. Evenzeer toch als het den Minister gelukt is, den Koning te overtuigen, dat de confiscatie der pastoriegoederen, waaruit de predikantstractementen betaald worden, een inbreuk zou wezen op de eigendomsrechten der gemeenten, zoodat van dit plan dan ook niets gekomen is, evenzoo heeft hij blijkbaar den koning overtuigd, dat de predikanten, die uit de geestelijke kantoren hun tractement ontvingen, daarop een recht hadden, en heeft daarom de koning de uitbeta-dezer tractementen ook verder aan de
predikanten der Hervormde Kerk verzekerd. Ongetwijfeld is ook op dit koninklijk besluit van invloed geweest een memorie, door de Commissie uit de Hervormde Kerk aan den minister overhandigd. Hierin werd uit-i roerig het standpunt bestreden, dat toen door velen scheen te worden ingenomen, dat de tractementen der predikanten, wijl zij uit de publieke kassen geschiedden, daarom gerekend moesten worden uit 's lands kas te geschieden. Terecht werd er op gewezen, dat dit onjuist was, wijl die tractementen, over het geheel genomen, voortvloeiden uit goederen en fondsen, die oorspronkelijk gees telijke goederen waren geweest, dus bestemd voor den dienst der Kerk, en die vroeger door den'Souverein uitdrukkelijk waren toegewezen aan de Hervormden. Het rustig genot van de inkomsten dezer goederen door de Hervormde predikanten had aan dat recht een onverbreekbare vastheid verleend. Dat deze goederen, zoo voegden zij er aan toe, onder publieke beheering hadden gestaan, had ze even zoo weinig tot een gedeelte van 's lands kas gemaakt, als de fondsen van weeskamers en dergelijke openbare stichtingen, daartoe behoorende. Voornamelijk bewezen zij, dat dit het geva Iwas met de goederen van het geestelijk kantoor te Delft. Dit kantoor toch bestond vooral uit de pastoriegoederen van bijzondere gemeenten, welke, tentijde der Kerkhervormingen in de zestiende eeuw aanwezig zijnde, toen op stelligen last van den Staat waren saamgebracht tot één fonds, om ten voordeele dier gemeenten bestuurd te worden. En ze waren daarin saamgebracht met uitdrukkelijk beding aan de eene en met belofte aan de andere zijde, dat de Staat uit de inkomsten van die goederen voor 't onderhoud der Hervormde predikanten en der Hervormde gemeenten zorgen zoude. De genoemde goederen waren derhalve onder het bestuur van den Staat de eigendom van de Hervormden gebleven en tot het gemelde doel bestemd.2)
Al heeft dit betoog den koning niet verhinderd op voorstel van zijn Minister van Financiën deze goederen uit de geestelijke kantoren over te brengen, in 's lands kas, de verplichting, die daartegenover op 's lands kas werd gelegd om de predikantstracementen te betalen, en de uitdrukkelijke verzekering, dat de predikanten der Hervormde Kerk gelijk vroeger hun tractementen zouden ontvangen, toont toch, dat de koning met de rechten der Kerk wel degelijk rekening heeft gehouden. Volkomen terecht merken Ypey en Dermout daarom op, dat de koning door deze maatregelen het recht der Hervormden als niet gekrenkt schijnt
beschouwd te hebben. 3) Al mochten de Gedeputeerden der Noord-en Zuid-Hollandsche Synoden dan ook bezwaren tegen dit besluit hebben ingebracht, die bezwaren golden meer de moeilijkheden, die daaruit in de toekomst konden voortkomen, dan dat men meende, dat hiermede aan de rechten der Kerk op zichzelf afbreuk werd gedaan 4)
Metterdaad was het gevaar, dat deputaten dezer Synoden van de toekomst voorzagen, niet denkbeeldig, zooals de geschiedenis wel geleerd heeft. Door aan het afzonderlijk bestaan der geestelijke kantoren een einde te maken en hun fondsen in 's lands schatkist te storten, waren deze fondsen zelf nu verdwenen en hing het af van den toestand der schatkist of deze nog bij machte was aan de haar opgelegde verplichting te voldoen. Het is dan ook bekend, hoe, toen Koning Lodewijk abdiceerde en Nederland nu als wingewest bij het Fransche Keizerrijk werd gevoegd, de toestand van de schatkist zoo berooid werd, dat van de verplichte uitbetaling dezer predikantstractementen zoo goed als niets gekomen is. Hoe rampzalig de toestand der predikanten tijdens dit Napoleontisch bewind is geweest, behoeft hier wel niet geteekend te worden. Het is dan ook niet alleen voor heel ons land, maar ook voor de Kerk een verademing geweest, toen aan Napoleons heerschappij een einde werd gemaakt, de onafhankelijkheid van Nederland werd hersteld en nu een Oranjevorst den troon besteeg. Alle hoop was, ook van de Kerk, op den Souvereinen vorst gevestigd.
Koning Willem I heeft, wat de financiën der Kerk betreft, deze hoop niet teleurgesteld. Reeds bij zijn koninklijk besluit van 1814 heeft hij zorg gedragen, dat de tractementen wederom aan de predikanten uit 's lands schatkist zouden worden uitbetaald en dat op denzelfden voet als vroeger was geschied.
Ook bij dit koninklijk besluit nu, meent mr. Van Apeldoorn, is van een erkenning van rechten der Kerk geen sprake geweest, maar zou, evenals bij besluit van Koning Lodewijk, alleen het belang, dat de Staat had bij den godsdienst, den doorslag hebben gegeven. M.a.w. zou er sprake zijn geweest van staatssubsidie, niet van een verplichting, die de Staat op zich had genomen wegens de confiscatie der geestelijke en kerkelijke goederen.
Nu moet, ook bij dit koninklijk besluit, wel in het oog worden gehouden, dat Koning Willem I evenals Koning Lodewijk de betaling der tractementen niet alleen wilde doen toekomen aan de predikanten der Hervormde Kerk, maar evenzeer aan de dienaren der andere Kerken, voorzoover de schatkist dit toestond. Van een recht, dat deze andere Kerken konden doen gelden tegenover den Staat, kon evenwel geen sprake wezen. De tractementen aan deze Kerken uitgekeerd, berustten niet op een rechtsaanspraak, maar op gunst. Of wil men liever, omdat de Staat het in zijn belang achtte de dienaren van den godsdienst te bezoldigen, bepaaldelijk ook met het doel, gelijk werd uitgesproken door den Commissaris van kerkelijke zaken, om de leeraars van den godsdienst nader aan den Staat te hechten, aangezien de aard der zaak het medebracht, dat de bezoldigde zich moest verbonden achten aan den bezoldiger. Reeds op dien grond achtte men het wenschelijk, de betaling van alle tractementen onmiddellijk uit 's lands kas te doen geschieden, en deze niet als last aan de gemeenteleden op te leggen. De Kerken zouden daardoor tegenover den Staat te onafhankelijk worden. Maar hierbij kwam een tweede grond. Zulk een maatregel zou ook onbillijk wezen tegen over de Hervormde gemeenten. Immers, zoo verklaarde de Commisaris, de geheele last om voor hare predikanten te zorgen zou dan dan neerkomen op die Hervormde gemeenten, die voorheen pastoriegoederen hadden bezeten, waaruit hare predikanten konden onderhouden worden, maar deze aan den Souverein hadden afgestaan, terwijl daarentegen die Kerken, die in het bezit van hare pastoriegoederen gebleven waren, daaruit hare predikanten zouden kunnen bezoldigen en geen kerkelijke belasting zouden te betalen hebben. 5)
Het koninklijk besluit zelf stelt dan ook het staatsbelang op den voorgrond : „Overwegende, zoo luidt het, dat de belangen van den Staat zoowel als van den godsdienst vorderen, dat zorg wordt gedragen voor de betaling der tractementen, welke vóór de inlijving dezer landen in het Fransche rijk van 's lands wege zijn betaald geworden." Maar daaraan wordt toegevoegd in de 2de plaats — en juist dit laat mr. Van Apeldoorn wederom weg : overwegende dat de na den jare 1795 genomene dispositiën over de vernietiging van de fondsen der kantoren van de geestelijke goederen, alsmede de afschaffing van de voormaals genotene rantsoenpenningen, thans te meer voorziening van betaling der tractementen uit andere fondsen gebieden"r besluit de koning, dat de tractementen, welke tot den Sisten Dec. 1810 uit 's lands kas aan de predikanten der Hervormde Kerk zijn betaald geworden, voortaan, te rekenen van 1 Dec. 1813, weder uit 's lands kas op denzelfden voet zullen worden voldaan.
De grond, waarop dit koninklijk besluit rust, is dus niet alleen het belang van den Staat en den godsdienst, maar ook, dat de fondsen van de geestelijke kantoren, waaruit vroeger de predikantstractementen' be taald werden, door den Staat vernietigd waren. Er is dus wel degelijk in dit koninklijk besluit een verband gelegd tusschen de confiscatie dezer goederen ten bate van de schatkist en de verplichting om te zorgen, dat nu uit andere fondsen in de betaling der tractementen werd voorzien. Zoo ligt in dit koninklijk besluit, zij het dan ook zijdelings, de erkenning, dat door deze „dispositiën" aan de Kerken onrecht is aangedaan, een onrecht, dat hersteld diende te worden. Waartoe zou anders de vermelding van deze vernietiging der fondsen in de geestelijke kantoren dienen ?
1) YPEY EN DERMOUT. Gesch. der Nederl.
Herv. Kerk Dl. IV biz. 372 en aant. 324. 2) a. w. blz. 374.
3) a. w. blz. 376. 4) a. w. blz. 383.
5) a. w. blz. 612.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's