Stichteli|ke overdenking.
„De mensch gaat naar zijn eeuwig huis." Prediker 12 vers 5m. ,
EEN EEUWIG HUIS.
Het leven van den mensch is ernstig.
Daar zijn tijden in ons leven, wanneer we daarbij bijzonder worden bepaald.
We hebben allen wel eens voor een sterf-bed gestaan. We hebben allen wel eens een | mensch — misschien was het een onzer dierbaren — zien nederliggen in het gezicht van den dood.
We zijn er wellicht allen wel eens getuigen van geweest dat de ademhaling van den kranke minder begon te worden, dat het gelaat begon te betrekken, dat het oog begon te breken en dat tenslotte het hart zichtbaar zijn dienst begon te weigeren, en dan... nog een enkele snik en dan was het leven geweken en wat daar op het doodbed bleef liggen, was niet anders dan een stoffelijk overblijfsel van wat eens een menschenkind was.
Ook hebben we wellicht allen wel eens op een kerkhof gestaan. Weemoedige gedachte, als daar een grafkuil gedolven lag en als we daar de kist — misschien omvatte zij het stoffelijk omhulsel van een onzer dierbaren — zagen wegzinken in de plaats waar geen verzinning nog wetenschap is. Ontzettende gedachte te moeten denken, dat de zon zal blijven schijnen, maar de in het graf wegge. zonkene zal het niet meer zien, dat het leven zal doorgaan, maar de ten grave gedaalde zal er nooit iets meer van merken. Zijne kinderen zullen tot eer komen en hij weet het niet of zij zullen klein worden en hij let niet op hen. Ja, een wolk vergaat en vaart henen, zegt Job, alzoo die in het graf daalt zal niet weder opkomen. Hij zal niet meer wederkeeren tot zijn huis en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
Ons leven is ernstig en inzonderheid als we staan in het gezicht van dood en graf, dan worden onze gedachten vermenigvuldigd.
Imnters, wat we dan zagen gebeuren met anderen, dat weten we, dat ook eenmaal zal gebeuren met óns. Daar zal een oogenblik komen dat ook wij daar zullen nederliggen voor de poorten des doods en dat anderen om onze stervenssponde geschaard zullen staan. Indien althans niet plotseling als met één slag de kruik aan den springader gebroken zal worden. Immers ook dat zou kunnen wezen — hoe dikwijls hooren we het niet — dat in letterlijken zin het woord aan ons bevestigd zal worden : maar als één schrede tusschen mij en' tusschen den dood. Ook dat zou kunnen wezen, dat we niet eens den tijd zullen hebben om onze beschikkingen te maken en afscheid te nemen van diegenen, die ons lief en dierbaar zijn. Ook dat zou kunnen wezen, dat door de uitstorting van een enkel bloedvaatje in onze hersenen, de dood als in één oogenblik ons uit den tijd in de eeuwigheid brengt. Maar laten we het maar aannemen, dat de koning der verschrikking ons leven niet zal afsnijden als een wever zijn web, dan toch komt er een oogenblik dat ook onze levenslamp zal uit-gebluscht worden, dat ook wij uit den kring der onzen zullen worden weggerukt. :
Daar komt een dag, dat óók onze naam onder die der dooden zal voorkomen, dat ook ons sterven zal aangezegd worden, dat ook onze dood misschien per rouwbrief of per advertentie in de bladen verkondigd zal worden.
Daar komt een oogenblik, dat ook óns lichaam in het wit gekleed en daarna in een enge kist zal nedergelegd worden en dat we 't niet meer merken zuilen al wordt ons in z gevallen aangezicht met de tranen onzer geliefden besproeid.
Ja, daar komt een dag — welke dag van welke maand van welk jaar zou het zijn ? — Dat ook wij zullen worden weggedragen worden door mannen In 't zwart, die daarvoor gevraagd of gehuurd zullen zijn.
En als de aarde zich dan weldra om onze kist gesloten zal hebben en onze plaats zal hier voor altoos ledig staan, dan zal door onze vrienden, èn, als zij niet al te onbarmhartig zijn, wellicht ook zelfs door onze vijanden de loftrompet geblazen worden. Dan zan het „van de dooden niets dan goed" waarschijnlijk ook op ons van toepassing zijn. Dan zullen onze fouten en onze feilen zooveel mogelijk met den mantel der liefde worden bedekt. Daarentegen zal het goede wat we deden, zooveel mogelijk worden uitgemeten.
Althans zoo zal het wezen als het huis van onzen aardschen tabernakel pas verbroken zal zijn. Maar als het puin, dat van ons aardsche huis overbleef, eenigen tijd in de groeve der vertering aan ieders blik onttrokken zal wezen, dan zal dat hoe langer hoe minder gaan worden. Immers als wij er niet meer zijn, dan zullen onze plaatsen door anderen worden ingenomen. En nu is het in dat opzicht net als dat hier op aarde een oud huls door een nieuw wordt vervangen. Als het nieuwe er pas staat, dan kan men zich het oude nog heel wel herinneren en dan gebeurt het ook nog wel, dat er gezegd wordt: zoo en zoo was het toen. Maar als het nieuwe eenigen tijd gestaan heeft, dan begint de herinnering aan het oude hoe langer hoe minder te worden en dan komt een tijd, dat niemand zich het oude meer herinneren kan.
Welnu, zoo is het ook met den mensch. Als wij pas zijn gevallen en onze plaats zal weer door anderen worden ingenomen, dan zal men, inzonderheid in den kring onzer geliefden, ons niet aanstonds vergeten zijn. O neen, telkens weer zal er nog aan ons gedacht, over ons gesproken en misschein zelfs geschreven worden. Wellicht zullen er zelfs allerlei pogingen aangewend worden om onze nagedachtenis aan de vergetelheid te ontrukken.
Maar weldra zal het blijken, dat degenen die onze plaats innamen toch veel meer de aandacht tot zich zullen trekken dan wij, wier stof aan ieders blik onttrokken zal zijn en wier plaats hoogstens door een zerk of steen zal worden aangeduid. En zoo zal er een tijd komen, dat zelfs onze gedachtenis ten eenenmale zal uitgewischt wezen en dat het woord van den dichter in letterlijken zin op ons van toepassing zal zijn : men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
De mensch gaat naar zijn eeuwig huis. Het huis dat wij hier bewonen, is niet eeuwig het is tijdelijk, het is siechts voor een korte spanne tijds.
Al is het lichaam dat we hier omdragen ook nog zoo krachtig, daar zal een tijd komen dat er niets anders van overgebleven is dan een handje vol stof.
Al zijn de schatten die we hier bezitten : ook nog zoo veel, daar zal een tijd komen dat het ons in 't sterven niets kan baten, maar dat we 't al aan and'ren overlaten.
Al is het levensgeluk waarin we hier deelen ook nog zoo rijk, daar zal een tijd komen dat het rijkste levensgeluk als een lamp zal worden uitgebluscht.
Al is de eer die we hier genieten ook nog zoo groot, daar zal een tijd komen, dat we in oneer in de groeve der vertering gezaaid zullen zijn. De mensch gaat naar zijn eeuwig huis. i
Maar welk huis zal dat nu wezen ? Als we hier ons oog gesloten zullen hebben, als onze ziel hier ons lichaam ontvloden zal zijn, ' ' zullen we dan een huis hebben dat eeuwig in de hemelen is ? Of zal ons huis, dat eeuwige huis dat we dan betrekken zullen, een huis zijn in de stad des verderfs?
O, gij weet, waar dat van afhangt niet waar ? Dat hangt hier van af of wij aan deze zijde des grafs, zoolang we nog waren in ons tijdelijk huis, als verlorenen voor God zijn gekomen, of we hier gestorven zijn aan onszelf en we hier dus het leven hebben leeren zoeken in Hem, wien te vinden het eeuwige leven is. Dat hangt hier vanaf of we hier in het aardsche huis van onzen waarachtige tabernakel geloofs-dat is, waarachtige levensgemeenschap leerden oefenen met Hem, die den dood heeft verslonden tot overwinning en die voor al zijn volk het leven en de onverderfelijkheid aan het licht heeft gebracht.
Hebben we hier bij Geesteslicht ons zelf leeren kennen in de diepte onzer ellende waarin de zonde ons heeft gestort ? Hebben we hier als verlorenen, als gansch doemwaardige zondaren onzen toevlucht tot Christus gezocht ? En hebben we uit Zijne Middelaarsvolheid genade ontvangen, zoodat die levende Zaligmaker in ons leven een gestalte verkreeg ?
Hebben we dat niet ? Kennen we dus niets van de drie stukken die we noodig hebben te kennen tot zaligheid, o dan is er geen schrikkelijker waarheid dan dat ook wij straks bewoners van een eeuwig huis zullen zijn. Immers dan zal het in dat eeuwige huis zoo donker en zoo bang zijn, zoo eeuwig donker en zoo nameloos bang.
Of hebben we dat wel ? Leeft daar in onze ziel iets van die waarachtige zelfkennis die ons verbrijzelde, maar ook van die waarachtige Godskennis die ons genas, dan is er geen heerlijker waarheid dan dat straks zulk een eeuwig huis het onze zal zijn. Immers dan zal dat eeuwig huis een huis eeuwig in de hemelen zijn.
En o, wat een verschil zal het dan wezen tusschen het huis dat we hier op aarde bewoond hebben en dat eeuwige huis dat dan daar in den hemel door ons bewoond zal worden.
Hier op aarde immers bewonen we, ook na ontvangene genade, een huis dat allerlei gebreken bezit, en die gebreken vinden hun oorzaak ten slotte alleen in de zonde. Waren er geen zonden, er waren geen wonden. Hier op aarde echter is het de zonde, die altoos scheiding blijft maken tusschen God en Zijn kind.
; Maar in dat eeuwige huis van Gods kinderen zal de zonde zijn buitengesloten daar .zal geen satan toegang meer hebben, daar zal voor de wereld geen plaats mee zijn. in dat eeuwige huis zal dus ook geen strijd meer wezen tegen die vijanden die hier niet zelden ten bloede toe moesten worden tegengestaan
En omdat de zonde er niet meer zijn zal, zullen in dat eeuwige huis ook geen gebreken meer zijn. Ach, wat een pijnen en smarten, waarmee we, ook als we Gods kinderen zijn, hier vaak tot het einde toe te worstelen hebben. Maar in dat eeuwige huis, daar zal geen pijn en geen smart, daar zal geen benauwdheid meer zijn. Daar zullen geen tranen meer geschreid, geen zuchten meer geslaakt, geen doodsangsten meer uitgestaan worden. Daar zal geen hunner meer zeggen: ik ben ziek.
Integendeel, inplaats van onvrede, zal daar vrede, inplaats van onrust zal daar rust, inplaats van droefenis zal daar blijdschap, inplaats van smart zal daar vreugde, inplaats van ellende zal daar zaligheid zijn. En dan een vrede en een rust, een blijdschap en een vreugde, een zaligheid, waaraan in eeuwigheid geen einde zal zijn. O, hier op aarde, in het aardsche huis van dezen tabernakel, wordt daar, als we kinderen Gods zijn, ook wel eens vreugde gekend, ook wel eens vrede genoten, ook wel eens zaligheid gesmaakt. Maar na den vrede komt hier eer telkens de strijd; iedere beker der vreugde is hier altoos met bittere druppels van droefheid over de zonde gemengd,.en van de zaligheid die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wordt hier toch nooit anders dan een klein beginsel gekend. Maar wat een voorrecht, als in dat eeuwige huis de vrede en de vreugde en de zaligheid nooit weer onderbroken zal worden, als het daar een eeuwig genieten van Gods gemeenschap en dus ook een eeuwig zingen van den lof des Heeren zal zijn,
Verstaat gij dat er wel eens een heimwee naar dat eeuwige huis bij degenen die God vreezen gevonden kan worden en dat het wel eens zijn kan : wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen ?
O, dat er van dat heimwee ook in onze zielen iets gevonden mocht worden en dus ook wij mochten behooren tot hen, op wien het woord van den dichter straks voor eeuwig van toepassing is
Welzalig hij, die bij U woont. Gestaag U prijst en eerbied toont.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's