De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

23 minuten leestijd

De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.

Geen gunst maar recht.

XXI. a

Had dus reeds het besluit van den Souvereinen Vorst van 19 Januari 1814 de uitbetaling van de tractementen aan de predikanten der Hervormde Kerk verzekerd, niet alleen op grond van het Staatsbelang, maar evenzeer omdat de fondsen van de goederen der geestelijke kantoren vernietigd waren geworden, dus als schadevergoeding voor de confiscatie dezer kerkelijke fondsen door den Staat, nog vaster grondslag kreeg de erkenning van de rechten der Hervormde Kerk door de Grondwet, die in dat zelfde jaar werd uitgevaardigd.

Art. 136 van deze eerste Grondwet toch bepaalde : Aan de Christelijke Hervormde Kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit 's lands kassen van alle zoodanige tractementen, pensioenen, weduwen-, kinder-, school-en academiegelden, als voormaals aan derzelyen leeraren, hetzij directelijk uit 's lands kas, of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten, zijn betaald geworden. Terwijl daaraan toegevoegd werd in art. 137 : Van alle toelagen, welke laatstelijk aan de andere gezindheden uit 's lands kas zijn toegestaan geweest, wordt alsmede het genot, bij voortduring, aan gemelde gezindheden toegekend.

Dat de Grondwetgever van 1814 een verkregen recht der Hervormde Kerk erkende, zegt mr. J. H. Carpentier Alting terecht, kan bijna niet betwijfeld worden, 1) en zijn getuigenis heeft hier te meer waarde, omdat hij voor zich zelf van zulk een verkregen recht niets weten wil. Het verschil van de bewoordingen, waarin de Grondwetgever over de ondersteuning der Hervormde Kerk en die der andere Kerken sprak, laat hij er op volgen, stelt dit boven bedenking. Indien, zooals mr. Van Apeldoorn meent, alle tractementen sinds 1798 uitbetaald, niets anders dan een gunst zijn geweest, maar niet steunden op verkregen rechten, hoe kan de Grond wetgever eerst in een afzonderlijk artikel de uitbetaling van de tractementen der Hervormde Kerk regelen en daarna pas, in een volgend artikel, die voor de andere gezindheden ? Had de Grondwetgever zich op het standpunt gesteld, dat alle Kerken gelijke rechten hadden en dat de Staat uit zijn welbegrepen belang de dienaren van de verschillende Kerken te subsidieeren had, waarom werd dan onderscheid tusschen de predikanten der Hervormde Kerk en de dienaren der andere gezindheden gemaakt? En hoe is dan te verklaren het zoo sterk sprekend verschil in de bewoordingen van beide artikelen? Aan de predikanten der Hervormde Kerk wordt verzekerd de voldoening uit 's lands kas van hunne tractementen, zooals zij die tevoren hebben genoten, hetzij rechtstreeks uit 's lands kas, hetzij uit de daartoe bestemde inkomsten van kerkelijke en geestelijke goederen ; aan de dienaren van andere gezindheden alleen de toelagen, die hun toegestaan zijn uit 's lands kas. Het onderscheid tusschen beide bepalingen springt zoo sterk in het oog, dat men wel willens blind moet wezen om niet te erkennen, dat de Grondwetgever door deze onderscheiden terminologie en door de uitdrukkelijke verwijzing naar hetgeen vroeger uit de kerkelijke en geestelijke goederen genoten was, duidelijk heeft willen maken, dat de Staat hier in geheel andere verhouding stond tegenover de Hervormde Kerk dan tot de andere gezindheden. Bij die andere gezindheden was er sprake van een goedgunstige beschikking, van een „toelage" uit 's lands kas, bij de Hervormde Kerk van een verkregen recht. Trouwens, dat dit de bedoeling van de Grondwet was, werd door den president van de vergadering der aanzienlijken die 18 Maart bijeen kwam om over deze Grondwet te stemmen, uitdrukkelijk uitgesproken. „De betaling der eerwaarde leeraars van de godsdienst, zeide hij, die tot dusverre "uit 's lands geldmiddelen zijn bezoldigd geworden, wordt als een verkregen recht aan hen verzekerd ; daarenboven wordt eene gelijke behandeling naar billijkheid aan vele anderen toegezegd." 2)

Geheel in overeenstemming met dit rechtsstandpunt was het dan ook, dat bij Kerkelijk Besluit van 1815 bepaald werd, dat de achterstallige tractementen uit de jaren 1811, 1812, 1813, vroeger betaald uit het geestelijk kantoor te Delft, aan de predikanten zouden vergoed worden. Te opmerkelijker is dit, omdat in het besluit van 19 Januari 1814 Juist ten opzichte van de achterstallige tractementen over deze jaren bepaald was, dat de Staat deze niet terug zou betalen, daar dat de Hervormde gemeenten hiervoor zelf moesten zorgen. Ook dit Koninklijk beluit, in 1815 genomen ten opzichte van de tractementen uit het geestelijk kantoor te Delft vroeger betaald, zou geen grond hebben gehad, wanneer de koning niet uitging van de gedachte, dat de predikanten op deze tractementen recht hadden en de Staat, die ze had ingehouden daarom verplicht was het achterstallige uit te betalen.

Lang van duur is deze Grondwet van 1814 niet geweest; reeds in 1815 is zij door een nieuwe Grondwet vervangen, of liever door een gewijzigde. Het was de vereeniging met België, dat nu met ons vaderland tot één rijk verbonden werd, dat tot deze wijziing van de Grondwet noopte. Natuurlijk gold dit ook voor de bepalingen, die in de grondwet van 1814 over den godsdienst en de kerkgenootschappen waren opgenomen. zoolang de Souvereine Vorst nog alleen over de Noordelijke Nederlanden regeerde, wier bewoners in hoofdzaak uit Hervormden bestonden, was er zeker reden om met de historische positie, die de Hervormde of Gereformeerde Kerk in ons vaderland innam, rekening te houden. Zoo werd in art. 134 dezer Grondwet nog bepaald, dat de Souvereine Vorst de Christelijke Hervormde godsienst moest belijden. En evenzeer bleek dit, waar in art. 136 uitdrukkelijk de Christelijke Hervormde Kerk genoemd werd als rechthebbende op de betaling der dusver genoten tractementen. Maar nu de koning zijn gebied uitgebreid zag over het zoo goed als geheel Roomsche België, meende men, om aan de Roomschen geen aanstoot te geven, dat uit de Grondwet elke opzettelijke vermelding van de Christelijke Hervormde Kerk moest weggelaten worden. Daarmee verdween het vroegere art. 134, dat aan den Souvereinen Vorst de verplichting oplei om den Christelijken Hervormden Godsdienst te belijden, nu uit de Grondwet. En daarom werden artt. 136, 137 en 138, die over de betaling der tractementen handelden nu aldus, gewijzigd, dat daaruit één artikel ontstond, luidende : „De tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's lands kas geen of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden", waaraan in een volgend artikel nog de bepaling werd toegevoegd, dat „de koning te zorgen had, dat de toegestane penningen, die voor den openbaren godsdienst uit 's lands kas betaald worden, tot geen andere doeleinden bestemd zullen worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn." Dit laatste artikel is bij de latere grondwetsherzieningen weggelaten, maar het artikel, dat over de tractementen handelt, is bij elke nieuwe grondwetsherziening onveranderd gebleven, en het is over dit artikel dat dan ook de strijd gaat.

Dat in dit nieuwe artikel niet gesproken wordt over de historische of de verkregene rechten der Christelijke Hervormde Kerk is volkomen juist. Zelfs kan er geen twijfel over bestaan, dat dit met opzet niet is geschied. Wanneer men daaruit echter zou willen afleiden, dat de Grondwetgever van 1815 van deze historische of verkregene rechten der Christelijke Hervormde Kerk op deze tractementen niets heeft willen weten ; dat hij dus een gansch ander standpunt innam dan de Grondwetgever van 1814 ; dan gaat deze conclusie zeker te ver. En in geen geval mag hieruit worden afgeleid, zooals mr. Van Apeldoorn doet, dat de Grondwetgever van 1815 van de gedachte is uitgegaan, dat deze tractementen alleen als gunst aan de leeraars der verschillende gezindheden werden uitgekeerd, niet krachtens verkregene rechten, maar alleen uit het oogpunt van Staatsbelang.

Reeds op zich zelf zou het kwalijk denkbaar wezen, dat in den tijd van één jaar de rechtsopvatting van den Grondwetgever aldus veranderd was, dat hij in 1814 het verkregen recht der Hervormde Kerk erkende en in 1815 dit recht ontkende. Hoe wispelturig en veranderlijk men zich den Grondwetgever ook denken moge, dit zou toch elke voorstelling te boven gaat. Hierbij komt in de tweede plaats, dat van zulk een geheel veranderde rechtsopvatting, hetzij uit het rapport der Grondwets-herzieningscommissie, hetzij uit de debatten over dit artikel dan toch had moeten blijken. Maar hoe nauwkeurig men hiernaar ook onderzoek heeft gedaan, van zulk een principieelen omkeer in de rechtsopvatting heeft men geen enkel afdoend bewijs kunnen ontdekken. Wil men niet tot absurditeiten vervallen, dan moet wel naar een andere verklaring van dit gewijzigde artikel gezocht worden.

Die verklaring nu kan niet daarin gezocht worden, dat de Grondwetgever aan de bevoorrechte positie der Christelijke Hervormde Kerk een einde wilde maken, en alle gezindheden of kerkgenootschappen voor de wet gelijk wilde verklaren. Metterdaad is dit beginsel veel sterker in de Grondwet van 1815 doorgevoerd dan in de Grondwet van 1814, en zelfs is daaraan te danken, dat de bepaling wegviel, dat de Vorst den Christelijken Hervormden godsdienst moest belijden. Maar deze gelijkheid voor de wet had met de uitbetaling der tractementen niets te maken, althans niet met het eerste gedeelte van het artikel, waarin deze materie geregeld werd. Gelijkheid voor de wet, — althans wanneer deze tractementen beschouwd werden als een gunstbetoon van de Overheid — zou geëischt hebben, dat aan de leeraars van alle gezindheden een Staatstractement werd toegezegd zonder onderscheid. Juist dit nu doet dit artikel niet. Het maakt scherp onderscheid door eerst te bepalen, dat de tractementen, die dusver genoten werden uit 's lands kas, aan deze gezindheden verzekerd bleven, terwijl wat de andere gezindheden betreft, die zulk een tracienient niet ontvingen, alleen de mogelijkheid v/erd geopend om ook Staatstractementen te ontvangen. Een onderscheiding, die alleen zin heeft, wanneer de Grondwetgever van 1814 erkende dat de eerstgenoemde gezindheden daarop een zeker recht konden doen gelden.

Vraagt men, waarom de Grondwetgever van 1815 dan toch de Christelijke Hervormde Kerk niet uitdrukkelijk genoemd heeft, waar het hier de erkenning van een verkregen recht gold, dan schijnt het antwoord op deze vraag niet zoo moeilijk te geven., .De Grondwetgever van 1815 had niet alleen met Noord-Nederland te maken, maar ook met Zuid-Nederland of wil men met België. Dat nu heeft men bij de uitlegging van dit artikel te veel uit het oog verloren. In België had de Roomsche Kerk evenzeer historische rechten op deze tractementen als de Hervormde Kerk in de Noordelijke Nederlanden. Op welke gronden deze rechten rustten, behoeft hier niet te worden nagegaan. Maar het is duidelijk dat de Grondwetgever, die in 1815 de Grondwet te wijzigen had met het oog op de saamvoeging van België met Nederland nu niet meer alleen spreken kori van de verkregene rechten der Christelijke Hervormde Kerk, maar even goed de verkregen rechten der Roomsche Kerk had te erkennen. Daaruit is het te verklaren, dat de opzettelijke vermelding van de rechten der Christelijke Hervormde Kerk uit dit artikel kwam weg te vallen en het artikel nu in algemeenen zin werd geredigeerd.

Het is dan ook niet juist, wanneer Mr. Carpentier Alting beweert, 3) dat de Grondwet van 1815 het verkregen recht der Hervormde Kerk niet meer erkent, al voegt hij er voorzichtigheidshalve aan toe : evenmin als zij het trouwens ontkent. De zaak staat veeleer zoo, dat de Grondwetgever van 1815 niet meer alleen de verkregene rechten van de Christelijke Hervormde Kerk heeft willen erkennen, maar evenzeer de verkregene rechten van de Roomsche Kerk in België en daarom het artikel aldus heeft geredigeerd. Het is alleen met het oog op de toevoeging van België aan ons land, dat dit artikel dezen gewijzigden vorm ontving, maar niet om daarmede uit te spreken, dat voortaan, wat de staatstractementen aangaat, alle gezindheden gelijke aanspraak op staatshulp zouden hebben. De inhoud van dit artikel weerspreekt dit ten stelligste. Het is de fout van de meeste schrijvers over dit onderwerp, dat zij de totaal veranderde positie, die door detoevoeging van België aan Nederland ontstond, uit het oog hebben verloren.

In ons vorig artikel sloop een zinstorende drukfout in. In de tweede zinsnede van de eerste alinea moet het woord schending vervangen worden door „erkenning."

Dr. H. H. K. bestaande te verdedigen ; ik constateer alleen. is dan inderdaad, een belijdenisloos kerkgenootschap geworden.

HET REGLEMENT VOOR DE PREDIKANTSTRACTEMENTEN.

Het komt ons nog altijd voor, dat we met het aangeboden Synodaal Reglement voor de predikantstractementen uiterst voorzichtig moeten zijn. Hier is gevaar, dat we voor een schotel linzenmoes ons eerstgeboorterecht gaan verkoopen. En hoe begrijpelijk het is, dat er velen zijn die nu zeggen : „geef mij van dit roode, dat roode daar, want ik versmacht van dorst", we moeten toch oppassen ; want het zal een ramp worden voor onze Kerk, als het voorstel aangenomen wordt en tot wet bekrachtigd. Dan is de autonomie onzer gemeenten weg ; dan is alles één groote synodale pot geworden ; dan heeft de Synode alle macht in handen — en dan zitten we voor altijd in Synodale kluisters geboeid, waaraan geen ontkomen meer zal zijn.

Of wij dan niet voelen, dat er inzake de predikantstractementen geholpen moet worden ? O, zeker! We weten het helaas ! maar al te goed. Maar niet elke manier waarop hier ingegrepen wordt is voor ons het zelfde. De Gemeenten moeten opwaken en Classicaal moet dan des noodig geholpen worden. Zóó blijft de autonomie der Gemeenten bewaard en zóó wordt ook betracht de leer der Schrift: „we zijn elkanders leden." We zullen niemand hard vallen, die een ander gezicht op deze dingen heeft. Want de nood is zoo groot, zoo beangstigend, zoo benauwend groot. Maar gereformeerde beginselen — die steeds ook de meest practische en meest afdoende middelen en wegen aangeven — zijn ons te lief, dan dat we niet bescheidenlijk tot voorzichtigheid zouden aanmanen. Er hangt, van hetgeen we nu gaan doen, zooveel af ten opzichte van de verdere geschiedenis van onze Ned. Herv. Kerk !

In dit verband nemen we hier over wat prof. Slotemaker de Bruine geschreven heeft over deze kwestie in „De Amsterdammer". Het luidt als volgt:

„Het is een uiterst verdrietig werk om te schrijven tegen 't ontworpen Reglement op de predikantstractementen ; al was 't alleen maar vanwege-den zeer grooten nood in menige pastorie.

Als ik het desondanks doe, geschiedt het om de benauwende overtuiging, dat het reglement' niet zal kunnen uitgevoerd worden en dat dus een poging daartoe moet uitloopen op mislukking. Op teleurstelling derhalve in de pastorieën — te wreeder, omdat er hoop was gewekt; waarschijnlijk ook op een nauwelijks herstelbare verwarring in de Kerk. Er zal schade worden gedaan en onze predikantsgezinnen zullen niet geholpen zijn.

Waarom is dit reglement onuitvoerbaar ?

Ik zal mij zelf bij de beantwoording dezer vraag opzettelijk verzwakken, doordat ik alle principieele vragen rusten laat. Over practische vragen kan men discussieeren en daaromtrent door argumenten elkander over tuigen; op principieel gebied kan men alleen over en weer getuigen. Ik vermijd dus voor het oogenblik dit laatste terrein. Maar men herinnere zich, dat het wel bestaat en dat het van meer gewicht is, ook van meer invloed dan al het practische tezamen.

De bezwaren waarover ik wel spreek, zijn van drieëerlei aard, alle volgend uit één historisch gegeven.

De Hervormde Kerk bestaat namelijk uit Gemeenten en niet uit leden en lidmaten, Deze laatsten vormen de gemeente ; de gemeenten vormen de Kerk. Zoo staat het in het geldend kerkrecht. Maar ook — en dat is van veel grooter belang — zoo volgt het uit den gang der dingen sinds het Christendom in deze landen is geplant. Hieruit volgt dat de gemeente voor de tractementen moet zorgen ; dat de fondsen gemeentelijk zijn en dat in elke gemeente een administratief lichaam aanwezig is, aangewezen om de zorg op zich te nemen.

Ik bedoel met deze uiteenzetting niet, het bestaande te verdedigen, ik constateer alleen.

Met dit bestaande nu breekt het ontwerpreglement. Niet in dezen zin, dat wordt voor gesteld, het Algemeen Reglement te veranderen en dan op 'n nieuw-verkregen grondslag verder te bouwen. Doch in dezen zin, dat men ondanks den bestaanden grondslag gaat bouwen op een anderen, niet of althans nog-niet-bestaanden grondslag.

Eerst volgt hieruit een juridisch bezwaar.

De kerkegoederen zijn tot heden geacht bestemd geweest te zijn voor de kerkelijke behoeften ter plaatse. Geschiedt dit terecht, dan kunnen — zonder radicale verandering langs politiek-legalen weg — de pastoralia en kerkegoederen niet worden aangewend voor een andere gemeente. Dit staat vast. Het staat niet vast, dat de goederen niet elders mogen aangewend worden ; het staat wel vast, dat hier een kwestie is. Wie hangende deze kwestie een, reglement en een geheele regeling bouwt op een nog niet verkregen oplossing van de kwestie, bouwt zijn huis in de lucht.

Voorts rijst een aantal administratieve bezwaren. Ik noem er maar enkele. Alles wordt gecentraliseerd. Eén-raad van beheer moet alle dertien honderd^liggers onderzoeken en goedkeuren ; niet eenmaal, doch jaar op jaar, omdat er ieder jaar verandering kan gekomen zijn. Eén centraal lichaam zal van alle leden der Kerk jaarlijks ƒ 1.— hoofdgeld innen. Bovendien worden alle lidmaten aangeslagen naar hun jaarlijksch inkomen. Gesteld, dat dit inkomen aan de Kerk bekend wordt door middel van' de kohieren, dan moet toch nog voor ieder afzonderlijk een b schrijvingsbiljet worden uitgereikt en opgehaald, daarna de aanslag worden vastgesteld. Alles volgens art. 18. Want de Synode heeft het voorstel verworpen, dat de Kerk den aanslag in de kohieren tot grondslag nemen zou ; zij wil een eigen regeling van den aftrek en een eigen wijze van aanslag. Een eenvoudige berekening van het aantal bureaux en ambtenaren en bureau-kosten doet zien, dat de daarvoor geraamde twee ton daarvoor veel en veel te weinig is. En dit geld moet op tafel liggen, eer men kan beginnen; niet met het uitbetalen van predikantstractementen of zelfs met het innen van de millioenen, maar eer men kan beginnen met het benoemen van de hoogere en de lagere ambtenaren en met de inrichting van den dienst. '

Vanwaar dit geld komen moet kan tot heden niemand zeggen.

Eindelijk zijn er de psychologische bezwaren. Ik noem er slechts twee. Als ik de straks bedoelde rechtskwestie laat rusten, mag ik toch zeggen, dat wij nimmer in de historie geleerd hebben, dat de eene gemeente voor de andere zorgen moet; dat het derhalve enkele jaren duren zal, eer zij dit heeft geleerd! Tijdens dit proces komt het geld slechts zeer gedeeltelijk binnen. Maar de tijd voor dit psychologisch proces moet gegeven worden en iedere regeling moet daarmede rekenen.

De administratieve bezwaren zouden voor een groot deel ondervangen wezen, als men de zaak had gedecentraliseerd en gebruik gemaakt had van de overal reeds lang bestaande en werkende beheerscolleges. Nog zal het mogelijk zijn, in dien weg te gaan. Maar het zal óók tijd vergen, eer dit vlot loopt. Ieder kenner weet wel, waarom ! En nu lette men bovendien op "art. 35, waarin de Synode — men gelooft zijn oogen niet — alle plaatselijke hoofdelijke omslagen afschaft, hoewel zij daarover niets te zeggen heeft. Zonder dit artikel is de zaak niet uitvoerbaar ; want er kunnen geen twee kerkelijke hoofdelijke omslagen komen : één oor de Kerk, één voot ie gemeente. Men schaft dus de laatste af, met openlating alleen van de mogelijkheid, dat de gemeente opcenten heft. Misschien kan ook dit in orde komen en is de royale, gestadige medewerking van kerkvoogden te verkrijgen. Doch ook dit vraagt tijd ; zacht uitgedrukt al weder.

En nu moge men bij de overweging dezer bezwaren ten slotte zich dit nog herinneren. Bij beleidvolle en geleidelijke invoering van dit reglement zou er wellicht veel terecht kunnen komen. Maar het kan niet geleidelijk ingevoerd worden. Inzake de tractementen is het zulk een goede en nauwsluitende eenheid, dat het als geheel moet worden uitgevoerd óf dat het niet uitgevoerd kan worden. Men heeft niet voortgebouwd op. den bestaanden grondslag om zoo snel mogelijk doch geleidelijk te verbeteren ; maar men breekt alles af en behoeft 'n compleet nieuw gebouw.

Komt dit er niet — ik meen op de aangegeven gronden, dat het er niet en zeker niet aanstonds komt — dan zijn onze predikanten door het radicale niet gebaat.

Blijft de noodzaak om in te grijpen langs minder radicalen en meer vruchtbaren weg. Dan wordt minder bereikt, dan wat het reglement in uitzicht stelt, doch meer dan wat het levert. En dit beslist.

Zulk een weg moet gevonden worden door de vermijding van de hier alles beslissende fout: het uitgaan van iets niet-bestaands.

Er moet worden uitgegaan van het bestaande ; d.i. van de plaatselijke gemeente en van haar plicht, om voor het tractement te zorgen. Daardoor wordt een rechtsgrond gewonnen èn worden vrijwel alle administratieve bezwaren weggewerkt, omdat nu dezelfde organen kunnen worden gebruikt, die reeds gefunctioneerd hebben.

De Synode beginne dus met vast te stellen, welk minimum ; n een gemeente gelden moet — in iedere gemeente ; in de groote stadsgemeenten meer dan in de kleine dorpen — eer de kerkelijke besturen hun onmisbare medewerking geven voor het verkrijgen van een predikant.

In veel gemeenten zal deze enkele maatregel voldoende wezen. In andere .gemeenten, waar men er toe in staat is, zal men weigeren uit onwil ; „men", d.i. de kerkvoogdij. Daar komt dus geen predikant. Wij zijn overtuigd, dat in zulk een gemeente in verre de meeste gevallen de afkeurende publieke opinie bij machte zal zijn om onwilligen tot rede te brengen.

Gemeenten, die niet vacant zijn, ondervinden van dezen maatregel den invloed niet. Maar ik heb geen het minste bezwaar om aan deze bepaling terugwerkende kracht te geven in dien zin, dat het minimum moet betaald zijn sinds het vastgesteld is of anders desnoods na jaren moet zijn aangezuiverd, eer er dan een beroep kan worden uitgebracht.

Blijven de gemeenten, die onmachtig zijn om het vereischte tractement bijeen te brengen. Een enkele maal zal hier reden zijn tot dispensatie uit verschillenden hoofde. Als regel moet hier worden geholpen door de Kerk als geheel. In beginsel gebeurt dit nu 'ook reeds door middel van de verschillende fondsen ; maar, gelijk bekend is, veel en veel te weinig. Hier moet zeker radicaal worden ingegrepen. Alleen schijnt mij hiervoor het middel van een hoofdelijken omslag over de leden der Kerk om de bovengenoemde redenen onuitvoerbaar. Maar een omslag over de gemeenten der Kerk schijnt wel zeer aanbevelenswaardig. Deze moet dan worden vastgesteld in verband met talrijkheid en gegoedheid. En de wijze, waarop per gemeenten deze omslag zal worden opgebracht, kan volkomen ter beslissing van de gemeenten worden gelaten.

Men bedenke voorts, dat het bedrag minder groot behoeft te zijn naar mate het aantal gemeenten grooter wordt, die uit eigen kracht het minimum halen ; en dat dit weder het geval kan wezen naar mate het minimum lager gesteld wordt.

Dit nu zal mogelijk wezen om de navolgende reden.

In het ontworpen reglement bestaat het tractement uit twee gedeelten ; een vast gedeelte : hoofdsom plus pastorie ; een veranderiijk gedeelte : kindergeld en periodieke verhoogingen.

Deze scheiding neem ik gaarne over ; zij beantwoordt aan een overtuiging inzake kindertoeslag en dienstjaren, die in het sociale leven al sterker wordt.

Het is dan echter volkomen logisch, dat de gemeente zorgt voor het vaste gedeelte, de Kerk voor het veranderlijk gedeelte. Kindergeld en periodieke verhooging kan niet op de plaatselijke gemeente worden gelegd ; evenmin als dit b.v. in het particuliere industrie-leven op de schouders der particuliere ondernemingen gelegd wordt. Deze gelden moeten gevonden worden uit het fonds der Kerk.

Uit een omslag over de gemeenten worde dus het geld gevonden, noodig om de tractementen der onmachtige gemeenten op het vaste peil te brengen èn noodig voor de veranderlijke uitkeeringen.

Ik verwacht niet, dat zonder dwang deze omslag aanstonds door alle gemeenten zal worden betaald. Toch pleit ik hier niet voor dwang ; en dat wel hierom ! Er is op dit terrein door overtuiging veel meer te bereiken. Hier kan zeker de gemeente opgevoed worden tot solidariteit. En dit zal te gemakkelijker gaan, naarmate de grondslag van dit plan meer normaal is en meer in de lijn der bestaande toestanden dan het plan van het ontworpen reglement. Eindelijk is er het groote voordeel, dat hier onmiddellijke aanvankelijke uitvoering mogelijk is met geleidelijke uitbreiding daarvan naar mate de zaak meer populair wordt en dus de gelden ruimer vloeien. Overigens worden aan administratiekosten vele, vele duizenden gespaard. Wat aldus in uitzicht wordt gesteld, blijft beneden de hoop, die door het reglement gewekt wordt. Maar het mindere, dat komt, is meer, dan het meerdere, dat niet komt." Utr. J. R. Slotemaker de Br.

Na dit stuk van prof. Slotemaker de Bruine volge hier ook nog een stukske van dr. Kromsigt, dat we uit „De Geref. Kerk" hebben uitgeknipt:

DE SYNODE EN DE TRACTEMENTSREGELING.

Aan het stuk van ds.'Bakker van 27 Mei heb ik niet veel toe te voegen. Alleen zou ik nog wat sterker deze conclusie willen trekken : men neme dit voorstel in geen geval aan.

En wel om deze eenvoudige reden : wij mogen ons eerstgeboorterecht niet verkoopen voor een schotel linzenmoes.

Om kort te zijn (wegens gebrek aan plaatsruimte) en om duidelijk te zijn formuleer ik het op deze eenigszins scherpe wijze.

Wij hebben steeds gestreden tegen de Synodale organisatie en voor reorganisatie in presbyterialen zin uit zuiver geestelijke overwegingen, omdat onder het Nessuskleed dezer organisatie onze Kerk als Kerk niet tot openbaring kan komen, haar belijdend karakter gaandeweg verliest en ten slotte moet uitkomen bij een belijdenislooze Kerk, het ideaal van de mannen van E.V. De Kerk

Nu grijpt de Synode door deze regeling naar de beurs (ƒ 2500 of meer van het tractement wordt bijeengebracht door de Synode, het overige door de plaatselijke gemeente, verreweg het grootste deel moet dus van de Synode komen, het zwaartepunt wordt geheel verlegd) en daardoor naar de macht. Wie de koorden der beurs houdt, heeft nu eenmaal groote macht.

En zullen wij dan nu over alle geestelijke bezwaren maar op eens heenstappen enkel om een financieel, (naar het schijnt) (1), goede regeling te verkrijgen ? Zullen wij dus zoodoende aan deze Synode een gansch buitensporige macht geven ? En zoodoende haar gelegenheid schenken om die machtspositie te gebruiken om nu of straks Evenredige Vertegenwoordiging in te voeren 2) en dus de Kerk te maken tot een belijdenislooze Kerk?

Dit mag immers niet. Wij mogen het stoffelijke niet den voorrang geven boven het geestelijke.

1816 zij ons een baken in zee. Toen (er is terecht aan herinnerd) heeft ook de stoffelijke nood ons te kwader ure de Synodale organisatie bezorgd, die zulk een groote schuld heeft aan de thans practisch heerschende „leervrijheid." Thans zou deze regeling ons brengen E.V. en dus de belijdenislooze Kerk, óók reglementair voor immer gewettigd.

Of we dan geen oog hebben voor den nood van zoovele predikanten ?

Natuurlijk wel. Maar daarom is nog niet elk middel goed en geoorloofd.

Er is zeer wel een middel te bedenken, dat aan den nood tegemoet komt, zóó, dat de Synode inderdaad is onder ons als „rerumgestor", „als een, die dient" Luk. 22 vs. 27) en niet als een, die grijpt naar de macht. Over zulk een noodwet een volgend maal.

P. J. KROMSIGT.


1) J. H. CARPENTIER ALTING, De Staat en Kerkelijke Finandën blz. 100.

2) t.a.p. blz. 100.

3; t.a.p.blz. 102.

gil 1) Het blijft dubieus en gevaarlijk, daar ini^eval van doorzetting tal van processen zullen volgen en in geval van niet-doorzetting het een «papieren-regeling" blijft en de verwarring vermeerdert.

2) Dit is duidelijk in het Rapport zelf uitgesproken o.a. in deze woorden : sMaar warme samenwerking is alleen te verkrijgen, ais tegenover plichten ook rechten worden erkend" (bedoeld zijn ïrechten der minderheden"/

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's